Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelkomt op tegen het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde gewoontewitwassen.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
'loan back'-constructie. Het deel van de omzet van [D] BV dat buiten de boeken werd gehouden, werd – nadat het naar Zwitserland was gebracht – geïnvesteerd in panden in Nederland of als lening verstrekt ten behoeve van deze zelfde rechtspersoon.
alleniet-verantwoorde omzet van [D] B.V. als “uit misdrijf verkregen” moet worden aangemerkt, omdat dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is.
eerste deelklachtheeft het volgende te gelden. Vast staat (en niet wordt betwist) dat de Zwitserse rechtspersonen [A] , [B] en [C] de bedoelde onroerende zaken (panden) in Nederland hebben aangekocht en daar juridisch eigenaar van waren. Voorts stelt het hof vast dat nader onderzoek naar de bankrekeningen van deze rechtspersonen heeft uitgewezen dat [medeverdachte 1] , de vader van de verdachte, tevens directeur van [D] B.V., de begunstigde eigenaar was van de vermogenswaarden op de bankrekeningen van [A] , [B] en [C] . Ook stelt het hof vast dat op het kantoor van [betrokkene 1] in [plaats] te Zwitserland, alwaar in ieder geval een gedeelte van het contante geld dat buiten de boeken van [D] B.V. werd gehouden naar toe werd gebracht én op welk adres de drie voornoemde rechtspersonen gevestigd waren, trustovereenkomsten, notities en e-mailberichten zijn aangetroffen die aantonen dat [medeverdachte 1] de achterliggende, feitelijke bestuurder is van die drie rechtspersonen. Op grond daarvan heeft het hof [medeverdachte 1] aangemerkt als feitelijk bestuurder van de drie rechtspersonen die de bedoelde onroerende zaken in eigendom hadden. Dat oordeel is dus niet (slechts) gebaseerd op de door de steller van het middel bestreden overweging van het hof. De klacht mist derhalve feitelijke grondslag.
de huurovereenkomsten 'immers' geen marktconforme/zakelijke prijzen en voorwaarden bevatten hetgeen ook geldt voor de leningsovereenkomsten.” [1] , terwijl dat niet uit de bewijsmiddelen zou blijken. Die overweging wordt echter (letterlijk) vermeld ten aanzien van de onder 3 bewezenverklaarde valsheid in geschrift [2] en niet ten aanzien van de vraag of [medeverdachte 1] als feitelijk bestuurder van de drie Zwitserse rechtspersonen aangemerkt kan worden. In zoverre is de klacht dus tevens gebaseerd op een verkeerde lezing van het arrest en faalt deze ook daarom.
“ [A] en [B] bovendien in de periode van juli 1999 tot en met februari 2008 acht onderhandse leningen [hebben] verstrekt aan [D] BV, waarvoor geen zekerheden zijn gesteld, waarbij in twee gevallen geen en in de overige gevallen een niet-marktconforme rente is bedongen en waarop niet of nauwelijks werd afgelost”, [3] niet uit de bewijsmiddelen zou blijken, faalt het ook. Die overweging kan worden afgeleid uit de tot bewijsmiddel 42 gebezigde geschriften (leenovereenkomsten), waarover bij de bespreking van het tweede middel meer.
tweede deelklachtricht zich tegen het oordeel van het hof dat
alleniet verantwoorde omzet van [D] B.V. als “uit misdrijf verkregen” wordt beschouwd, omdat dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is.
NJ2009/94 m.nt. M.J. Borgers, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat vermogensbestanddelen waarover men de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als voorwerpen
"afkomstig (...) van enig misdrijf"in de zin van de art. 420bis en 420quater Sr.
NJ2014/410 m.nt. J.M. Reijntjes en HR 3 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:365 wordt door de steller van het middel aangevoerd dat
nietalle niet verantwoorde omzet van [D] BV. als uit misdrijf verkregen kan worden aangemerkt, omdat
‘de enkele omstandigheid dat de gestelde verdiensten – in strijd met de belastingwet – voor de belastingdienst zouden zijn verzwegen, volgens de Hoge Raad […] nog niet mee[brengt] dat deze in volle omvang moeten worden beschouwd als wederrechtelijk verkregen’. [4] In het onderhavige geval gaat het echter niet om de vraag of verdiensten die voor de belastingdienst zijn verzwegen in hun geheel als wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in art. 36e Sr (jo. art. 74 AWR Pro) moeten worden aangemerkt, zoals het geval in de zaken die voorafgingen aan de door de steller van het middel genoemde arresten, maar om de vraag of vermogensbestanddelen waarover iemand de beschikking heeft doordat belasting is ontdoken, kunnen worden aangemerkt als “uit enig misdrijf verkregen” als bedoeld in art. 420bis Sr. Dat dit laatste het geval is, blijkt uit het hiervoor door mij genoemde arrest van de Hoge Raad uit 2008 en wordt overigens ook bevestigd in het door de steller van het middel genoemde HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:693. [5] Dit is ook logisch, omdat het witwassen er immers toe zal moet dienen dat alle buiten de boeken gehouden gelden weer vrij kunnen worden aangewend. Daarmee is overigens nog niet gezegd dat ten aanzien van de gehele niet verantwoorde omzet ook meteen sprake is van witwassen.
de zwarte omzet van [D] B.V. ter grootte van een aanzienlijk geldbedrag(…)
terwijl hij, verdachte en zijn mededaders, telkens wisten dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf.”Het hof heeft hieromtrent vastgesteld dat – kort gezegd – ongeveer de helft van de omzet van [D] B.V. buiten de boeken werd gehouden en niet werd betrokken bij de vennootschaps- en omzetbelasting. Het verantwoorde deel van de omzet werd vervolgens op de rekening van [D] B.V. gestort en bij de belastingaangiftes van [D] B.V. betrokken, terwijl het niet verantwoorde deel naar een safeloket van de Rabobank werd gebracht, dat op naam stond van [betrokkene 2] . Vanuit dit safeloket is geld danaar Zwitserland gebracht, waarna dat geld via (drie) Zwitserse rechtspersonen ( [A] , [B] en [C] ) werd geïnvesteerd in panden in Nederland of als (onderhandse) lening verstrekt ten behoeve van [D] B.V. Die vaststellingen worden niet betwist.
uit misdrijf verkregen”, zou gelet op de bewezenverklaring kunnen worden beschouwd als een kennelijke verschrijving van het hof en verbeterd kunnen worden gelezen als “
afkomstig uit enig misdrijf”, ware het niet dat de verdere motivering er toch op lijkt te wijzen dat geen sprake is van een verschrijving, maar dat het hof inderdaad is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting, te weten dat het hof slechts na de vaststelling van vermenging van legaal en een voldoende hoeveelheid illegaal “verkregen” vermogen tot een bewezenverklaring van de gehele zwarte omzet kon overgaan. [6] Gelet op hetgeen ik onder randnummer 14 heb opgemerkt, is dat niet het geval. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.
tweede middelkomt op tegen de onder 3 subsidiair bewezenverklaarde valsheid in geschrift.
Valsheid in geschrift
de huurovereenkomsten immers geen marktconforme/zakelijke prijzen en voorwaarden [bevatten]. Hetzelfde geldt voor de leningsovereenkomsten.”
onder die omstandigheden zijn de in de tenlastelegging genoemde documenten als vals aan te merken’.
op de hoogte [was] van het feit dat die overeenkomsten slechts dienden om een zwart geldcircuit te verhullen.’