Conclusie
de factogeen termijnstelling heeft plaatsgevonden en de aan het pandrecht verbonden rechten bij [eiseres 1] en de Stichting zijn blijven berusten. In verband daarmee hebben zij in deze procedure verschillende vorderingen ingesteld.
1.Feiten
Graag verwijs ik naar bijgevoegde brief (…). [eiseres 1] en de Stichting verzoeken om verlenging van die termijn (…) met 6 weken op de gronden genoemd in de brief (…).”
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
redelijketermijn zijn. In beginsel betekent dit dat het voor een redelijk voortvarende pand- of hypotheekhouder onder normale omstandigheden mogelijk moet zijn om tot uitoefening van rechten te komen. [11] Onder omstandigheden kan een termijn echter ook redelijk zijn als deze voor de separatist niet voldoende is om zijn rechten uit te oefenen, zo volgt uit het arrest
Glencore/Zalco. [12] In dit arrest overwoog de Hoge Raad, kort gezegd, dat de curator steeds het belang van de pand- of hypotheekhouder bij verlenging moet afwegen tegen het belang van een voortvarende afwikkeling van de boedel. Op grond van die belangenafweging kan de curator een verzoek om verlenging afwijzen, ook wanneer de uitoefening van een pand- of hypotheekrecht binnen de door de curator gestelde termijn (in redelijkheid) niet mogelijk blijkt, of waarin een pand- of hypotheekhouder van het niet tijdig uitoefenen van zijn recht anderszins geen verwijt kan worden gemaakt. [13]
geentermijn in de zin van art. 58 Fw Pro is gesteld. In een uitspraak van de rechtbank Haarlem is geoordeeld dat dat het geval is, wat volgens de rechtbank tot gevolg heeft dat de onredelijk korte termijn niet verlengd kan worden en dat de separatist die om verlenging van de termijn vraagt, daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. [15] In de onderhavige procedure heeft ook de rechtbank Limburg deze benadering gevolgd (zie rov. 4.32 van het vonnis). [16]
Cantor/Arts q.q.is de vraag aan de orde gesteld of de curator bevoegd is om de pandhouders een termijn als bedoeld in art. 58 Fw Pro te stellen in het geval de curator de onderliggende vordering van de pandhouders betwist. [19] In die zaak had de curator de pandhouders een termijn gesteld voor het geval sprake zou zijn van een geldig pandrecht. Het (meer subsidiaire) verzoek van de pandhouders om de gestelde termijn te verlengen werd door de rechter-commissaris toegewezen. In hoger beroep stelden de pandhouders dat het de curator niet vrijstond om hen een termijn ex art. 58 Fw Pro te stellen. Volgens de rechtbank was dat argument niet steekhoudend.
eerste subonderdeel(procesinleiding onder 2.2) wordt aangevoerd dat het hof een onjuist criterium heeft gehanteerd, door bij het toetsingskader van art. 58 Fw Pro te betrekken of de pandhouders een vordering op de failliet hebben en of op die vorderingen een pandrecht is gevestigd. Art. 58 Fw Pro neemt namelijk de hoedanigheid van de pand- en hypotheekhouder tot uitgangspunt. De ratio van art. 58 Fw Pro is niet het creëren van een mogelijk debat over het bestaan van het pand- of hypotheekrecht waarop de pand- of hypotheekhouder zich beroepen.
Cantor/Arts q.q.blijkt immers dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de curator gelijktijdig met het betwisten van de stelling van een schuldeiser of een derde dat diegene over een pandrecht beschikt, tevens een termijn stelt voor het uitwinnen van het gepretendeerde recht (zie onder 3.12). Daarmee geldt ook het omgekeerde, dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de curator niet alleen een termijn stelt voor het uitwinnen van een gepretendeerd pandrecht, maar gelijktijdig het onderliggende recht betwist.
tweede subonderdeel(procesinleiding onder 2.3.1) wordt geklaagd dat het hof met zijn oordeel dat de vorderingen van [eiseres 1] en de Stichting onvoldoende vast zijn komen te staan, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Aangezien de curatoren geen reconventionele vordering hebben ingesteld, had het hof het bestaan van de vorderingen en de daarop gevestigde pandrechten niet mogen beoordelen. In de s.t. is daaraan nog toegevoegd (onder 3.8) dat de omstandigheid dat de curatoren over het bestaan van de vorderingen een andere procedure aanhangig hebben gemaakt (die vanwege het faillissement van [eiseres 1] is geschorst), met zich brengt dat het hof deze kwestie niet had mogen beoordelen.
derde subonderdeel(procesinleiding onder 2.3.2) is aangevoerd dat de curatoren in de pleitnotities in hoger beroep hebben gesteld dat het bestaan van de vorderingen en de pandrechten in het midden kan blijven. [21] Ook daaruit volgt volgens het subonderdeel dat het hof niet aan een oordeel over het bestaan van de vorderingen had kunnen toekomen.
hebben [eiseres 1] en de Stichting vorderingen op [betrokkene 1] ? Zo ja,
hebben [eiseres 1] en de Stichting een pandrecht op vorderingen van [betrokkene 1] ? Zo ja,
hebben [eiseres 1] en de Stichting hun separatistenpositie verloren met het verstrijken van de aan hen op de voet van artikel 58 Fw Pro gegunde termijn van ruim 7 weken?
vierde subonderdeel(procesinleiding onder 2.4) wordt betoogd dat voor zover het oordeel van het hof zo moet worden begrepen, dat als gevolg van de vernietiging van de zekerheidsrechten door de curatoren op [eiseres 1] en de Stichting als pandhouders enige bewijslast is komen te rusten, het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De bewijslast die uit de artikelen 42 en 47 Fw voortvloeit, rust op de curatoren. Bovendien speelt de vernietiging van de zekerheidsrechten in deze procedure geen rol, omdat het toetsingskader van art. 58 Fw Pro daarvoor geen ruimte laat.
verzwaardestelplicht aanneemt faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft slechts overwogen dat het de weg van [eiseres 1] en de Stichting ligt om omstandigheden te stellen waaruit het bestaan van de vorderingen blijkt. Een verzwaarde stelplicht is daarin niet te lezen.
het betoog van curatoren over de tegenwerking die zij hebben ervaren bij hun werkzaamheden in het faillissement en over het ontbreken van toereikende antwoorden op wezenlijke vragen wat betreft het inkomen en bezittingen van de failliet’(rov. 3.7.8), ziet op een stelling van de curatoren en behelst geen zelfstandig oordeel van het hof.