Conclusie
[A]de volgende tekst (vertaald uit het Papiamento) gepubliceerd:
ANONIEME BRON HEEFT AAN ONS BEKEND GEMAAKT:
1.MILJOEN FLORIN VERDWENEN UIT DE KLUIS VAN DE CENTRALE BANK
[A]gepubliceerd. In dit artikel staat onder meer het volgende (vertaald uit het Papiamento): [2]
Volgens reactie Centrale Bank(…):
[A]gepubliceerde, persverklaring doen uitgaan (vertaald uit het Papiamento): [3]
[A], met zijn publicatie van 7 augustus 2015 onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, (ii) [verweerder] te veroordelen tot plaatsing van een rectificatie, zoals vermeld in het petitum van het verzoekschrift, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Afl. 5.000,- voor elke dag dat [verweerder] dit bevel niet nakomt, en (iii) [verweerder] te veroordelen in de kosten van de procedure.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onder punt Ibevat het middel vijf klachten die uiteenvallen in verschillende onderdelen. De klachten worden nader toegelicht
onder punt II. Voordat ik overga tot een bespreking van de klachten schets ik eerst het juridisch kader tegen de achtergrond waarvan zij moeten worden bezien. [4] Daarbij zal ik in het bijzonder aandacht schenken aan de rol van de pers en de journalistieke zorgvuldigheid.
public watchdog’) vervult. [5] Uitingen in de pers mogen om die reden ook schokkend, verontrustend of beledigend zijn. [6] De wijze waarop de pers te werk gaat bij de vervulling van zijn functie als ‘
public watchdog’, is in beginsel vrij (‘journalistieke vrijheid’). [7] Het EHRM neemt voorts tot uitgangspunt dat de journalistieke vrijheid, zoals beschermd in art. 10 lid 1 EVRM Pro, verder strekt dan de bescherming van een objectieve en ingetogen wijze van verslaggeving van feiten: “(…) In addition, the Court is mindful of the fact that journalistic freedom also covers possible recourse to a degree of exaggeration, or even provocation (…)”. [8] De uitoefening van de vrijheid van meningsuiting kan, gelet op het tweede lid van art. 10 EVRM Pro, worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, mits deze bij wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van (onder meer) de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.
questions of public interest’). In dat geval bestaat weinig ruimte voor een beperking van de vrijheid van meningsuiting. [11] Bij de beoordeling van de vraag of een beroep kan worden gedaan op art. 10 lid 2 EVRM Pro neemt de persvrijheid een bijzondere plaats in omdat de pers bij het vervullen zijn ‘
vital role’ van ‘
public watchdog’ moet kunnen spelen. [12]
[…] / […]volgt dat niet alleen de pers maar ook een individu aanspraak heeft op bescherming van de vrijheid van meningsuiting als hij of zij zich tot het publiek wendt met een publicatie die het algemeen belang betreft. [13] De Hoge Raad heeft dit in het genoemde arrest gekoppeld aan het oordeel dat de betreffende publicatie - een op internet gepubliceerde open brief van publiciste […] - op één lijn te stellen is met een perspublicatie. Annotator Dommering verzet zich tegen deze gelijkstelling, maar dit doet niet af aan het uitgangspunt dat ook een particuliere auteur als […] zich kan beroepen op art. 10 EVRM Pro.
ethics of journalism’:
public watchdog’dient te worden beoordeeld aan de hand van de zorgvuldigheidsnorm. Het overtreden van aan de beroepsethiek ontleende normen of journalistieke codes kan worden betrokken bij de afweging of een beperking van de persvrijheid als noodzakelijk moet worden beschouwd. [15] Of een publicatie in overeenstemming is met aan de journalistieke beroepsethiek ontleende voorwaarden of normen, is dus een factor bij de beoordeling van de vraag of met succes art. 10 EVRM Pro kan worden ingeroepen. Dat betekent dat overtreding van dergelijke voorwaarden of normen
nietnoodzakelijkerwijs tot de conclusie leidt dat geen beroep op art. 10 EVRM Pro kan worden gedaan. Dit volgt ook het arrest
[…] / […], waarin de Hoge Raad overwoog dat (overtreding van) journalistieke maatstaven (in dat geval: het gebruik van verborgen opnameapparatuur) een omstandigheid is die gewicht in de schaal zal leggen bij de door de rechter te verrichten afweging, maar daarbij niet doorslaggevend behoeft te zijn. [16] De aard en ernst van de in de media geuite beschuldigingen kunnen met zich brengen dat er hogere eisen aan deze zorgvuldige toetsing van de feiten worden gesteld:
geruchtengaat. [19] Daarbij verwijst hij naar het arrest
Flux/Moldova (no. 7), waarin het EHRM als volgt heeft overwogen:
gelijkwaardigniveau hebben. Niet kan worden gezegd dat in het algemeen een ‘
presumption in favour’ voor één van beide rechten bestaat. Het criterium is of de nationale rechter een ‘
fair balance’tussen beide rechten heeft gevonden door afweging van de bijzondere omstandigheden van het geval. [33] Deze benaderingswijze van het EHRM heeft Uw Raad overgenomen in het
Gemeenteraadslid-arrest. [34] In dat arrest is het volgende overwogen:
Gemeenteraadslid-arrestheeft de Hoge Raad een aantal in aanmerking te nemen omstandigheden genoemd:
Gemeenteraadslid-arrestis niet limitatief. [36] Zowel de rechtspraak van het EHRM als de nationale rechtspraak laten zien dat, in andere situaties dan in het
Gemeenteraadslid-arrestaan de orde, een scala aan andere omstandigheden gewicht in de schaal kan leggen. [37] Voorbeelden van mogelijk relevante omstandigheden zijn:
public figureis. Een
public figuremoet een grotere inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer tolereren dan een gewone burger. Met name politici zullen veel moeten kunnen incasseren. [38]
Leidraad van de Raad voor de Journalistiek, versie 2018. [50] Daarin staat onder meer dat:
Novaya Gazeta en Borodyanskiy/Rusland. Daarin is het volgende overwogen: [54]
geenpunten die CBA mede ten grondslag heeft gelegd aan haar vorderingen uit onrechtmatige daad. Dit zijn punten die thans onderdeel uitmaken van de rechtsklacht van het onderdeel. Op goede gronden zou kunnen worden betoogd dat het onderdeel reeds hierom dient te falen. Daarnaast meen ik dat het onderdeel faalt als te stellig geformuleerd. Ik licht dat als volgt toe.
kanhet overtreden van aan de beroepsethiek ontleende normen of journalistieke codes worden betrokken bij de afweging of een beperking van de persvrijheid als noodzakelijk moet worden beschouwd. In het genoemde
[…] / […]-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat overtreding van journalistieke maatstaven een omstandigheid is die gewicht in de schaal zal leggen bij de door de rechter te verrichten afweging, maar daarbij niet doorslaggevend
behoeftte zijn. Het Gemeenschappelijk Hof overweegt aan het slot van rov. 2.6 dat de vraag of het nalaten om journalistieke gedragsregels in acht te nemen - in dit geval: het toepassen van hoor en wederhoor alvorens tot publicatie wordt overgegaan - onrechtmatig is, per geval en met inachtneming van de omstandigheden van het geval dient te worden beoordeeld. Deze overweging wordt in cassatie terecht niet als zodanig bestreden. Reeds in het licht van de inhoud van het
[…] / […]-arrest dient onderdeel 1.1 naar mijn mening te falen. Sinds het hiervoor genoemde
Gemeenteraadslid-arrestvan 24 juni 1983 is het vaste rechtspraak dat in zaken over het uiten van beschuldigingen in perspublicaties twee tegenover elkaar staande belangen tegen elkaar afgewogen moeten worden (enerzijds het belang dat individuele burgers niet door publicaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen en anderzijds het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan) en dat het van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden van het geval afhangt welk van deze twee belangen het zwaarste weegt. Het Gemeenschappelijk Hof is in het bestreden vonnis bij de afweging expliciet uitgegaan van de juistheid van de stelling van CBA dat [verweerder] geen (serieuze) poging heeft gedaan om CBA voorafgaande aan de publicatie om een reactie op de bewering van haar bron te vragen (rov. 2.7). Het heeft overwogen dat deze handelwijze van [verweerder] géén schoonheidsprijs verdient, maar dat deze gelet op (i) de inhoud van het bericht en (ii) het gegeven dat [verweerder] de (uitgelokte) inhoudelijke reactie van CBA direct (de eerstvolgende dag en tevens op de eerste bladzijde) heeft afgedrukt, nog niet zodanig is dat [verweerder] zich naar maatstaven van maatschappelijke zorgvuldigheid - gelet op de belangen van CBA - van dat handelen had dienen te onthouden. Het Gemeenschappelijk Hof heeft verder overwogen dat het feit dat de reactie niet, waar dat wel had gekund, voorafgaand aan publicatie is gevraagd, het handelen nog niet onrechtmatig maakt. Het Gemeenschappelijk Hof heeft het niet toepassen van hoor en wederhoor door [verweerder] , hetgeen (onderdeel van) de grondslag van het gestelde onrechtmatig handelen vormt, derhalve expliciet in de beoordeling meegenomen (rov. 2.8).
Onderdeel 2.1klaagt dat het Gemeenschappelijk Hof hiermee heeft miskend dat ook een zodanige beschuldiging, verdenking of verdachtmaking die niet als feitelijke, geverifieerde mededeling wordt gepresenteerd maar als bewering van een anonieme bron, nog steeds een ernstige beschuldiging, verdenking of verdachtmaking kan inhouden, en dat een persmedium zelf verantwoordelijk is voor het openbaar maken en onderzoeken van beschuldigingen van anonieme bronnen. Voor zover het oordeel moet worden verstaan dat de publicatie geen ernstige beschuldiging, verdenking of verdachtmaking inhoudt, klaagt het onderdeel dat dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van de stellingen van CBA en de inhoud van de publicatie zelf.
[…] / […]-arrest geformuleerde maatstaf besloten ligt, is verweven met een waardering van de feiten en omstandigheden. Daarbij acht ik niet onbelangrijk dat het Gemeenschappelijk Hof aan het slot van rov. 2.5 overweegt dat het artikel afsluit met een uitdrukkelijke oproep aan CBA om alsnog inhoudelijk te reageren. De klacht dat het Gemeenschappelijk Hof heeft miskend dat de inhoud van de publicatie in kwestie, die is gebaseerd op een anonieme bron, een ernstige beschuldiging, verdenking of verdachtmaking inhoudt, mist feitelijke grondslag. Uit niets blijkt dat het Gemeenschappelijk Hof van oordeel is dat de inhoud van de publicatie niet als zodanig kan worden gekwalificeerd. Integendeel, uit hetgeen het Gemeenschappelijk Hof overweegt met betrekking tot de handelwijze van [verweerder] kan worden afgeleid dat het van oordeel is dat de inhoud van de publicatie wel degelijk als een ernstige beschuldiging, verdenking of verdachtmaking kan worden gekwalificeerd. Indien het Gemeenschappelijk Hof van oordeel zou zijn geweest dat dit niet het geval is, dan zou het zulks ongetwijfeld met zoveel woorden in het vonnis hebben opgenomen. De afwijzing van de vorderingen van CBA zou dan immers op deels andere gronden zijn geschied.
kan- en derhalve niet “zal” - schatten naar mijn mening geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
heeftgezocht met betrekking tot de kwestie, doch dat CBA niet heeft willen reageren. Dat thans, achteraf, vaststaat dat [verweerder]
geenserieuze poging heeft gedaan om CBA voorafgaande aan de publicatie om een reactie op de bewering van haar bron te vragen (zie rov. 2.7), maakt dat niet anders. Daarnaast sluit de publicatie, zoals het Gemeenschappelijk Hof aan het slot van rov. 2.5 memoreert, af met een uitdrukkelijke oproep/uitnodiging aan CBA om
alsnoginhoudelijk te reageren. Dit is een dag later ook gebeurd. In het licht van het bovenstaande kan niet worden gezegd dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd.
onderdeel 3.2de ernstige aard van de beschuldiging en de gevolgen daarvan voor CBA ook kenbaar moeten meewegen bij zijn beoordeling van de (on)rechtmatigheid van de publicatie. Door dat niet te doen, is het Gemeenschappelijk Hof, aldus nog steeds het onderdeel, uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting dan wel heeft het zijn vonnis ontoereikend gemotiveerd.
Gemeenteraadslid-arrest. In het arrest
[…] /Parool [60] heeft Uw Raad overwogen dat het in beginsel aan de rechter die over de feiten oordeelt, is overgelaten om vast te stellen welke de voor het geval kenmerkende bijzonderheden zijn en welk gewicht daaraan in onderling verband behoort te worden toegekend. Daaraan is toegevoegd dat in het
Gemeenteraadslid-arrest onder a t/m f slechts een aantal daarbij mogelijkerwijs in aanmerking komende factoren worden genoemd [61] en dat niet wordt voorgeschreven dat de rechter steeds tenminste op al deze factoren zou moeten toetsen en daarvan in zijn motivering uitdrukkelijk rekenschap zou moeten geven. Voor zover het onderdeel betoogt dat de rechter
steedsop de factoren die het onderdeel noemt, dient te toetsen, gaat het derhalve uit van een opvatting die geen steun vindt in het recht.
Onderdeel 4.1klaagt dat het Gemeenschappelijk Hof aldus heeft miskend dat het niet voor de taak stond om per omstandigheid afzonderlijk te oordelen of deze als zodanig reeds de handelwijze van [verweerder] onrechtmatig maakt, maar om alle omstandigheden in hun totaliteit en onderlinge samenhang te beoordelen. [62] Door dit niet (kenbaar) te doen is de beoordeling volgens het onderdeel onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd.
vormwaarin [verweerder] de mededeling in het artikel heeft gedaan. Het Gemeenschappelijk Hof heeft overwogen dat de keuze om de bewering in kwestie van de anonieme bron als nieuwsfeit te presenteren en deze zonder eigen voorafgaand onderzoek in de openbaarheid te brengen, wellicht niet van hoogwaardige journalistiek getuigt, maar dat dit op zichzelf nog niet onrechtmatig is te achten. Het Gemeenschappelijk Hof werkt dit vervolgens uit. Het onderdeel verwijst niet naar vindplaatsen in de processtukken waarin (overige) omstandigheden worden genoemd die het Gemeenschappelijk Hof had moeten betrekken bij het oordeel omtrent de vorm waarin [verweerder] de mededeling in het artikel heeft gedaan. In rov. 2.8 gaat het Gemeenschappelijk Hof uitvoerig in op het niet toepassen van hoor en wederhoor door [verweerder] . Het Gemeenschappelijk Hof overweegt dat het feit dat een reactie van de zijde van CBA niet, waar dat wel had gekund, voorafgaand aan publicatie is gevraagd, het handelen (publiceren) nog niet onrechtmatig maakt. Daarbij hecht het Gemeenschappelijk Hof blijkens hetgeen het aan het begin van rov. 2.8 overweegt, waarde aan de inhoud van het bericht en het gegeven dat [verweerder] de (uitgelokte) inhoudelijke reactie van CBA de eerstvolgende dag en tevens op de voorpagina heeft afgedrukt. Dit oordeel is dragend voor de beslissing dat het (toch) publiceren van het bewuste artikel niet onrechtmatig kan worden geoordeeld. Het onderdeel verwijst ook hier niet naar vindplaatsen in de processtukken waarin (overige) omstandigheden worden genoemd die het Gemeenschappelijk Hof in zijn oordeel met betrekking tot het (niet) overgaan tot hoor en wederhoor had moeten betrekken. Zoals gezegd omschrijft het Gemeenschappelijk Hof het door CBA gestelde belang in rov 2.8 als het belang om niet lichtvaardig te worden aangetast in haar reputatie als integere instelling waarbij de publieke gelden in goede handen zijn. Uit het expliciet noemen van dit belang volgt dat het Gemeenschappelijk Hof dat belang onder ogen heeft gezien en heeft meegewogen in de afweging. Het onderdeel faalt.
Onderdeel 5.1klaagt dat dit oordeel onjuist is, althans niet toereikend gemotiveerd, omdat [verweerder] zich genoemd belang wel moest aantrekken. Het onderdeel stelt in dat verband dat het (moeten) vragen van een reactie voorafgaand aan de publicatie bij uitstek het belang dient van degene over wie een kritische publicatie is voorgenomen. Volgens
onderdeel 5.2valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, bovendien niet in te zien waarom [verweerder] zich dit belang van CBA niet had hoeven aantrekken, temeer nu het Gemeenschappelijk Hof in rov. 2.6 overweegt dat de journalistieke gedragsregel die voorschrijft dat hoor en wederhoor wordt toegepast alvorens tot publicatie wordt overgegaan, dient als waarborg tegen inhoudelijk onjuiste berichtgeving en lichtvaardige verdachtmakingen. Anders dan het Gemeenschappelijk Hof overweegt, gaat het er hierbij volgens het onderdeel niet (uitsluitend) om het artikel tegen te houden en/of bij de publicatie dadelijk de reactie van CBA toe te voegen, maar om de mogelijkheid te bevorderen dat [verweerder] , na te zijn geïnformeerd door CBA, geheel had afgezien van de publicatie [63] , althans door het tegelijk daarin opnemen van de betwisting door CBA diens (reputatie)schade had kunnen voorkomen althans beperken.
afzonderlijkbelang kan worden aangemerkt, nu het niet toepassen van hoor en wederhoor automatisch meebrengt dat genoemde gelegenheid niet wordt geboden. Wat hier ook van zij, ik meen dat de bestreden overwegingen meer als “ten overvloede opgenomen” moeten worden beschouwd. Dit kan worden afgeleid uit de formulering van de zin die begint met “De vraag is ook (…)”. Zoals gezegd heeft het Gemeenschappelijk Hof in rov 2.7 overwogen dat [verweerder] geen (serieuze) poging heeft gedaan om CBA ook voorafgaande aan de publicatie om een reactie op de bewering van haar bron te vragen. Dit dient derhalve tot uitgangspunt. Het Gemeenschappelijk Hof heeft vervolgens in rov. 2.8 overwogen dat de handelwijze van [verweerder] geen schoonheidsprijs verdient maar dat deze,
alles afwegend, gezien (i) de inhoud van het bericht en (ii) het gegeven dat [verweerder] de (uitgelokte) inhoudelijke reactie van CBA de eerstvolgende dag en tevens op de eerste bladzijde heeft afgedrukt, nog niet zodanig is dat hij zich naar maatstaven van maatschappelijke zorgvuldigheid - gelet op de belangen van CBA - van dat handelen had dienen te onthouden. Dit oordeel, waarin de (niet nader gespecificeerde) belangen van CBA zijn meegewogen, is dragend voor de beslissing. Zoals gezegd is het oordeel feitelijk en niet onbegrijpelijk. Dat over de kwestie (heel goed) in andere zin zou kunnen worden gedacht en geoordeeld maakt het oordeel als zodanig nog niet onbegrijpelijk.