Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het “klaarblijkelijke oordeel” van het Hof, “dat sprake is van witwassen indien voorwerpen naar alle waarschijnlijkheid uit enig misdrijf afkomstig zijn” getuigt van een onjuiste rechtsopvatting zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
naar alle waarschijnlijkheiduit enig misdrijf afkomstig zijn” (de cursivering staat in het origineel). Deze klacht berust op een verkeerde lezing van de bewezenverklaring omdat die inhoudt dat de verdachte “en zijn mededaders telkens wisten dat die voorwerpen/geldbedragen onmiddellijk of middellijk, afkomstig waren uit enig misdrijf” en niet dat de verdachte (et cetera) wisten dat die geldbedragen “naar alle waarschijnlijkheid” afkomstig waren uit enig misdrijf.
tweede middelklaagt over het oordeel van het Hof dat het de verklaring van de verdachte, dat hij “niet op de hoogte was van de kiprollades in de badkuip”, niet geloofwaardig acht, omdat dit oordeel gelet op de gebezigde bewijsmiddelen onbegrijpelijk is.
derde middelkomt met twee motiveringsklachten op tegen de bewijsvoering van het bedrag waarvan het Hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte dat heeft witgewassen. De eerste klacht houdt in dat het “strafvonnis” heeft vastgesteld dat “‘pakket 4 = 140’ een bedrag van € 14.000,- betekent” en “‘pakket 10=50’ verwijst naar 5.000” maar “in het arrest” vervolgens heeft overwogen dat “‘pakket 4 = 140’ een bedrag van € 140,000,- betekent” en “‘pakket 10=50 verwijst naar € 50.000”. De tweede klacht houdt in dat wat het Hof bij de strafoplegging heeft overwogen tegenstrijdig is met de bewezenverklaring.
[…]
[…]
pakket 10 = 50 50.000,-- euro”.
vierde middelklaagt dat het Hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 1:62 Sr Pro Aruba door niet te bevelen dat de tijd die de verdachte in Venezuela in detentie heeft doorgebracht nadat Aruba om zijn uitlevering had verzocht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.
vijfde middelklaagt over schending van het in art. 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om in cassatie binnen een redelijke termijn te worden berecht. Terecht wordt erop gewezen dat de stukken van het geding op 21 februari 2019 bij de griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen nadat op 8 augustus 2017 beroep in cassatie was ingesteld, waardoor de op zes maanden gestelde redelijke inzendtermijn is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad niet binnen twee jaren [6] na het instellen van het cassatieberoep uitspraak doen. Ook in zoverre is de redelijke termijn dus overschreden. Dit moet tot strafvermindering leiden.