ECLI:NL:HR:2017:1165

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2017
Publicatiedatum
27 juni 2017
Zaaknummer
16/01906
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:62 SrCArt. 27 SrArt. 31 SrCArt. 6 EVRMArt. 80a RO
Verwijzingen
12 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens verzuim aftrek uitleveringsdetentie

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De verdachte was veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf. Het middel klaagde terecht dat het hof had verzuimd de tijd die de verdachte in uitleveringsdetentie in het buitenland had doorgebracht, in mindering te brengen op de straf, zoals voorgeschreven in art. 1:62, eerste lid, SrC.

De Hoge Raad overwoog dat dit verzuim een onmiddellijk kenbare fout betreft die eenvoudig door de rechter kan worden hersteld en dat het beroep daarom niet tot cassatie kan leiden. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat waren ingezonden, wat een vermindering van de straf rechtvaardigt.

Uiteindelijk vernietigde de Hoge Raad het vonnis uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze van twaalf jaar naar elf jaar en tien maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van twaalf jaar naar elf jaar en tien maanden wegens verzuim aftrek uitleveringsdetentie en overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

27 juni 2017
Strafkamer
nr. S 16/01906 A
SA/KD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 5 april 2016, nummer H-146/15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij het opleggen van de gevangenisstraf is verzuimd ten aanzien van de uitleveringsdetentie art. 31, eerste lid, SrC toe te passen, en dat de Hoge Raad (i) de opgelegde gevangenisstraf zal verminderen in de mate die hem gepast voorkomt en (ii) zal bevelen dat op de opgelegde gevangenisstraf naast de reeds in mindering gebrachte tijd wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis ook de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest in het buitenland in detentie heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt in de kern genomen dat het Hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 1:62, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao (hierna: SrC) door bij het opleggen van de gevangenisstraf niet te bepalen dat de tijd die de verdachte heeft doorgebracht in uitleveringsdetentie bij de uitvoering van de straf geheel in mindering zal worden gebracht.
3.2.
Het eerste lid van voormeld art. 1:62 luidt Pro, voor zover hier van belang:
"Bij het opleggen van tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of taakstraf beveelt de rechter, dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie in het buitenland ingevolge een verzoek van Curaçao om uitlevering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht."
3.3.
De stukken van het geding houden in dat de verdachte ingevolge een Curaçaos verzoek om uitlevering enige tijd in detentie in de Verenigde Staten heeft doorgebracht. Het Hof, dat de verdachte heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis, heeft evenwel verzuimd met betrekking tot die in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd toepassing te geven aan art. 1:62, eerste lid, SrC. Daarover klaagt het middel op zichzelf terecht.
3.4.
Voormeld art. 1:62, eerste lid, SrC is gelijkluidend aan art. 27, eerste lid, Sr. In zijn arrest van 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478, NJ 2013/246 heeft de Hoge Raad met betrekking tot de laatstgenoemde bepaling het volgende overwogen:
"Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arresten van 11 september 2012 (LJN BX0146, LJN BX0132, LJN BX0129 en LJN BX7004) behoort het verzuim toepassing te geven aan de in art. 27 Sr Pro bedoelde aftrek tot de verzuimen die voor de invoering van art. 80a RO grond vormden voor vernietiging van de bestreden uitspraak, doch nadien met toepassing van art. 80a RO - of in voorkomende gevallen met toepassing van art. 81, eerste lid, RO - niet langer tot cassatie nopen. Dat berust erop dat bij vernietiging van de bestreden uitspraak niet voldoende in rechte te respecteren belang bestaat. Het verzuim toepassing te geven aan de wettelijk voorgeschreven aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro vormt immers een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van 6 juli 2010 (LJN BJ7243, NJ 2012/248) en 12 juni 2012 (LJN BW1478, NJ 2012/490). Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tenuitvoerlegging vatbare strafoplegging.
Maar ook indien zodanige herstelbeslissing achterwege blijft, bestaat bij vernietiging van de bestreden uitspraak waarin verzuimd is de aftrek van art. 27 Sr Pro te bevelen onvoldoende in rechte te respecteren belang. Er is in zo een geval immers sprake van een voor eenieder evidente vergissing op grond waarvan die uitspraak verbeterd moet worden gelezen, en wel aldus dat de bedoelde aftrek is bevolen. Een redelijk handelend openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van de strafoplegging is belast kan zich dan ook niet op het standpunt stellen dat de straf zonder die aftrek moet worden ten uitvoer gelegd."
3.5.
Het vorenoverwogene is op overeenkomstige wijze van toepassing in geval van het verzuim toepassing te geven aan art. 1:62, eerste lid, SrC. Dat brengt mee dat het middel vruchteloos is voorgesteld.

4.Beoordeling van het derde middel

4.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
4.2.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twaalf jaren.

5.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze elf jaren en tien maanden bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 juni 2017.