Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
27 juni 2017.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De verdachte was veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf. Het middel klaagde terecht dat het hof had verzuimd de tijd die de verdachte in uitleveringsdetentie in het buitenland had doorgebracht, in mindering te brengen op de straf, zoals voorgeschreven in art. 1:62, eerste lid, SrC.
De Hoge Raad overwoog dat dit verzuim een onmiddellijk kenbare fout betreft die eenvoudig door de rechter kan worden hersteld en dat het beroep daarom niet tot cassatie kan leiden. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat waren ingezonden, wat een vermindering van de straf rechtvaardigt.
Uiteindelijk vernietigde de Hoge Raad het vonnis uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze van twaalf jaar naar elf jaar en tien maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van twaalf jaar naar elf jaar en tien maanden wegens verzuim aftrek uitleveringsdetentie en overschrijding redelijke termijn.