Conclusie
1.Procesverloop
Montis/ […]) [3] regels heeft gegeven voor de beoordeling of de aanduiding van een procespartij kan worden gewijzigd nadat de procedure in een volgende instantie aanhangig is gemaakt (rov. 2.5). Op de voet van deze regels heeft het hof Call2Collect bevolen Afterpay bij exploot op te roepen om Afterpay in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de toewijsbaarheid van het verzoek tot wijziging van de partijaanduiding van geïntimeerde in de appeldagvaarding (rov. 2.6).
Seacon Logistics) [4] op essentiële punten af van die van de onderhavige zaak. In eerste aanleg was alleen Afterpay de wederpartij van Call2Collect. Gesteld noch gebleken is dat het uitbrengen van het appelexploot aan AFI berust op een fout van de deurwaarder, terwijl AFI in haar incidentele memorie aannemelijk heeft gemaakt dat Call2Collect uit eerdere procedures wist dat AFI en Afterpay zelfstandige vennootschappen zijn. Afterpay is weliswaar een dochtervennootschap van AFI, maar het appelexploot is niet betekend aan één (of meer) van de bestuurders van AFI en Afterpay zoals die kenbaar zijn uit het handelsregister, maar aan een kantoormedewerkster. Het appelexploot is bovendien niet mede betekend aan het kantoor van de advocaat die Afterpay in eerste aanleg heeft bijgestaan. Voor de juistheid van de stelling dat Afterpay wist dat Call2Collect tegen het bestreden vonnis van de rechtbank van 13 juni 2018 hoger beroep had ingesteld of dat AFI, laat staan Afterpay dit had moeten begrijpen, bestaat onvoldoende aanwijzing. Nergens in het appelexploot wordt de naam van Afterpay genoemd en ook op andere wijze kan uit het appelexploot niet worden afgeleid dat bedoeld is hoger beroep in te stellen tegen Afterpay (rov. 2.5). Het dagvaarden van de juiste (rechts)persoon ligt in de risicosfeer van Call2Collect en Afterpay zou onevenredig in haar belangen worden geschaad, indien zij na het verstrijken van de appeltermijn alsnog in de appelprocedure zou worden betrokken (rov. 2.6), zodat Call2Collect niet-ontvankelijk moet worden verklaard (rov. 2.7).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Montis/ […]. Het middel betoogt dat een wijzigingsverzoek kan worden toegewezen indien de wederpartij van de verzoeker hierdoor niet onredelijk in haar belangen wordt geschaad. Het hof zou ten onrechte niet hebben beoordeeld of Afterpay door een toewijzing onredelijk in haar belangen zou worden geschaad; Afterpay heeft dat ook niet gesteld. Daardoor heeft het hof een onjuist dan wel onbegrijpelijk oordeel gegeven (onder 3.1-3.5 en 3.7). Verder bevat het middel (onder 3.6) een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat uit het appelexploot niet is af te leiden dat bedoeld is hoger beroep in te stellen tegen Afterpay.
Montis/ […]regels gegeven voor de beoordeling van een verzoek tot wijziging van de aanduiding van een procespartij. In die zaak was beroep in cassatie ingesteld uit naam van Montis Design BV, die in eerste aanleg en hoger beroep als procespartij was opgetreden. Montis Design BV was echter na de procedure in hoger beroep door een fusie opgehouden te bestaan. Door haar rechtsopvolgster, Montis Holding, werd verzocht haar toe te staan haar tenaamstelling in de gedingstukken te wijzigen. Voortbouwend op eerdere rechtspraak [5] heeft de Hoge Raad overwogen dat dergelijke vergissingen niet tot fatale gevolgen behoren te leiden, mits de wederpartij door het herstel hiervan niet onredelijk in haar belangen wordt geschaad. De Hoge Raad heeft in rov. 5.5.3 de volgende regels geformuleerd voor de beoordeling of de aanduiding van een procespartij kan worden gewijzigd nadat de procedure in een volgende instantie aanhangig is gemaakt:
Montis/ […]is een voorbeeld van de deformaliseringstendens in het burgerlijk procesrecht. Volgens de Hoge Raad (rov. 5.5.2) is de ratio hiervan dat fouten en vergissingen niet tot fatale gevolgen behoren te leiden, mits de wederpartij door het herstel hiervan niet onredelijk in haar belangen wordt geschaad, en voorts dat zoveel mogelijk dient te worden beslist tussen de werkelijk belanghebbende partijen bij de rechtsbetrekking in geschil. Deze deformalisering krijgt onder meer vorm doordat beslissend wordt geacht hoe de ontvanger van de dagvaarding deze moet hebben begrepen, waar in het verleden bepalend was of de fout of vergissing de aanlegger kon worden verweten. [7]
Montis/ […]zijn van toepassing als sprake is van een vergissing in de partijaanduiding. Het moet gaan om een
kennelijkevergissing: een vergissing die voor de betrokkenen, waaronder dus ook de beoogde procespartij, als zodanig kenbaar is. Steeds moet het onder de gegeven omstandigheden voor de beoogde procespartij bij ontvangst van het exploot duidelijk zijn geweest dat werd bedoeld haar in de procedure te betrekken. [8] Bij de beoordeling of dit voor de betrokkenen duidelijk is of moet zijn, komt het aan op uitleg van het exploot. Hiervoor gelden de uitlegregels van art. 3:33-3:35 BW. Samengevat komt het erop aan wat betrokkenen hebben begrepen of redelijkerwijs hebben moeten begrijpen. [9]
Montis/ […]heeft de Hoge Raad op dit punt naar art. 122 lid 1 Rv Pro verwezen. Deze bepaling houdt in dat een gedaagde geen beroep kan doen op de nietigheid van de inleidende dagvaarding als hij door het gebrek dat die nietigheid meebrengt niet onredelijk in zijn belangen is geschaad. Van een onredelijke schending van zijn belangen is slechts sprake als hij door het gebrek wordt bemoeilijkt in het voeren van verweer. [10] Omdat het arrest
Montis/ […]ziet op evidente vergissingen in een partijaanduiding, is uitgangspunt dat de belangen van de wederpartij door een rectificatie niet worden geraakt. Dit blijkt uit de verwijzing van de Hoge Raad naar art. 122 Rv Pro: in de rechtspraak over die bepaling wordt zelden aangenomen dat de wederpartij onredelijk in zijn belangen is geschaad. [11] Een verzoek om te mogen rectificeren zal daarom in beginsel toewijsbaar zijn.
Montis/ […]ging het om een verzoek van de appellerende partij om haar
eigenaanduiding te mogen wijzigen. Naar aanleiding hiervan is in de literatuur de vraag gesteld of de daarin gegeven regels ook gelden voor de situatie waarin de
wederpartijverkeerd is aangeduid, zoals in de zaak die thans in cassatie aan de orde is. In de literatuur is deze vraag steeds bevestigend beantwoord. [12] In het genoemde arrest
Seacon Logisticsheeft de Hoge Raad de verzochte wijziging in de (bijzondere) omstandigheden van het geval toelaatbaar geacht. [13] Die omstandigheden hielden in (i) dat zowel Seacon Group als Seacon Logistics in feitelijke instanties procespartij waren geweest, (ii) dat uit de cassatiedagvaarding bleek dat het beroep gericht was tegen de toewijzing van de vordering van Seacon Logistics op eiseres in cassatie, én (iii) dat het exploot was betekend aan de middellijk bestuurder van beide vennootschappen en aan hun beider advocaat in feitelijke instanties. Onder die omstandigheden, zo overwoog de Hoge Raad, had Seacon Logistics al bij het uitbrengen van de dagvaarding behoren te begrijpen dat het de bedoeling was om haar, en niet Seacon Group, in rechte te betrekken.
Seacon Logisticsop een andere situatie betrekking dan het arrest
Montis/ […]. In laatstgenoemd arrest was immers de juiste partij gedagvaard, maar bevatte de dagvaarding een (formele, als zodanig kenbare) fout. In de zaak
Seacon Logisticswas daarentegen de verkeerde partij gedagvaard en had de beoogde wederpartij de dagvaarding dus niet (tijdig) ontvangen. Ik zou menen dat het toetsingskader uit het arrest
Montis/ […]niet op deze laatste categorie van zaken ziet, nu de Hoge Raad daarin het oog heeft op ‘louter formele fouten’. Het dagvaarden van de verkeerde partij kan naar mijn mening niet als een louter formele fout worden gezien die zich eenvoudig laat herstellen. Het resultaat is immers in feite dat een nieuwe procedure wordt aangevangen tegen een nieuwe wederpartij. Dat neemt niet weg dat ook het dagvaarden van de verkeerde partij onder omstandigheden niet tot niet-ontvankelijkheid behoeft te leiden (zie hierna nr. 2.9), maar daarbij gaat het wel om een ander type zaken, waarvoor het arrest
Montis/ […]niet is bedoeld. Geconstateerd kan worden dat de Hoge Raad in de gevallen waarin hij het dagvaarden van de verkeerde partij sauveerde niet naar het arrest
Montis/ […]heeft verwezen, maar zijn oordeel steeds heeft beperkt tot de omstandigheden van het geval. [14]
Seacon Logistics, en in andere zaken waarbij het dagvaarden van de verkeerde partij niet fataal was, speelden steeds bijzondere omstandigheden (waaronder bijzondere betekeningsvoorschriften), waardoor het volgens de Hoge Raad voor de betrokkenen duidelijk moest zijn geweest dat een vergissing was begaan. Dat was bijvoorbeeld het geval in een zaak waarin een inmiddels overleden persoon in hoger beroep werd gedagvaard in plaats van diens erfgenamen. Mede omdat de dagvaarding in dit geval op grond van art. 53 Rv Pro was betekend aan het kantoor van de advocaat waar de overledene laatstelijk woonplaats had gekozen, was volgens de Hoge Raad voor betrokkenen duidelijk dat het dagvaarden van de overledene op een vergissing berustte. [15] In een ander geval was de oorspronkelijke procespartij tijdens de appelprocedure toegelaten tot de schuldsanering en werd ten onrechte de saniet, en niet diens bewindvoerder, in cassatie gedagvaard. [16] Ook dit was volgens de Hoge Raad niet fataal, ondanks het feit dat de eiseres tot cassatie ervan op de hoogte was dat haar oorspronkelijke wederpartij tot de schuldsanering was toegelaten. De Hoge Raad verklaarde eiseres daarom ontvankelijk, maar beval oproeping van de bewindvoerder op de voet van art. 118 Rv Pro, teneinde hem in de gelegenheid te stellen zich uit te laten. Een geval waarin een procespartij hangende de procedure meerderjarig wordt, zodat hijzelf en niet zijn ouders moeten worden gedagvaard, zal in het licht van deze rechtspraak wellicht ook anders worden beslist dan in het verleden het geval was. [17]
Montis/ […]een specifiek toetsingskader is gegeven, is het toetsingskader voor het tweede type zaken naar mijn mening in essentie hetzelfde. In beide gevallen staat kenbaarheid voorop: het moet voor alle betrokkenen in de gegeven omstandigheden duidelijk zijn welke partij in rechte wordt betrokken. Is dat het geval, dan kan het geding tegen de beoogde wederpartij worden voortgezet. [18] Uiteraard speelt in beide gevallen (op de achtergrond) een rol welk belang daarmee gemoeid zou zijn. Daartoe behoort het belang om erop te mogen vertrouwen dat een procedure op enig moment is afgesloten (
litis finiri oportet). [19] Dat in het arrest
Montis/ […]als uitgangspunt wordt genomen dat het belang van de wederpartij meestal niet in het geding zal zijn, zodat een verzochte naamswijziging in beginsel kan worden toegewezen, valt te verklaren door de omstandigheid dat dit arrest betrekking heeft op een zaak waarin de dagvaarding de beoogde wederpartij tijdig en (afgezien van de vergissing) correct heeft bereikt.
Montis/ […]had moeten toepassen, en dat het hof in strijd met die regels niet heeft vastgesteld dat Afterpay onredelijk in haar belangen is geschaad. Ik meen dat de klachten niet slagen. In de zaak
Montis/ […]was weliswaar een kennelijke vergissing begaan in de aanduiding van een van de procespartijen, maar waren alle (beoogde) partijen wel tijdig en overigens op de juiste wijze opgeroepen. In de zaak die thans in cassatie aan de orde is, gaat het juist om de situatie waarin een geheel andere partij is gedagvaard dan de bedoeling was, zodat de beoogde wederpartij niet (tijdig) in rechte is betrokken. Daarmee lijken de feiten van deze zaak dus meer op die uit het arrest
Seacon Logistics, waaraan het hof in rov. 2.4 van het bestreden arrest heeft getoetst. Het hof heeft daarbij, in lijn met het arrest
Seacon Logistics, onderzocht of Afterpay wist of had kunnen weten dat het de bedoeling was haar in hoger beroep te dagvaarden. Van een kennelijk vergissing was volgens het hof geen sprake (rov. 2.5). Voorts heeft het hof in rov. 2.6 meegewogen dat het resultaat van een toewijzing van het wijzigingsverzoek zou zijn dat Afterpay na het verstrijken van de appeltermijn alsnog in rechte zou worden betrokken. Daarmee heeft het hof de juiste maatstaf toegepast, namelijk of de vergissing van Call2Collect voor Afterpay kenbaar was. Het oordeel van het hof geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.