Conclusie
letter of intentuit 2013 (de Interim Phase overeenkomst) die onder bepaalde voorwaarden voorzag in de verkoop van een groot deel van de aandelen in het [F] project.
“In het project was het verkrijgen van een bankgarantie voor een bedrag van € 40.000.000 voor 1 augustus 2013 van groot belang. Ik heb een à twee dagen daarvoor vernomen dat [G] ging deelnemen aan het project en haar deel van de ontwikkelingskosten ging dragen”.
“(...) [betrokkene 1] hield mij wel op de hoogte van belangrijke ontwikkelingen zoals het wegvallen van beoogde investeerders. Dat contact vond aanvankelijk misschien één keer per maand plaatsen vanaf 2013 circa één keer per twee weken. Dat contact was meestal telefonisch (...)”(onderstreping hof). Weliswaar verklaart [eiser 1] even later dat de frequentie van zijn contact met [betrokkene 1] lager is geweest, maar hoeveel lager wordt niet duidelijk terwijl [betrokkene 1] in dit verband verklaart:
“Ik heb [eiser 1] in de eerste periode van zijn ziekte een paar keer geprobeerd op de hoogte te brengen van het [F] Project. Maar dat had weinig zin. In mijn herinnering is hetpas [vanaf] eind 2013/begin 2014 zo dat ik nader overleg met hem kon voeren en meer met hem kon bespreken over de voortgang van het project”(onderstreping hof). Met andere woorden: zeker tijdens de onderhandelingen met [verweerster] had [eiser 1] al weer met een zekere regelmaat inhoudelijk contact over het [F] project met [betrokkene 1].
“ofschoon ik ivm de finalisering van het [F] project cq de bedrijfsactiviteiten daarna deze en komende week veel in het buitenland ben, zal ik alle prioriteit geven aan de afronding van onderhavig langdurig proces en dus steeds snel kunnen reageren ivm de afronding van het convenant”. Het hof gaat voorbij aan de andere uitleg die [eiser 1] ter zitting in hoger beroep voor het eerst naar voren heeft gebracht, dat zijn buitenlandbezoek niets met het [F] project te maken had, maar met zijn verblijf bij zijn nieuwe vriendin in Duitsland. Deze uitleg is tardief en niet verifieerbaar, [eiser 1] heeft deze niet met stukken onderbouwd, noch daarvan anderszins bewijs aangeboden.”
(“In omvang nog zeer veel relevanter is, zoals ik u tijdens onze bespreking van 6 december heb gemeld en toegelicht, dat de curatoren van het in 2009 gefailleerde bedrijf [I] dd 11 december jl hun onderzoeksrapport hebben gepubliceerd...”)terwijl hij op concrete vragen van [betrokkene 8] naar de waarde van de aandelen [B] gelet op het [F] project heeft geantwoord dat daar niets over kon worden gezegd (
“Waarderingen, laat staan bewijsstukken, omtrent de waarde van Project [F] zijn er niet, en kan ik u derhalve ook niet toezenden”, e-mail [eiser 1] van 5 februari 2014). Met [verweerster] acht het hof dit, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in onderlinge samenhang bezien, niet juist en oordeelt het dat hieruit volgt dat [eiser 1] gezwegen heeft waar spreken plicht was. Weliswaar moest de financial close, en daarmee de levering van de aandelen van [E] B.V. nog plaatsvinden, maar ook toen al moet het duidelijk zijn geweest dat de kans dat het project zou slagen bijzonder groot was. De vergunningen waren in januari 2014 onherroepelijk geworden en kort daarna was de totale financiering rond, getuige ook het bericht van [H] aan haar aandeelhouders van 4 februari 2014 (productie 3 bij Memorie van Antwoord):
“De financiering van het [F]-project is rond; de afspraken met de financiële partijen zijn gemaakt en alles moet nu nog formeel worden vastgelegd. Dat hebben de projectorganisatie [F] en het Canadese energieconcern [G] eind vorige week namens het consortium bekend gemaakt" (...) Met het bereiken van de financial close, die nu voor de tweede helft van maart wordt verwacht, komt de rol van [B] ten einde. Met de verkoop van zijn 5%-aandeel in de parken van [G], trekt [B] zich geheel terug uit het project.”
2.Bespreking van het cassatieberoep
einduitspraak-gedeelte). Verder is de zaak verwezen naar de rol voor akte uitlating verdeling (
tussenvonnis-gedeelte).
eerste onderdeel, bestaande uit tien subonderdelen, is gericht tegen het oordeel dat sprake is van onjuiste mededelingen, verzwijgingen en andere kunstgrepen.
subonderdeel 1.4wordt betoogd dat het hof heeft miskend:
subonderdelen 1.5 en 1.6lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
subonderdeel 1.8heeft het hof miskend dat (in beginsel) niet als kunstgreep (als bedoeld in art. 3:44 lid 3 BW Pro) kan worden aangemerkt het door [eiser 1] vestigen van de nadruk op bepaalde risico’s die andere investeringen met zich brachten en de schulden die hij op zich nam. Dit is volgens de klacht temeer het geval aangezien het hof niet heeft vastgesteld dat de mededelingen over deze risico’s en schulden onjuist zouden zijn. Indien het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk, omdat niet valt in te zien waarom het benadrukken van deze risico’s en schulden (mede) het oordeel rechtvaardigt dat [eiser 1] [verweerster] heeft bedrogen.
eerste onderdeeltevergeefs is voorgesteld.
tweede onderdeelkomt op tegen het oordeel dat sprake is van opzettelijk handelen of nalaten van [eiser 1] en bevat vijf subonderdelen.
subonderdeel 2.1heeft het hof miskend dat voorwaardelijk opzet onvoldoende is voor het aannemen van opzettelijk handelen in het kader van bedrog zoals bedoeld in art. 3:44 lid 3 BW Pro. In het geval het hof dit niet heeft miskend, dan is het oordeel onbegrijpelijk, omdat niet is gemotiveerd dat sprake zou zijn van opzet in strikte zin. Hiervoor wordt verwezen naar de subonderdelen 2.3 tot en met 2.5.
mutatis mutandisgelden.
subonderdeel 2.4gelden voor wat betreft de voor opzet vereiste intentie hier
mutatis mutandisde subonderdelen 1.1 tot en met 1.3 en 1.8 tot en met 1.10. Hieruit zou blijken dat geen sprake is geweest van kunstgrepen in de zin van art. 3:44 lid 3 BW Pro, maar dat [verweerster] voldoende bekend was met, en door [eiser 1] voldoende was geïnformeerd over, de hoofdlijnen en ontwikkelingen van het [F] project. Volgens de klacht betekent dit dat geen sprake was van opzet tot misleiding, hetgeen door [eisers] ook is betoogd [22] , maar door het hof bij de beoordeling zou zijn miskend.
subonderdeel 2.5wordt gerefereerd aan het betoog van [eisers] in hoger beroep dat geen sprake kan zijn van opzet aangezien de door [verweerster] aan [eiser 1] verweten onjuiste mededelingen en verzwijgingen betrekking hebben op ontwikkelingen na de peildatum van 31 december 2012, terwijl [eiser 1] kon menen dat informatie over deze latere ontwikkelingen na de peildatum niet relevant was [23] . Het hof zou hebben nagelaten aandacht te besteden aan deze grieven en essentiële stellingen van [eisers], hoewel deze peildatum al was opgenomen in het eerste concept-convenant, waarover partijen bij de onderhandelingen niet hebben onderhandeld of gesproken en die datum vervolgens ook is overeengekomen (rov. 5.3-5.5). Hieraan doet volgens de klacht niet af dat het hof in rov. 5.5 heeft geoordeeld dat het voor [eiser 1] tijdens de onderhandelingen duidelijk “moet zijn geweest” (geobjectiveerde wetenschap) dat het [verweerster] ging om de actuele waarde van de aandelen van [B] B.V. en dat de peildatum nog geenszins vast stond. Naar het subonderdeel betoogt, zeggen deze vaststellingen niets over de daadwerkelijke wetenschap van [eiser 1] over het vaststaan van de peildatum, niets over de wetenschap van [eiser 1] ten aanzien van de gevolgen van het vaststaan van de peildatum, laat staan over de intentie tot misleiding. In dat kader wordt nog verwezen naar de subonderdelen 1.4 tot en met 1.7 en 2.3.
tweede onderdeeltreft dus geen doel.
derde onderdeel, dat twee subonderdelen bevat, bestrijdt dat causaal verband bestaat tussen het (vermeende) bedrog en het aangaan van het convenant.
Feitelijke situatie.In deze zaak is komen vast te staan dat [eiser 1] [verweerster] niet op de hoogte heeft gebracht van de (strekking van de) Interim Phase overeenkomst (zie hiervoor in 2.10). Ik begrijp de opmerking ter comparitie aldus dat [verweerster], op grond van hetgeen zij bij het aangaan van het convenant wist, al het idee had dat zij niet precies de helft zou krijgen en dat zij daarmee genoegen nam. Bij pleidooi in hoger beroep heeft de advocaat van [verweerster] hierover het volgende opgemerkt: “Ze wist dat ze niet precies de helft kreeg, maar wel een bedrag dat ongeveer de helft zou zijn. Er was een bepaalde bandbreedte, maar toen kwamen er fors afwijkende andere bedragen boven water.” [29] Hypothetische situatie.In de hypothetische situatie zonder de kunstgrepen zou [eiser 1] [verweerster] wel op de hoogte hebben gesteld van de Interim Phase overeenkomst. Het hof heeft geoordeeld dat het voor [verweerster] van groot belang was geweest om de impact van de Interim Phase overeenkomst en alle andere aandelentransacties in het kader van het [F] project te kennen en dat deze van invloed waren of konden zijn op de waarde van de aandelen (rov. 5.11-5.13). In de hypothetische situatie had [verweerster] zich dus een beter beeld kunnen vormen van de waarde van de aandelen [B] B.V. en op basis daarvan feitelijk kunnen vaststellen dat, en in welke mate, het convenant ongunstig voor haar was. Het hof mocht in dat licht oordelen dat [verweerster] aannemelijk heeft gemaakt dat zij de overeenkomst zonder het bedrog niet (op dezelfde voorwaarden) was aangegaan [30] . Om die reden treft subonderdeel 3.2 in mijn optiek evenmin doel.
derde onderdeelacht ik daarom ook ongegrond.
vierde onderdeel, dat twee subonderdelen bevat, richt zich tegen het oordeel in rov. 5.19 over de stelling van [eisers] dat de bepalingen in het convenant over de verdeling en de alimentatie onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden [31] . Dit oordeel kan als volgt worden weergegeven. Zelfs als de stelling van [eisers] op dit punt juist zou zijn, rechtvaardigt het vastgestelde bedrog vernietiging van de bepalingen in het convenant over de verdeling. Volgens het hof kan in het midden blijven wat de gevolgen zijn voor de overige bepalingen van het convenant nu het ingestelde hoger beroep op dit punt geen ander dictum verlangt dan de rechtbank heeft gegeven.
subonderdeel 4.2heeft het hof – wanneer gedeeltelijke vernietiging op grond van bedrog wel mogelijk zou zijn – miskend dat het convenant slechts voor het overige in stand kan blijven voor zover dit andere deel, gelet op de inhoud en strekking van het convenant, niet in onverbrekelijk verband staat met het vernietigde gedeelte (vgl. art. 3:41 BW Pro). [eisers] hebben gesteld dat de bepalingen in het convenant over de verdeling en de alimentatie onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden [33] en het hof heeft de juistheid van die stelling in het midden gelaten, zodat daar in cassatie vanuit moet worden gegaan. Volgens de klacht geldt dit temeer omdat [verweerster] heeft erkend dat sprake is van een dergelijk onverbrekelijk verband [34] . Hieruit volgt dat het convenant niet gedeeltelijk kan worden vernietigd en dat het hof de vordering (in beginsel) had moeten afwijzen. Dit is door [eisers] ook gevorderd [35] en daarmee verlangden zij dus wel een ander dictum. Het oordeel van het hof zou bovendien onbegrijpelijk zijn omdat niet valt in te zien waarom het convenant, ondanks deze grieven en essentiële stellingen van [eisers] en de erkenning van [verweerster], gedeeltelijk is vernietigd.
vierde onderdeeltreft dus geen doel.