Conclusie
Inleiding
Bewezenverklaring en bewijsvoering
4. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 24 juli 2020, dossierpagina’s 2 tot en met 4, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [betrokkene 2] :
Feit 1
Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
res nulliusdan wel als
res derelictakan worden aangemerkt.
NJ1982/295, m.nt. Van Veen uitgemaakt dat onder ‘wegmaken’ moet worden begrepen elke gedraging waardoor die zaken aan hun bestemming worden onttrokken. Ook het weg
nemenvalt onder deze definiëring, hetgeen overigens al uit het arrest van HR 4 april 1921, ECLI:NL:HR:1921:27,
NJ1921, p. 648 kan worden afgeleid. Algemeen wordt aangenomen dat ‘wegmaken’ een (nagenoeg) gelijke betekenis heeft in art. 350 Sr Pro. [2]
NJ1996/249, m.nt. Schalken, rov. 8.2 (Charles Z.). [9]
NJB2016/258 getiteld “Vuilnis in het vermogensrecht. Over het verschil tussen overdracht en prijsgeving” werpt Jelle Jansen de vragen op hoe het alledaagse aanbieden van afval privaatrechtelijk eigenlijk in elkaar steekt en of degene die het afval aanbiedt daarmee afstand doet van bezit en eigendom (art. 5:18 BW Pro). [10] Na illustratieve voorbeelden te hebben gegeven, ontleend aan gebruiken in de Romeinse tijd en ten tijde van het Nederlandse vorstenhuis in de negentiende eeuw – het rondstrooien van munten door Romeinse consuls en praetoren, en door nieuwe vorsten bij hun ambtsaanvaarding (waarmee ik niet zeg dat dit als afval was/is te beschouwen) – komt hij uit bij een vraag die tegenwoordig leeft, namelijk of afval op straat wordt prijsgegeven of wordt overgedragen aan de vuil(nis)ophaaldienst. Naar het hem toeschijnt is in het civiele recht de opvatting overheersend dat het daarbij om prijsgeven gaat. Daarmee wordt volgens de schrijver echter teveel gewicht gehecht aan de wil van degene die zijn vuilnis kwijt wil. Zijns inziens hoeft zich bij afval niet per se prijsgeving van eigendom en bezit voor te doen. Hij onderscheidt drie varianten. Er wordt wel afstand gedaan van bezit en eigendom in de zin van prijsgeven door degene die een zak vuilnis in een bos achterlaat, omdat de verkrijger (als die er al komt) onbekend is. Ingeval van een milieustraat (een gemeentelijk milieustation) is dat anders. De verkrijger is dan het afvalverwerkingsbedrijf. [11] Voor het plaatsen van (huis)afval aan de straat – dus bijvoorbeeld door het plaatsen van een vuilniszak met huishoudelijk afval op de stoep of grofvuil – ligt het volgens deze auteur anders. Ik begrijp zijn beschouwing aldus, dat dan twee opvattingen serieus in beeld komen. Ten eerste: er is sprake van prijsgeving van bezit en eigendom, zodat het voor een ieder mogelijk wordt gemaakt het vuilnis mee te nemen (zich toe te eigenen) en eigenaar te worden. Ten tweede: de wil van degene die het afval buiten op een met de ophaaldienst afgesproken tijdstip en plek aan straat zet is er “niet op gericht een ieder die het vuilnis mee wil nemen de gelegenheid te bieden tot toe-eigening”; zijn wil is gericht op overdracht aan de ophaaldienst zodat hij eigenaar blijft totdat het bezit door de ophaaldienst wordt meegenomen.
NJB2016/499 volgt een reactie van Reinier Wibier op het stuk van Jansen. Wibier bestrijdt dat ook degene die zijn afval in een ondergrondse container gooit of bij een afvalverwerkingsstation aanbiedt, primair van die troep af wil en niet op de eerste plaats gericht is op de overdracht ervan. Er is zijns inziens ook dan sprake van prijsgeven, en het doel van dat prijsgeven is “dat de gemeente het afval op een ordentelijke wijze opruimt, niet dat de gemeente civielrechtelijk eigenaar wordt”. Zijn stelling is dat het afval een res nullius, een zaak zonder eigenaar, wordt zodra het wordt aangeboden; de gemeente “neemt die zaken niet in bezit, eigent het zich niet toe en wordt daar ook geen eigenaar van op basis van een gefingeerde overeenkomst”. [13] In zijn weerwoord in het NJB 2016/500 blijft Jansen bij zijn standpunt dat de vuilnisophaaldienst naar verkeersopvattingen het bezit en de eigendom verkrijgt van het vuilnis dat hij meeneemt, ook als hij het vuilnis korte tijd later wil verbranden.
Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Slotsom