Conclusie
1.Overzicht
NJ2003/360 (
Premiefraude; zie 4.6 hieronder) niet privaatrechtelijk kunnen worden verhaald. Kostenverhaal dient in casu het algemene belang door bescherming tegen gedrag zoals dat van [verweerder] , dat de samenleving met hoge kosten opzadelt. Het is een groot en beschermenswaardig goed dat de fiscus als faciliteit jegens belastingplichtigen uitgaat van de juistheid van aangiften. Extra kosten zoals die veroorzaakt door [verweerder] vloeien niet voort uit de kerntaak van de fiscus en ook als dat wel zo zou zijn, moet kostenverhaal in casu mogelijk zijn, nu de term ‘kerntaken’ van de overheid onvoldoende onderscheidend vermogen heeft, aldus de Staat.
NJ1976/280 (
Rijksweg 12), HR
NJ1978/615 (
m.s. Zuidpool), HR
NJ2015/366 (
Achmea/Staat), HR
NJ2011/139 (
Waterschapverkiezingsfraude) en HR
NJ2017/139 (
Helikopterongeval) inderdaad de hoofdregel af dat als de publiekrechtelijke regeling van de taakuitoefening door de overheid het gebruik van het privaatrecht niet uitsluit, en die regeling bepaalde aspecten van die taakuitoefening evenmin (uitputtend) regelt, de overheid ook het privaatrecht kan gebruiken voor haar publieke taakuitoefening, behoudens onaanvaardbare doorkruising van een publiekrechtelijke regeling, bijvoorbeeld als gebruik van het privaatrecht publiekrechtelijke waarborgen frustreert of maatschappelijk wenselijk gedrag ontmoedigt.
NJ2003/360 (
Premiefraude) blijkt dat u hoofdregel en uitzondering omkeert bij kosten die voortvloeien uit de uitoefening van ‘een in het strafrecht wortelende bevoegdheid die primair het algemene belang dient’, óók als die uitoefening er in de eerste plaats op gericht is – zoals ook in ons geval - om ten onrechte niet betaalde premies/belastingen alsnog te innen. Ik zie geen principieel verschil tussen de aard van het onderzoek en van het incassostreven in
Premiefraudeen de aard van het onderzoek en van het incassostreven van de fiscus in onze zaak. Ik zie in het kader van de doorkruisingsvraag evenmin een - andere uitkomsten rechtvaardigend - verschil tussen (i) uitoefening van in het
strafrecht‘wortelende’ bevoegdheden gericht op zowel alsnog binnenhalen van door fraude niet-betaalde belasting/premie als strafrechtelijke vervolging van de schuldigen, en (ii) uitoefening van in het
belastingrecht‘wortelende’ bevoegdheden, evenzeer gericht op zowel het alsnog binnenhalen van door fraude niet-betaalde belasting/premie als bestuurlijke beboeting van de schuldigen (en vervolging van hun belastingadviseur). Ook de kosten daarvan ‘worden in het algemeen niet op individuele burgers afgewenteld’. Gegeven de motivering in uw
Premiefraude-arrest, zie ik niet hoe in casu een andere uitkomst gemotiveerd zou moeten worden. Dezelfde kant op (geen kostenverhaal) wijst HR
NJ2017/140 (
Valse aangifte van diefstal).
overhead?), evenals kostentoerekeningsmechanismen (hoe wordt bepaald welke kosten van de belastingdienst waaraan besteed zijn en welke daarvan ‘extra’ zijn?), verhaalsverdelingsmechanismen en rechtsbeschermingsmechanismen (de rechter kan geen bezwaar- en beroepssysteem uit de grond stampen, hoewel het om grote aantallen gevallen gaat). Volstrekt onduidelijk lijkt mij hoe de burgerlijke rechter op rechtsgelijke, dus steeds consistente wijze voor alle denkbare – zeer vele - gevallen van bewuste onjuistheid jegens een heffende overheid of openbaar lichaam ‘extra’ perceptiekosten moet onderscheiden van ‘reguliere’ perceptiekosten, of ‘systeemfraude’ van andere fraude of van mogelijk even verwerpelijke andersoortige obstructie, of ‘grootschalig’ van klein- en middelschalig. Of kosten al dan niet ‘extra’ zijn, hangt bovendien af van het eigen risicoselectie- en controlebeleid van die heffende overheid. Evenmin zie ik in waarom er qua kostenverhaal verschil zou moeten bestaan tussen één enkele belastingplichtige die eenmalig € 2 miljoen fraudeert en het geval van [verweerder] en zijn 3.697 klanten. Zonder gedetailleerde en uitputtende publiekrechtelijke regeling, inclusief bezwaar- en beroepsprocedures, ligt willekeur op de loer. Zoals de Staat zelf opmerkt, gaat het om een ‘verdelingsvraagstuk’ dat mijns inziens daarom bij uitstek bij politici thuishoort, mede gezien de Rijksbegroting.
Rijksbelastingdienst vermeldt dat hij in 2018 30,3 miljoen aangiften en 5,2 mln aanvragen heeft ontvangen. De vermelde percentages ‘nalevingstekort’ geven een indruk van de niet-geringe omvang van het aantal onjuiste aangiften en aanvragen. De fiscale wetgever heeft bovendien wél voorzien in een uitputtende regeling van verhaal van de kosten van dwanginvordering in de Kostenwet invordering rijksbelastingen, waarvan de opbrengst wél begroot wordt. De wetgever heeft ook, in de Awb, het verhaal van de kosten van bestuursdwang op de overtreder wettelijk geregeld en in de AWR fiscale bestuursdwang uitgesloten.
Premiefraude-arrest, om het cassatieberoep van de Staat te verwerpen.
2.Feiten en procesverloop
per belastingplichtigedus klein bier. Deelt men de gevorderde loonkosten (€ 391.681) op het totale teruggevorderde bedrag, dan resulteren perceptiekosten ad 20% van de terugvordering, maar de perceptiekosten zullen in werkelijkheid hoger zijn, nu niet alle cliënten verhaal bieden en onduidelijk is of [verweerder] het bij zijn klanten oninbaar blijkende deel van de terugvordering zal (kunnen) vergoeden, terwijl mijns inziens ook de proceskosten van de Ontvanger in eerste aanleg meegerekend moeten worden als perceptiekosten.
heffingmaar voor de
invorderingvan die alsnog geheven belasting en voor de stroppen door oninbaarheid van sommige van de gecorrigeerde (navorderings)aanslagen. De Staat en de Ontvanger eisen geen vergoeding van de loonkosten van dwanginvordering omdat verhaal daarvan uitputtend geregeld is in de Kostenwet invordering rijksbelastingen.
Van Maarseveen-arrest, [3] geen succes viel te verwachten. Het Hof heeft de memorie van grieven van de Ontvanger opgevat als berusting in het Rechtbankvonnis en hem daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, zodat alleen de Staat als (vermeerderde) eiser overblijft.
3.Het geschil in cassatie
De aangevallen rechtsoverwegingen
NJ2003/360), kunnen kosten van aanslagoplegging wel degelijk worden verhaald op de veroorzaker ervan, althans in gevallen zoals dat van [verweerder] (‘systeemfraude’). Daarmee wordt ook het algemeen belang gediend omdat het een wenselijke drempel opwerpt tegen gedrag zoals dat van [verweerder] , dat de samenleving met hoge kosten opzadelt.
Windmill(zie 4.3 hieronder),
Nabluskosten Vlissingen(zie 4.4 hieronder),
Helikopterongeval(zie 4.9 hieronder),
Achmea/Staat(zie 4.8 hieronder) en
Premiefraude(zie 4.6 hieronder) waaruit zijns inziens blijkt dat kostenverhaal in casu een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrecht zou opleveren.
Nabluskosten Vlissingen(zie 4.4 hieronder).
Nabluskosten Vlissingen(zie 4.4 hieronder) juist heeft gemotiveerd door er op te wijzen dat de brandweerwerkzaamheden in die zaak tot de kerntaken van de overheid behoren.
Nabluskosten Vlissingen(zie 4.4 hieronder),
Achmea/Staat(zie 4.8 hieronder),
Helikopterongeval(zie 4.9 hieronder) en
Rijksweg 12(zie 4.1 hieronder) slechts één van meer gezichtspuntspunten waaruit onder
bijzondereomstandigheden in een concreet geval – zoals dat van
Nabluskosten Vlissingen-
kanvolgen dat privaatrechtelijk verhaal is uitgesloten, maar dat is een uitzondering. Hoofdregel is privaatrechtelijke verhaalbaarheid van de kosten van de ambtelijke tijd gemoeid met herstel, ook al is dat herstel een publieke kerntaak, zo blijkt met name uit de arresten
Helikopterongeval(zie 4.9 hieronder),
Coevorden/Gasfabriek [9] en vooral
Waterschapverkiezingsfraude(zie 4.7 hieronder), nu met name organisatie van verkiezingen een publieke kerntaak is.
Premiefraude(zie 4.6 hieroner) en
Valse aangifte(zie 4.10 hieronder). Daarvan is in casu echter geen sprake, nu het gaat om ambtelijke tijd gemoeid met het controleren van duizenden onjuiste aangiften, het vaststellen van gecorrigeerde (navorderings)aanslagen en het invorderen van die aanslagen om ten onrechte uitgekeerde belastingteruggaven "terug te halen". Zelfs als dat omgekeerde uitgangspunt voor de strafvorderlijke sfeer ook zou gelden voor een geval van systeemfraude zoals het onderhavige, bestaat ruimte voor uitzonderingen waarin wél kostenverhaal mogelijk is, zo blijkt uit het arrest
Valse aangifte(zie 4.10 hieronder) en is in casu sprake van zo’n uitzondering, nu [verweerder] wist of moest weten dat zijn onrechtmatige handelen de fiscus zou nopen of bewegen tot veel extra werkzaamheden en dat hij daarmee de Staat aanzienlijke schade zou toebrengen. De door hem als belastingadviseur gepleegde systeemfraude moet als maatschappelijk bijzonder verwerpelijk worden gekenschetst.
4.De precedenten
NJ1976/280 (
Rijksweg 12) [10] betrof verhaal van kosten die de Staat als wegbeheerder had gemaakt om een Rijksweg weer begaanbaar te maken na een door een onrechtmatige onzorgvuldige chauffeur veroorzaakt verkeersongeval waarbij een vrachtwagen met giftige stoffen was lekgeslagen. U overwoog:
NJ1978/615 (
m.s. Zuidpool) [11] ging over het verhaal door de Staat op de betrokken reders van de kosten van het opruimen van een scheepswrak dat een scheepvaartroute op de Noordzee hinderde na een door schuld van beide schepen veroorzaakte aanvaring. U overwoog:
NJ1991/393 (
Windmill) [12] eiste de Staat op grond van zijn eigendomsrecht een vergoeding van Windmill voor een ‘privaatrechtelijke vergunning’ tot het lozen van gipsslurry op oppervlaktewater, hoewel Windmill reeds in het bezit was van een vergunning daartoe op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (WVO), en hoewel de WVO de Staat bevoegd maakte om heffingen ten laste van lozers in te stellen ter bestrijding van de kosten van tegengaan en voorkomen van oppervlaktewaterverontreiniging en hoewel die wet dergelijke heffingen uitgebreid regelde en daarop de procedurele en waarborgbepalingen van de AWR en de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (Warb) van toepassing verklaarde. U achtte dit privaatrechtelijke ontwijken van de WVO en diens materiële en rechtsbeschermingsbepalingen niet toelaatbaar: de Staat moest de voor het beoogde doel geschreven WVO gebruiken in plaats van uit te wijken naar zijn eigendomsrecht, dat niet voorzag in de WVO-waarborgen voor heffingsplichtigen:
NJ1994/639 (
Nabluskosten Vlissingen) [13] betrof een brand in een lading katoen op een schip in de haven van Vlissingen. Die gemeente eiste van de eigenaar van het schip vergoeding van de kosten van het noodzakelijke nablussen door de gemeentelijke brandweer in de periode tussen het sein ‘brand meester’ en het moment van lossen van de lading katoen. De feitenrechters hadden die eis afgewezen en die afwijzing bleef in cassatie in stand, onder meer omdat het volgens u ging ‘om een kerntaak van de overheid, welke van oudsher door haar is uitgeoefend zonder dat kosten in rekening werden gebracht’:
NJ1998/890 (
Staat/Lenger) [14] werpt mijns inziens geen licht op onze zaak. Hij betrof weliswaar een opzettelijk onjuiste inkomensopgave aan de fiscus ging (niet-vermelden van een miljoenenwinst uit aanmerkelijk belang in de opgave voor de voorlopige aanslagoplegging, zulks om belastinguitstel tot aan de definitieve aanslag te verkrijgen en daarmee een aanzienlijk rentevoordeel), maar ging niet over kostenverhaal, maar alleen over renteverlies. Bovendien vatte u die zaak - hoewel dus slechts renteverlies betreffend – op als een geval waarin de Staat in wezen probeerde privaatrechtelijk belasting te heffen, zulks in strijd met het fiscale legaliteitsbeginsel (art. 104 Grondwet Pro), dus als een zaak vergelijkbaar met HR
NJ1994/46 (
Veerman/Marken), [15] waarin de gemeente Waterland bij overeenkomst (de kosten van) heffing en inning van haar toeristenbelasting had proberen af te schuiven op de toeristenaanvoerende rondvaartonderneming, in evidente afwijking van haar gemeentelijke belastingverordening en in strijd met het fiscale legaliteitsbeginsel.
NJ2003/360 (
Premiefraude) [16] achtte u de kosten van een opsporingsonderzoek naar premiefraude niet verhaalbaar op de frauderende werkgever, ook niet als dat onderzoek vooral zou strekken tot alsnog innen van ontdoken premies. U overwoog dat de kosten van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek door FIOD en SFB tegen de premiefraudeur
NJ2011/139 (
Waterschapverkiezingsfraude) [17] betrof het verhaal van de kosten ad € 357.616,90 van onderzoek naar verkiezingsfraude en het opnieuw moeten houden van een waterschapverkiezing door het Hoogheemraadschap op de frauderende kandidaat. De feitenrechters hadden de eis van het Hoogheemraadschap toegewezen. Hoewel ook organisatie van verkiezingen een kerntaak van de overheid is, maakte u geen woorden vuil aan de klacht dat kostenverhaal het Kiesreglement onaanvaardbaar zou doorkruisen:
Windmill-criteria (zie 4.3 hierboven) onderzocht en vastgesteld dat het Kiesreglement geen regeling over kostenverhaal bevatte en dat ook de (overigens niet-toepasselijke) Kieswet geen antwoord gaf op de doorkruisingsvraag; dat de parlementaire geschiedenis van het Kiesreglement en de Kieswet evenmin aanwijzingen bood voor beantwoording van de vraag of een overheidslichaam bij verkiezingsfraude de extra kosten kan verhalen op de veroorzaker; dat de aard van de taak van het Hoogheemraadschap en de aard van de door hem gemaakte kosten onvoldoende steun gaven aan de stelling dat publiekrechtelijk verhaal zou zijn uitgesloten omdat - bijvoorbeeld - niet aannemelijk was dat mogelijk kostenverhaal bij verkiezingsfraude een ongewenste drempel voor deelname aan verkiezingen zou kunnen opleveren; en dat, nu publiekrechtelijk kostenverhaal niet was uitgesloten, er geen duidelijke aanwijzing was dat verhaal langs privaatrechtelijke weg zou zijn uitgesloten. Mijn voormalig ambtgenoot Keus had verder onder meer geconcludeerd dat, nu het publiekrecht kostenverhaal niet alleen niet uitsloot, maar er evenmin in voorzag, er ook geen sprake was van bijzondere publiekrechtelijke waarborgen bij kostenverhaal die door het volgen van de privaatrechtelijke weg ontoelaatbaar zouden kunnen worden ondergraven.
NJ2015/366 (
Achmea/Staat) [18] ging opnieuw over verhaal, op de veroorzaker, van de kosten die de Staat maakte voor het begaanbaar maken van een Rijksweg na een door onrechtmatige onzorgvuldigheid veroorzaakt verkeersongeval dat in dit geval had geleid tot olie op de weg. De kantonrechter had kostenverhaal afgewezen omdat olie op de weg een gevaar was in de zin van art. 1(4)(b) van de toenmalige Brandweerwet 1985, zodat, gezien HR
NJ1994/639 (
Nabluskosten Vlissingen), verhaal van de brandweerkosten door de overheid een doorkruising van de publiekrechtelijke regeling in de Brandweerwet zou zijn. Het Hof zag dat in hoger beroep anders en u was het daar mee eens. Anders dan in de zaak
Nabluskosten Vlissingen, ging het niet om kosten van acuut noodzakelijk ingrijpen en was de overheid mede als wegbeheerder betrokken. Ook bleek in deze zaak niet, zoals wél in
Nabluskosten Vlissingen, dat de wetgever het onwenselijk had gevonden om de kosten van deze publieke taakuitoefening langs publiekrechtelijke weg (via een heffing) aan burgers in rekening te brengen, noch dat de regering verhaal onwenselijk had geacht vanwege het drempelargument (het risico dat het vooruitzicht van mogelijk verhaal een onwenselijke drempel opwerpt tegen verwittiging van de autoriteiten). Integendeel: uit de parlementaire geschiedenis van de Wegenverkeerswet volgde juist dat de wetgever privaatrechtelijk verhaal in deze soort gevallen wél wenselijk achtte. U oordeelde dan ook, anders dan in
Nabluskosten Vlissingen, dat in dit geval noch de Brandweerwet, noch de Wegenwet onaanvaardbaar doorkruist werd door privaatrechtelijk verhaal van de kosten van olieverwijdering:
NJ2017/139 [19] betrof een
Apachegevechtshelikopter van Defensie die roekeloos tegen hoogspanningsleidingen in de Bommeler- en Tielerwaard was aangevlogen. De piloten waren daarvoor strafrechtelijk veroordeeld. De betrokken gemeenten wensten vergoeding van de kosten van herstel en van de gevolgen van de veroorzaakte stroomstoring. De Staat achtte het kostenexces boven de rijksbijdrage ex de Wet rampen en zware ongevallen (Wrzo) en het Besluit Rijksbijdragen bijstands- en bestrijdingskosten (Brbb) niet vatbaar voor vergoeding op privaatrechtelijke grondslag. U dacht daar met de feitenrechters anders over:
Kamerstukken II 1982-1983, 16 978, nr. 5,p. 20, en 1983-1984, 16 978, nr. 8, p. 10; zie ook (…)). Gemeenten hebben dus de mogelijkheid van dat verhaal.
NJ2017/140 (
Valse aangifte van diefstal met geweld) [20] oordeelde u dat politiekosten als gevolg van een - met het oog op verzekeringsoplichting gedane - valse aangifte vanm diefstal niet privaatrechtelijk op de oplichters verhaald kunnen worden, tenzij de valse aangifte zou zijn gedaan met geen ander doel dan de politie te schaden terwijl de aangever wist dat de valse aangifte politie tot nodeloze opsporingshandelingen zou leiden:
NJ 2003/360) (
Premiefraude; PJW).
5.Analyse en beoordeling
NJ1976/280 (
Rijksweg 12; giftige stoffen op de weg na verkeersongeval), HR
NJ1978/615 (
m.s. Zuidpool; wrakopruiming op een scheepvaartroute), HR
NJ2015/366 (
Achmea/Staat; olie op de weg na verkeersongeval), HR NJ 2011/139 (
Waterschapverkiezingsfraude; kosten opnieuw organiseren) en HR
NJ2017/139 (
Helikopterongeval; kosten stroomstoring) suggereren inderdaad, zoals de Staat stelt, dat er een hoofdregel is: als de relevante publiekrechtelijke regeling van de taakuitoefening door de overheid het gebruik van het privaatrecht daarbij niet uitsluit, en die regeling bepaalde aspecten, opgeroepen door die taakuitoefening, evenmin (uitputtend) regelt, dan is de overheid het gebruik van het privaatrecht voor publieke taakuitoefening in uitgangspunt toegestaan, behoudens onaanvaardbare doorkruising van een publiekrechtelijke regeling, bijvoorbeeld als publiekrechtelijke waarborgen worden gefrustreerd of maatschappelijk wenselijk gedrag wordt ontmoedigd door de overheidsuitwijking naar het privaatrecht.
tegende heffende, controlerende, invorderende en beboetende overheid, maar is het andersom: in toenemende mate is het juist de Staat/de Ontvanger die het burgerlijke recht uit de kast trekt om buiten het publiekrecht om ten strijde te trekken tegen hinderlijke zwartspaarders, inlichtingenweigeraars, frauderende belastingadviseurs, verhaalverkorters, etc., [21] zoals ook blijkt uit deze procedure. Hinderlijke zwartspaarders, inlichtingenweigeraars, frauderende belastingadviseurs, verhaalverkorters, etc. zijn mijns inziens echter volstrekt normaal in een hoog ontwikkelde en georganiseerde (en dus vergaand gefiscaliseerde en overheidsgereguleerde en -gebudgetteerde) maatschappij met meer dan 17 miljoen inwoners/belastingplichtigen en wie weet hoeveel bedrijven, bedrijfjes en ZZP-ers/belastingplichtigen.
naming and shamingingevoerd: een nieuw art. 67r AWR biedt thans een wettelijke basis om de namen van belastingadviseurs te publiceren die door medepleging (art. 5:1(2) Awb) belastingontduiking faciliteren en aan wie daarvoor een vergrijpboete is opgelegd. [22]
NJ2003/360 (
Premiefraude; zie 4.6 hierboven) blijkt dat u de in 5.2 geformuleerde hoofdregel en uitzondering omkeert bij door de overheid gemaakte kosten die voortvloeien uit de uitoefening van ‘een in het strafrecht wortelende bevoegdheid die primair het algemene belang dient’, óók als die uitoefening er in de eerste plaats op gericht is – zoals ook in [verweerder] ’s geval - om ten onrechte niet betaalde premies (of ten onrechte uitbetaalde belastingteruggaven) alsnog te innen. Ik merk op dat de in casu door de Staat gestelde werkzaamheden van de fiscus, gezien de wettelijke beboetingsregels en het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst, mede gericht zullen zijn geweest op beboeting van de klanten van [verweerder] en, zoals uit de strafrechtelijke veroordeling van [verweerder] zelf blijkt, ook op strafrechtelijke vervolging van [verweerder] (en mogelijk ook van sommigen zijner klanten, nl. zij bij wie de verzonnen ziektekosten wel erg hoog waren). Ik zie geen principieel verschil tussen de aard van het onderzoek en van het incassostreven van de FIOD (onderdeel van de belastingdienst) en het SFB in de
Premiefraude-zaak en de aard van het onderzoek en van het incassostreven van de Inspecteur en de Ontvanger in onze zaak, die ook premies naast belasting betreft (de taak van bedrijfsverenigingen zoals het SFB is overgenomen door de belastingdienst). Ik zie in het kader van de doorkruisingsvraag evenmin een - andere uitkomsten rechtvaardigend - verschil tussen (i) uitoefening van in het
strafrecht‘wortelende’ bevoegdheden om door fraude niet-betaalde belasting of premie alsnog binnen te halen (of door fraude onterecht verstrekte subsidies) én de schuldigen strafrechtelijk te vervolgen, en (ii) uitoefening van in het
belastingrecht‘wortelende’ bevoegdheden om door fraude niet-betaalde belasting of premie alsnog binnen te halen én de schuldigen bestuurlijk te beboeten en in de ernstigste gevallen strafrechtelijk te vervolgen. U wees er in het
Premiefraude-arrest ook op dat het door ‘SFB uitgevoerde opsporingsonderzoek een uitvloeisel is van haar publiekrechtelijke taak, strekkende tot het opsporen van met strafrechtelijke
of administratieve sanctiesbedreigde feiten’ (
curs. PJW) en dat ‘de kosten van een dergelijk onderzoek, verbonden aan de uitoefening van een bijzondere opsporingsbevoegdheid die primair het algemeen belang dient, (...) in het algemeen niet op individuele burgers (worden) afgewenteld’. Dat geldt ook voor de kosten van controle-, navorderings-, beboetings- en inningswerkzaamheden van de fiscus. En evenmin als ‘de publiekrechtelijk regelgeving waarop de opsporingsbevoegdheid van de functionarissen van SFB berust,’ houden de AWR en de IW 1990 een ‘afwijking in van dit uitgangspunt: die regelgeving voorziet niet in de mogelijkheid van kostenverhaal.’ Gegeven deze citaten uit de motivering van de uitsluiting van kostenverhaal in het
Premiefraude-arrest, zie ik niet meteen hoe in casu een andere uitkomst gemotiveerd zou moeten worden.
NJ2017/140 (
Valse aangifte van diefstal met geweld; zie 4.10 hierboven): het publiekrecht wordt volgens u onaanvaardbaar doorkruist bij privaatrechtelijk verhaal van kosten veroorzaakt door valse aangifte bij de politie, tenzij vaststaat dat die aangifte werd gedaan met geen ander doel dan de politie te schaden en de aangever moest begrijpen dat zij de politie zou nopen of bewegen tot nodeloze opsporingshandelingen. Het gaat ook in [verweerder] ’s geval om kosten die de overheid (de fiscus) maakt ter uitvoering van zijn publiekrechtelijke taak, in [verweerder] ’s geval strekkende tot het controleren van belastingaangiften en het opsporen van belastbare feiten en beboetbare feiten. Onbeperkt privaatrechtelijk verhaal van deze kosten verdraagt zich mijns inziens evenmin als verhaal van de politiekosten in de
Valse aangifte-zaak ‘zonder meer’ met de bijzondere wettelijke doeleinden en regeling van de strafrechtpleging c.q. de belastingheffing en -inning. Dat zal ik hieronder onderbouwen. In het
Valse aangifte-arrest motiveerde u dat ‘verdraagt-zich-niet’-oordeel overigens niet. [verweerder] wist weliswaar dat de door hem gedane aangiften onjuist waren, maar het laat zich horen dat hij die onjuiste aangiften
nietdeed om de fiscus op onderzoekskosten te jagen. Integendeel: liever moest de fiscus vooral géén onderzoek instellen naar de door hem ingediende aangiften. Hij ging er denkelijk dan ook niet vanuit dat zijn handelingen de fiscus tot nodeloze opsporingswerkzaamheden zouden bewegen.
ditzeer sprekende, want ‘bijzonder verwerpelijke’ geval, verhaal van de ambtelijke controle-, navorderings-, beboetings- en inningskosten geen onaanvaardbare doorkruising van het (systeem van het) belastingrecht geacht kan worden op te leveren. Die ‘kenmerken van het onderhavige geval’ zijn volgens de Staat dat het gaat om ‘extra’ kosten in verband met ‘grootschalige’ ‘systeemfraude’ door een ‘belastingadviseur’ - die er zelf ook beter van werd - voor duizenden cliënten aan wie in totaal bijna € 2 miljoen ten onrechte is gerestitueerd. Dat moge zo zijn, en het rechtsgevoel wordt wellicht bevredigd als [verweerder] ook de ambtelijke kosten van de ontmanteling van zijn verdienmodel moet betalen, maar welke gevolgen heeft verwijdering van dit hek van de dam voor alle andere zaken met ietsje of heel andere kenmerken, en voor alle andere belasting-, premie- of anderszins heffende overheden en openbare lichamen? Dat valt mijns inziens voor de rechter volstrekt niet te overzien. De Staat vraagt u in wezen om allerlei onmogelijke gevalsafbakeningen te maken (wat is ‘grootschalig’? Wat is ‘systeemfraude’? Wat is ‘bijzonder verwerpelijk’? Wat zijn ‘reguliere’ en wat ‘extra’ kosten? Wie kunnen als ‘belastingadviseur’ aangemerkt worden?), om kostensoorten te bepalen en om te bepalen of die al dan niet doorberekenbaar zijn (ook huisvestingskosten en
overhead? Hoe verhoudt afwenteling zich tot de Rijksbegrotingspost voor belastingperceptiekosten (zie 5.16 hieronder)?), om (forfaitaire?) kostentoerekeningsmechanismen te ontwikkelen (hoe wordt bepaald welke kosten van de belastingdienst waaraan besteed zijn en welke daarvan ‘extra’ zijn?), en om (forfaitaire?) verhaalsverdelingsmechanismen en verhaalsbeperkingen te ontwikkelen (op basis van welke criteria wordt bepaald in welke mate (geïdentificeerde, toerekenbare) kosten aan wie van de betrokkenen doorberekend worden? Hoofdelijk? Regres? Rechtsbescherming?). Met toerekening ‘naar redelijkheid’ begint men hier mijns inziens niets: veel te vaag voor het zeer grote aantal (soorten) gevallen en het grote aantal (soorten) problemen.
Crédit Suisse(zie HR
BNB2017/162 t/m HR
BNB2017/164 [24] )? De daarmee gemoeide ‘extra’ kosten van de fiscus waren denkelijk hoger dan de thans van [verweerder] gevorderde 4 ton, terwijl in die zaak, anders dan in onze zaak, geen boeten aan de vele betrokken belastingplichtigen/rechtspersonen konden worden opgelegd omdat de constructeurs van
Crédit Suissedoortrapter waren dan [verweerder] : zij ontdoken de wet (
fraus legis) in plaats van de verschuldigde belasting (fraude). Voor zover mij bekend, heeft de Staat niet geprobeerd de ambtelijke kosten van het
Crédit Suisseproject te verhalen op die bank of diens externe constructeurs, hoewel de Staat dier zeer grootschalige antifiscale constructies minstens even ‘verwerpelijk’ vond, zelfs zodanig dat hij (uiteindelijk in rechte onhoudbare) zeer hoge fiscale boeten had proberen op te leggen.
makkelijkeris dan een hinderlijk groot aantal smurfen? De verwerpelijkheid en de aanvankelijke vermogensschade (de ontdoken belasting) voor de Staat lijken mij in beide gevallen niet voor elkaar onder te doen. Bij welke combinatie van welk aantal fraudeurs en welk totaalfraudebedrag veranderen niet-verhaalbare ‘reguliere’ perceptiekosten in wél-verhaalbare ‘extra’ perceptiekosten ter zake van ‘systeemfraude’, al dan niet ‘grootschalig’? Bij tien fraudeurs? Honderd? Vijfhonderd? Tweeduizend? Bij € 500.000 belastingnadeel? € 1 miljoen? € 1.798.558 en 93 cents? Is ‘grootschalige systeemfraude’ niet een pleonasme? Mij is ook onduidelijk waarom belastingperceptiekostenverhaal, als het al toegelaten zou moeten worden zonder gedetailleerde publiekrechtelijke basis met uitgewerkte bezwaar- en beroepsmogelijkheden (omdat het om grote aantallen gaat), alleen de
loonkosten van de betrokken ambtenaren zou omvatten. Waarom niet ook de kosten van hun ambtelijke huisvesting? Waarom niet ook andere
overhead? Waarom zou de Staat – en elke andere van de honderden heffende overheden - van geval tot geval moeten kunnen kiezen of hij wel of niet verhaalt en zo ja, welke kosten hij dan verhaalt, en op wie, de fraudeur of diens meeprofiterende en faciliterende adviseur? Of ook op meeprofiterende echtgenoten, kinderen en zakenpartners? Het is immers ook onrechtmatig om te profiteren van eens anders’ onrechtmatige daad. Zonder gedetailleerde en uitputtende publiekrechtelijke regeling, inclusief bezwaar- en beroepsprocedures, ligt willekeur op de loer. Zonder zo’n regeling komt de burgerlijke rechter mijns inziens in een onafzienbaar moeras terecht waaruit alleen de wetgever haar zal kunnen redden. Ook de aanduiding ‘belastingadviseur’ heeft geen onderscheidend vermogen: iedereen die een belastingalmanak heeft gelezen - of niet heeft gelezen - mag een bord op haar deur spijkeren en visitekaartjes uitdelen met daarop ‘belastingadviseur’. Of wil de Staat daaronder begrijpen iedereen die zich laat betalen? Dan valt niet in te zien waarom in dergelijke personen door de Staat verhaalsbepalend méér vertrouwen gesteld zou moeten kunnen worden dan in de belastingplichtige zelf. Van gerechtvaardigd ‘meer’ vertrouwen lijkt mij pas sprake te kunnen zijn bij wettelijk geregelde beroepen of bij certificering van beroepsuitoefenaars door de overheid of door een degelijke privaatrechtelijke beroepsorganisatie.
niet‘de kenmerken van het onderhavige geval’, en om in de kostenbepalings-, toerekenings- en verdelingsaspecten te voorzien. Daar moet u mijns inziens niet aan beginnen. Zoals de Staat zelf opmerkt, gaat het om een ‘verdelingsvraagstuk’ van kosten van (mijns inziens) de meest typische overheidsbezigheden: belastingheffing, -controle en -inning en bestuurlijke beboeting. De Staat wil een andere verdeling dan sinds mensenheugenis voorzien in de Rijksbegroting (zie 5.16). Het ‘verdelingsvraagstuk’ lijkt mij daarmee bij uitstek een politiek vraagstuk. Als de regering belasting- en premieperceptiekosten wil kunnen afwentelen op bepaalde, door haar als ‘bijzonder verwerpelijk’ beschouwde individuele burgers en bedrijven, dan moet zij een uitgewerkte regeling daarvan voorleggen aan de volksvertegenwoordiging, inclusief afbakeningen, toerekeningsregels en rechtsbescherming, en inclusief regelingen voor alle andere heffende overheden dan de rijksoverheid.
inkomstenpost ‘kostenverhaal’ bevat. De Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën (XIB) voor het jaar 2020 [25] voorziet bijvoorbeeld in Onderdeel 3 (Beleidsartikelen (Financiën)), onder Artikel 1 (Belastingen) expliciet de ‘apparaatsuitgaven’ (€ 2.4 miljard) voor de rijksbelastingdienst voor 2020, omvattende:
Apparaatsuitgaven
Ferrazzini v Italy [27] belastingprocedures uitgesloten achtte van de in art. 6 EVRM Pro (
fair hearing) bedoelde procedures over ‘civil rights and obligations’ omdat belastingheffing zijns inziens een
hard core public-authority prerogativeis en de
public naturevan de relatie tussen belastingplichtige en gemeenschap
predominantblijft:
Nabluskosten Vlissingenwel degelijk van belang dat de wetgever geen heffingen wenste ter zake van brandweerkosten – merk ik op dat belastingheffing en -inning ten behoeve van de algemene middelen van de Staat en beboeting van tegenwettelijk gedrag van belastingplichtigen en -schuldigen mijns inziens op geen enkele manier kan worden beschouwd als een afzonderbare dienst jegens enige individualiseerbare persoon of groep personen anders dan de maatschappij als geheel, noch als een bestemmingsheffing met enig bepaald doel waar enig profijtbeginsel op kan worden toegepast (
algemenemiddelen immers). [28]
Internal Revenue Servicepleegt te zeggen: ‘In God we trust; all others we audit’ (of ‘In God we trust; all others bring data’). Men kan zich afvragen waarom het zo’n 4.000 - volgens de Staat
systematischonjuiste - aangiften en aanslagen, verspreid over drie belastingjaren, heeft moeten duren voordat de fiscus in de gaten begon te krijgen dat [verweerder] en zijn klanten hem oplichtten.
rijksbelastingen onjuist is, gaat het nog steeds om honderduizenden gevallen per jaar, waarvan denkelijk een niet onaanzienlijk deel onjuist is door (voorwaardelijk) opzet. Belasting- en premieheffing produceert jaarlijks zo’n 60 miljoen beschikkingen. Het jaarplan 2020 van alleen al de
Rijksbelastingdienst [30] vermeldt dat hij in 2018 30,3 miljoen aangiften en 5,2 mln aanvragen en mutaties heeft ontvangen (p. 19). De percentages van het ‘nalevingstekort’ bij het MKB en bij particulieren (p. 58) geven een indruk van de niet-geringe omvang van het aantal onjuiste aangiften en aanvragen. Strafbaar incompetente
Apache-piloten, eenmalige waterschapverkiezingsfraude, een culpoze aanrijding op een bepaalde plaats met een Oostenrijkse giftankvrachtwagen en op de Noordzee wederzijds culpoos botsende motorschepen zijn niet voorzienbaar en dus niet voorzien, zijn incidenteel en niet begrootbaar anders dan door een geheel natte-vingerpost ‘onvoorzien’. Fiscale en premiefraude daarentegen zijn, net als de structurele noodzaak van opsporing en vervolging van (andere) strafbare of beboetbare feiten, al eeuwen structureel, voorzienbaar en voorzien, en de ‘apparaatskosten’ voor de bestrijding ervan zijn – net als de apparaatskosten van politie en justitie – ook al eeuwen structureel en jaarlijks begrootbaar en dat gebeurt dan ook; zie de genoemde Rijksbegrotingspost.
a contrarioargumenten. Uit het gegeven dat de wetgever wél heeft voorzien in een uitputtende regeling van de kosten van dwanginvordering in de Kostenwet invordering rijksbelastingen, zou
a contrarioafgeleid kunnen worden – mede gegeven de in 5.16 genoemde rijksbegrotingsposten - dat hij niet voorzag dat andere belastingperceptiekosten dan die van dwanginvordering zouden worden afgewenteld op individele belastingplichtigen/schuldigen of op bepaalde groepen van belastingplichtigen/schuldigen, maar dat zij uit de algemene middelen zouden worden bekostigd. De wetgever heeft bijvoorbeeld ook, in titel 5.3 (herstelsancties) van de Awb, het verhaal van de kosten van bestuursdwang op de overtreder wettelijk geregeld.
a contrarioargument is dat de genoemde titel 5.3 (herstelsancties) van de Awb niet geldt voor het belastingrecht (zie art. 5:4 Awb Pro; de AWR bevat geen van-toepassingverklaring). Daardoor is fiscale bestuursdwang niet mogelijk en geldt in het belastingrecht dus ook art. 5:25 Awb Pro niet (doorberekening van de kosten van bestuursdwang aan de overtreder die de bestuursdwang noodzakelijk maakte). De bevoegdheden tot toepassing van bestuursdwang (met kostenverhaal) en oplegging van een bestuurlijke dwangsom werden niet nodig c.q. niet wenselijk [31] geacht voor het belastingrecht in verband met de vele reeds bestaande bevoegdheden van de fiscus, waaronder oplegging van ambtshalve geschatte aanslagen met omkering van de bewijslast en bestuurlijke beboeting. Om te voorkomen dat uit het ontbreken van bestuurlijke dwangsommen in het belastingrecht afgeleid zou worden dat een privaatrechtelijke dwangsom tot afdwingen van fiscale gegevensverstrekking een onaanvaardbare doorkruising van het belastingrecht zou opleveren, bepaalt art. 52a(4) AWR uitdrukkelijk dat de fiscale regeling van de omkering van de bewijslast na niet-voldoen aan een informatiebeschikking van de inspecteur niet in de weg staat aan een civiele vordering tot nakoming van een fiscale informatieverplichting op straffe van een dwangsom. De AWR bevat géén vergelijkbare bepaling die voorziet in een vergelijkbare uitwijking naar het civiele recht als substituut voor de in het belastingrecht ontbrekende mogelijkheid van bestuursdwang en verhaal van de kosten daarvan.
6.Toetsing aan enige in de literatuur genoemde gezichtspunten
Windmill-arrest, voor de beantwoording van de vraag of overheidsgbruik van privaatrecht het publiekrecht onaanvaardbaar doorkruist; drie gezichtspunten waarmee zijns inziens al uw arresten over deze vraag kunnen worden begrepen:
- Als voor een bepaald geval of voor het bereiken van een bepaald doel in een publiekrechtelijke regeling bepaalde middelen of instrumenten zijn gegeven, moet de overheid zich in beginsel voor dat geval of het bereiken van dat doel van die middelen en instrumenten bedienen en zich daartoe beperken (zij kan dan immers een vergelijkbaar resultaat met het publiekrecht bereiken als met het privaatrecht);
- Aan sommige publiekrechtelijke regels of beperkingen komt, gegeven hun inhoud, strekking of de daaraan ten grondslag liggende afweging – zoals waarborgen voor de burger bij het gebruik van de publiekrechtelijke middelen en instrumenten - algemene gelding toe, zodat daaraan ook betekenis moet toekomen als (ook) het privaatrecht in beginsel van toepassing is (de overheid behoort die waarborgen of beperkingen niet privaatrechtelijk te omzeilen/frustreren);
- om haar publieke taak naar behoren te kunnen uitvoeren, moet de overheid wel over doelmatige en efficiënte middelen beschikken en gebruik van het privaatrecht is daarom geoorloofd behalve als er een goede reden is om dat gebruik niet toe te staan.
wetgevingsmoeras van belastingperceptiekostenverhaal te begeven (zie 5.10-5.15 hierboven).
merit goodsdat het aangwezen lijkt om de overheid als ‘risicodrager’ te beschouwen ter zake van publieke functies waaraan de samenleving groot belang hecht in verband met continuïteit van behartiging van algemene belangen zoals openbare orde, veiligheid en volksgezondheid (collectieve goederen dus). Ik zou menen dat dan te meer het apparaat dat voor de continue financiering van die continue waarborging van algemene belangen (collectieve goederen) zorgt, onder dit criterium voor niet-afwenteling valt, uiteraard tenzij de wetgever het expliciet en gespecificeerd anders regelt. Bierbooms beargumenteert echter ook, vanuit het concept van
opportunity costs, dat het niet steeds gerechtvaardigd is dat onrechtmatige activiteiten van één individu een buitensporig groot beslag leggen op de algemene middelen. Daarop zou men in casu kunnen baseren dat [verweerder] moet betalen, maar in wezen lijkt mij dit hetzelfde argument als het mijns inziens niet-operationaliseerbare argument dat het om ‘extra’ kosten zou gaan, c.q. om ‘grootschaligheid, of ‘bijzondere verwerpelijkheid’. Overigens gaat het bij [verweerder] niet om één individu, maar om 4.000 individuen, waarbij de Staat in verband met bureaucratisch gemak alleen [verweerder] aantimmert en diens 4.000 klanten wat betreft kostenverhaal kennelijk met rust laat, dus regres bij [verweerder] legt.