Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans het verweer dat de weggenomen fietslampjes niet aan een ander toebehoorden door het hof is verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
2. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 14 september 2018 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2018278195-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 10 e.v.):
Client is veroordeeld wegens diefstal van een fietslampje. Client heeft echter gesteld dat het lampje op een oude sloopfiets zat met 2 lekke banden. De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat niet uitgesloten kan worden dat we hier van doen hebben met een goed dat weggegooid is en waarvan de eigendom is prijsgegeven.
Volgens artikel 310 strafrecht Pro dient het goed dat wordt weggenomen aan iemand anders toe te behoren. Een goed dat aan niemand toebehoort (res nullius) is niet vatbaar voor diefstal. De vraag of een zaak nog een eigenaar heeft dient naar de omstandigheden van het geval te worden beoordeeld (Conclusie van 8 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2110). Dat de verdachte meende dat het goed aan een ander behoorde, is eveneens van belang voor de vereiste opzet bij het plegen van diefstal.
In het onderhavig geval blijkt niet dat de flets (en het fietslampje) aan iemand toebehoorde. De verdachte heeft verklaard dat het een sloopfiets betrof met twee lekke banden. Over de staat van de fiets is zelf niets gerelateerd door Justitie.
De Hoge Raad heeft op 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3212, verder het volgende overwogen:
2.3. Indien een goed wordt weggenomen dat ten tijde van het wegnemen niet toebehoort aan een ander is geen sprake van diefstal (vgl. HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5952). De verdachte heeft zich erop beroepen dat in dit geval van zo een 'res nullius' sprake was. Het Hof heeft dat verweer met een beroep op "de omstandigheden waaronder en de locatie waar de fiets door verdachte is aangetroffen", verworpen, zonder te verduidelijken op welke omstandigheden het doelt. De motivering van dat oordeel schiet aldus te kort, nu niet zonder meer valt in te zien waarom de door het Hof aangevoerde gronden de conclusie rechtvaardigen dat niet van een 'res nullius' sprake was, mede in aanmerking genomen dat het Hof onbesproken heeft gelaten dat de fiets volgens de verdachte oud was, niet op slot stond en lekke banden had. Dat brengt mee dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.
Gevoerd verweerDe raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat op grond van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het fietslampje dat de verdachte heeft weggenomen aan een ander toebehoorde, zodat geen sprake is van diefstal in de zin van artikel 310 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Als een goed wordt weggenomen dat ten tijde van het wegnemen niet toebehoort aan een ander is geen sprake van diefstal. De verdachte heeft zich erop beroepen, naar het hof begrijpt, dat in dit geval van zo een 'res nullius' sprake was.
De vraag of een zaak (nog) een eigenaar heeft dan wel als ‘niet toegeëigend’ of als verlaten beschouwd moet worden, moet naar de omstandigheden van het geval beantwoord worden. De vraag of een goed aan niemand toebehoort kan voor goederen die onbeheerd worden gevonden worden afgeleid uit de staat waarin of de omstandigheden waaronder het goed wordt aangetroffen, maar enkel de onbeheerde staat is onvoldoende om aan te nemen dat dat goed aan niemand toebehoort.
Van enige omstandigheden op grond waarvan de verdachte kon en mocht menen dat de fiets – en daarmee de fietslampjes – aan niemand toebehoorde is naar het oordeel van het hof niet gebleken. Het hof overweegt daaromtrent het volgende.