Conclusie
Bezoek op dinsdag 4 mei 2010
De afvoer van slib/fijn zand
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatieberoep
onderdeel 4klaagt ten slotte dat het hof een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs heeft gepasseerd.
welke gevaarlijke afvalstoffen bevatten, dient per verwerkte partij, apart te worden opgeslagen.
onderdeel 1.4. De (formele rechtskracht van de) last onder dwangsom van 18 maart 2008 strekt zich namelijk alleen uit tot de kwalificatie van de specifieke partij slib/fijn zand waarop die last zag [7] en kan, zoals het onderdeel aanvoert, niet worden gebruikt als basis voor een algemeen criterium dat het bij slib/fijn zand van [eisers] steeds om gevaarlijke stoffen zou gaan tenzij [eisers] het tegendeel bewijst.
onderdelen 2.2 – 2.10wordt dit per publieke uiting toegelicht.
Onderdeel 2.1klaagt dat het hof hierbij ten onrechte geen acht heeft geslagen op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
onderdelen 2.7-2.10,die klagen over het oordeel over het artikel in Tubantia (rov. 5.52-5.53; zie hiervoor onder 1.24), het persbericht van 6 oktober 2010 (rov. 5.54-5.55; zie hiervoor onder 1.26), het interview in het blad “Handhaving” (rov. 5.56-5.60; zie hiervoor onder 1.27) en het persbericht van 25 mei 2011 (rov. 5.61-5.64; zie hiervoor onder 1.29), geldt hetzelfde. Ook hier wordt steeds geklaagd dat (essentiële) stellingen zijn gepasseerd, waarbij steeds dezelfde stellingen worden opgesomd. Al deze onderdelen falen op dezelfde gronden als onderdeel 2.2 (zie onder 3.16).
onderdeel 2.11die aanvoert dat het hof per publieke uiting expliciet diende in te gaan op de in onderdelen 2.2-2.10 genoemde stellingen, faalt gelet op hetgeen hiervoor onder 3.11 is opgemerkt, eveneens.