ECLI:NL:PHR:2020:626

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2020
Publicatiedatum
19 juni 2020
Zaaknummer
19/02707
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 359 lid 2 SvArt. 420 SvArt. 316 SvArt. 227 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling poging doodslag baby door schudden ondanks genetisch verweer

De zaak betreft de poging tot doodslag op een baby die ernstig hersenletsel opliep door heftig schudden (shaken baby syndroom). Het hof stelde vast dat de combinatie van letsels, waaronder subdurale bloedingen, retinabloedingen en metafysaire hoekfracturen, het gevolg was van een niet-accidenteel trauma en verwierp het verweer dat deze veroorzaakt zouden zijn door genetische afwijkingen of het gebruik van paroxetine door de moeder.

De verdachte verklaarde dat hij was gevallen met de baby in zijn armen, maar het hof achtte deze verklaring ongeloofwaardig en concludeerde dat het letsel het gevolg was van het heftig heen en weer schudden door de verdachte. Diverse deskundigenrapporten, waaronder die van forensisch arts Bilo en klinisch genetici Oegema en Brilstra, ondersteunden het oordeel dat de letsels niet verklaard konden worden door aangeboren aandoeningen of medicatiegebruik.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof het bewijs en de deskundigenrapporten zorgvuldig had gewogen en dat het gebruik van de rapporten van Bilo voor het bewijs terecht was. Ook het oordeel over het voorwaardelijk opzet van de verdachte op de dood van de baby werd bevestigd. De verweren van de verdediging werden verworpen en de veroordeling tot 36 maanden gevangenisstraf bleef in stand.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling vader tot 36 maanden gevangenisstraf wegens poging tot doodslag door heftig schudden van zijn baby.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/02707
Zitting12 mei 2020 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 6 juni 2019 de verdachte wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Daarnaast heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding verklaard en bepaald dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen
.
Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. Op 8 mei 2020 is voorts een schriftelijke toelichting op het voorgestelde tweede middel ontvangen.
In de onderhavige zaak is op 31 december 2012 namens Bureau Jeugdzorg bij de politie aangifte gedaan nadat door artsen bij [slachtoffer] , de toen nog jonge baby van de verdachte, letsels waren geconstateerd die als meest waarschijnlijke oorzaak het schudden van [slachtoffer] hebben. Naar aanleiding hiervan heeft forensisch medisch onderzoek plaatsgevonden. Mede op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft het hof, in navolging van de rechtbank, de verdachte, zijnde de vader van [slachtoffer] , veroordeeld wegens poging tot doodslag.
De drie voorgestelde middelen zien op de bewezenverklaarde poging tot doodslag op verdachtes zoontje [slachtoffer] . Het eerste middel klaagt over ’s hofs gebruik van (een gedeelte van) de verklaring van de verdachte voor het bewijs, het tweede middel over het gebruik voor het bewijs van het rapport van de forensisch-medisch deskundige Bilo en het derde middel klaagt over het bewezenverklaarde opzet op de dood van [slachtoffer] .
Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:
“hij op 28 november 2012 te ’s-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon te weten, zijn, verdachtes, zoon [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2012) van het leven te beroven, opzettelijk heeft beetgepakt en beetgehouden en (vervolgens) met kracht heen en weer heeft geschud, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
6. De bewezenverklaring steunt op de (8) bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aan het arrest gehechte bijlage van 9 oktober 2019 (vetgedrukt in het origineel):
“1.
Een proces-verbaal aangiftevan de politie Haaglanden, d.d. 31 december 2012, met nr. PL1532 2012277526-1. Dit proces-verbaal met bijlage houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz.
23-29):
Plaats delict: [a-straat 1] , [postcode] ' s-Gravenhage.
als de op voormelde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
Ik ben teamleider bij Bureau Jeugdzorg afdeling Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK), locatie Neherkade 3054 te 's-Gravenhage. Ik ben gerechtigd tot het doen van aangifte namens Bureau Jeugdzorg.
Op 30 november 2012 ontving het AMK een melding van de arts van het Sophia Kinderziekenhuis (SKZ) te Rotterdam dat [slachtoffer] op 28 november 2012 was binnengebracht in het Juliana Kinderziekenhuis (JKZ) te 's-Gravenhage. De reden was dat vader was gevallen met [slachtoffer] op zijn arm op 28 november 2012. [slachtoffer] is door moeder en oma binnengebracht in het Juliana Kinderziekenhuis. Er is sprake van ernstig lichamelijk letsel bij [slachtoffer] , onder meer subduraal hematoom en vele bloedingen in het linkeroog. Deze letsels hebben als meest waarschijnlijke
oorzaak het schudden van de baby. Onduidelijk is gebleven waardoor dit letsel, is ontstaan. ouders hebben verklaard dat [slachtoffer] nooit zonder hun toezicht bij derden is geweest. Daardoor kan gesteld worden dat het letsel is toegebracht onder het oog en de verantwoordelijkheid van ouders.
Het AMK doet verzoek tot forensische, onderzoek om mishandeling aan te tonen dan wel uit te sluiten.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2.
Een geschrift, zijnde een rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 11 december 2013, opgemaakt en ondertekend door Forensisch arts KNMG, R.A.C. Bilo , rapporteur. Deze rapportage met bijlagen houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 184-241):
Rapportage betreffende [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012. Op 31 december 2012 werd door een medewerker van het AMK namens Bureau Jeugdzorg aangifte gedaan van zware mishandeling van een 2 maanden oude baby ( [slachtoffer] ), die op 28 november 2012 was opgenomen in het Erasmus MC – Sophie (EMC) en op het moment van de aanvraag bij het NFI verbleef in het Juliana Kinderziekenhuis te Den Haag.
De bevindingen tijdens de zwangerschap, rondom de geboorte op 01-11-12 en in de periode t/m 27-11-12
Tijdens de zwangerschap van [slachtoffer] hebben veel onderzoeken plaatsgevonden. Hierbij zijn geen aanwijzingen gevonden voor afwijkingen. Er zijn, voor zover bekend, tijdens de opname direct na de geboorte en in de periode na de geboorte bij controles en observaties door kraamzorg, huisarts, wijkverpleegkundige en verloskundige geen aanwijzingen gevonden voor aangeboren ziekelijke aandoeningen die een verklaring vormen voor de bevindingen bij medisch onderzoek op en na 28 november 2012.
Gebeurtenissen en bevindingen tijdens 1e opname in het JKZ
Moeder arriveert met [slachtoffer] op 28 november 2012 rond 20:10 uur op de SEH van het JKZ. [slachtoffer] is dan 27 dagen oud. De reden van de komst wordt door de SEH omschreven als trauma capitis. Bij lichamelijk onderzoek op de SEH wordt een rustige alerte baby gezien. Er zijn geen aanwijzingen gezien voor neurologische pathologie (aanwijzingen voor neurologische problematiek). Tijdens de klinische controles om het uur worden geen bijzonderheden waargenomen, behalve dat [slachtoffer] bleek was en matig dronk. Op 29 november 2012 rond 09.15 uur wordt [slachtoffer] onderzocht door de kinderneuroloog van het JKZ. Deze ziet een apathisch bleek kind met een soepele fontanel en enige hypotonie (verlaagde spierspanning). Er wordt besloten een echo van het hoofd te maken. Hierop wordt een beeld gezien, passend bij subduraal bloed rechts frontaal zonder massawerking. Vanwege deze bevindingen wordt besloten verder onderzoek te doen in de vorm van een CT-scan van het hoofd: subdurale bloeding aan de rechtervoorzijde zonder massawerking, verdenking op hygroom aan de linkerzijde (subdurale vochtophoping). Na dit onderzoek ontwikkelt [slachtoffer] perioden met versnelde hartactie, verlies van spierspanning en verminderde ademhalingsfrequentie met wisselende zuurstofverzadiging in het bloed. Er wordt gestart met anti-epileptische medicatie. De medicatie blijkt niet effectief.
Uiteindelijk wordt besloten om [slachtoffer] te intuberen. Er blijkt volgens het JKZ sprake van een posttraumatische status epilepticus, die niet tot zeer matig lijkt te reageren op medicatie. Er wordt om die reden besloten om [slachtoffer] over te plaatsen naar het EMG/Sophia. Bij onderzoek bij overplaatsing blijkt sprake van een bolle harde fontanel (teken van verhoogde druk in het hoofd). De conclusie van het JKZ bij overplaatsing:
- 28 dagen oude zuigeling met trauma capitis (mogelijk niet-accidenteel trauma);
- verslechterde neurologische conditie na trauma;
- posttraumatische status epilepticus.
De bevindingen tijdens de opname in het EMC/Sophia
Ook in het EMC/Sophia blijkt dat de epilepsie niet tot nauwelijks reageert op behandeling, ondanks het ophogen van de medicijnen. [slachtoffer] reageert niet of nauwelijks. Op 2 en 3 december 2012 blijkt hij in diepe coma. Op 4 december 2012 wordt bij echo-onderzoek van het hoofd een subdurale vochtophoping gezien met aanwijzingen voor ischemie (zuurstoftekort) van de cortex (hersenschors). Op de MRI van het hoofd van 4 december 2012 worden aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van subarachnoïdaal bloed én beschadiging door zuurstoftekort aan het supratentoriele hersenweefstel.
Bevindingen bij oogheelkundig onderzoek
Bevindingen bij oogheelkundig onderzoek d.d. 29 november 2012. De oogarts ziet geen afwijkingen in het rechteroog.
In het linkeroog worden veel bloedingen verspreid over het netvlies gezien.
Differentieel diagnostisch onderzoek in het EMC/Sophia
In het EMC/Sophia is uitgebreid onderzoek gedaan naar alternatieve, medische verklaringen voor de bevindingen bij [slachtoffer] op en na 28-11-2012:
Geen aanwijzingen voor problemen met de stolling, stofwisselingsziekten, infectieziekten, intoxicaties of genetische aandoeningen.
De bevindingen tijdens de 2e opname in het JKZ
In het JKZ wordt op 12 december 2012 een skeletstatus vanwege het vermoeden dat de afwijkingen die in het hoofd zijn gevonden (subdurale bloedingen, netvliesbloedingen, ernstige beschadiging van het hersenweefsel) het gevolg zijn van een niet-accidenteel trauma (=toegebracht letsel).
Op 24 december 2012 wordt een CT-scan gemaakt. Hierop wordt een vrijwel volledige atrofie c.q. destructie van hersenparenchym (verdwijnen van hersenweefsel) gezien.
Op 31 december 2012 wordt door het AMK aangifte gedaan bij de politie. Bij de aangifte is een overzicht gevoegd van botafwijkingen die tijdens de 2e opname in het JKZ zijn vastgesteld. Ook is een overzicht gegeven van de mogelijke momenten waarop/perioden waarin de fracturen zijn ontstaan. In samenhang met de afwijkingen van het hoofd (subduraal hematoom) en de retinabloeding van het linkeroog is de combinatie van bevindingen sterkt verdacht voor schudden (acceleratie-deceleratietrauma).
De afzonderlijke bevindingen
Het ontstaan van subdurale bloedingen kan, indien beoordeeld buiten de context van de andere medische bevindingen, verklaard worden op basis van zeer veel oorzaken. Deze oorzaken vallen globaal uiteen in twee groepen van oorzaken, namelijk (aangeboren of verworven) lichamelijke aandoeningen of een trauma. Er worden bij evaluatie van de bevindingen bij medisch onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van (aangeboren of verworven) aandoeningen als verklaring voor het ontstaan van de subdurale bloedingen.
De tweede groep verklaringen voor het ontstaan van subdurale bloedingen wordt gevormd door diverse vormen van trauma. Een trauma, waarbij subdurale bloedingen ontstaan, kan tijdens de geboorte optreden (geboortetrauma) of na de geboorte, waarbij sprake kan zijn van een accidenteel (bijvoorbeeld door een ongeval of val veroorzaakt) of een niet-accidenteel (door menselijk handelen of nalaten veroorzaakt) trauma. De geboorte kan bij [slachtoffer] uitgesloten worden geacht als verklaring, voor het ontstaan van de subdurale bloedingen vanwege:
- het ontbreken van klinische verschijnselen passend bij bloedingen in het hoofd in de periode na de geboorte op 1 november 2012 en voor de opname op 28 november 2012;
- de leeftijd van [slachtoffer] bij constateren van de afwijkingen: het is uitgesloten dat subdurale bloedingen, die tijdens de geboorte zijn ontstaan (en niet binnen enkele dagen, klinische verschijnselen hebben veroorzaakt) 4 weken na de geboorte nog een ernstige verslechtering van de klinische situatie veroorzaken bij een kind dat tijdens deze periode normaal gefunctioneerd heeft.
Op basis van exclusie van andere oorzaken resteert een trauma na de geboorte als verklaring voor het ontstaan van de subdurale bloedingen.
Bij [slachtoffer] is sprake van de aanwezigheid van ernstige secundaire schade door de ontwikkeling van diffuus hersenoedeem en diffuse schade van het hersenweefsel door zuurstofgebrek. De beschadigingen die als gevolg van deze mechanismen ontstaan zijn, worden verder verstrekt door de ontwikkeling van de status epilepticus.
Op basis van het voorkomen van de retinabloedingen in slechts één oog kunnen geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de oorzaak waardoor (aandoening of trauma) of de omstandigheden waaronder (in elk geval van trauma: accidenteel of toegebracht) de netvliesbloedingen zijn ontstaan. De bevindingen (de netvliesbloedingen) bij [slachtoffer] zijn op basis van de verspreidingen en het aantal echter waarschijnlijker bij een niet-accidenteel dan bij een accidenteel trauma.
De fracturen
Tijdens de opnamen in het JKZ en het EMC/Sophia zijn op verschillende momenten röntgenopnamen gemaakt, van het skelet. Op de afzonderlijke opnamen van de borstkas werd een breuk in het linker, sleutelbeen vastgesteld. Naast de breuk van het sleutelbeen zouden volgens de vertrouwensarts op de opnamen van 12 december 2012 nog 10 andere fracturen zichtbaar zijn.
Fracturen:
- fractuur rechterarm (2), fractuur rechterbeen (6 en 7) en fractuur linkerbeen (9);
- fractuur 9 en mogelijk 2, 6 en 7 in periode rond incident 28-11 ontstaan.
Het aantreffen van de metafysaire hoekfracturen bij [slachtoffer] is zeer veel waarschijnlijker bij een trauma met een niet-accidentele toedracht dan bij een trauma met een accidentele toedracht of bij normaal uitgevoerde verzorgingshandelingen of handelingen door medisch personeel.
De bevindingen in combinatie
Bij [slachtoffer] is bij onderzoek op en na 28 november 2012 de volgende combinatie van bevindingen aangetroffen:
- afwijkingen in het hoofd (intracraniele afwijkingen: subduraal/subarachnoidaal bloed, en ernstige encephalopathie);
- retinabloedingen;
- metafysaire hoekfracturen;
- epileptische aanvallen;
- ademhalingsproblemen.
Aandoeningen (aangeboren of verworven) en een geboortetrauma zijn op basis van de bevindingen bij medisch onderzoek uitgesloten als verklaring voor de afzonderlijke afwijkingen en om die reden ook als verklaring voor de combinatie. Verder geldt dat geen enkel lichamelijke aandoening bestaat, waarbij de combinatie van bevindingen voorkomt, die bij [slachtoffer] op en na 28 november 2012 is vastgesteld. Gezien het ontbreken van aanwijzingen voor een aandoening of een trauma tijdens de geboorte als verklaring voor de combinatie van bevindingen resteert een trauma, hetzij accidenteel, hetzij niet-accidenteel na de geboorte als enige verklaring. De combinatie van bevindingen bij [slachtoffer] is op basis van bevindingen bij wetenschappelijk onderzoek zeer veel waarschijnlijker bij een trauma met een niet-accidentele toedracht dan bij een trauma met een accidenteel toedracht.
Traumatische beschadigingen van hoofdhuid, schedel en schedelinhoud kunnen ontstaan als gevolg van: dynamische belasting van hoofdhuid, schedel en schedelinhoud:
- impacttrauma/contacttrauma ( 'dynamic impact loading' ) - de directe inwerking van mechanisch stomp botsend of scherp penetrerend geweld, zoals bij een klap tegen het hoofd of bij een schotwond kan optreden;- acceleratie- deceleratietrauma ('dynamic impulse loading', 'inertial trauma') - trauma door (repeterende) afwisseling van acceleratie- of deceleratiekrachten (versnelling en vertraging), zoals bij schudden kan optreden;
- combinatie van een impacttrauma met een repeterend acceleratie-deceleratietrauma.
Bij [slachtoffer] is sprake van klinische verschijnselen, die passen bij een ernstige beschadiging van het hersenweefsel. Een ernstige encephalopathie kan optreden bij een repeterend acceleratie-deceleratietrauma, bij een impacttrauma of bij een combinatie van beide mechanismen. De subdurale bloedingen en de encephalopathie kunnen passen bij een repeterend acceleratie-deceleratietrauma, bij een impacttrauma of bij een combinatie van beide typen traumata.
De prognose
Tijdens de opnames in het JKZ en het EMC/Sophia was sprake van een levensbedreigende situatie, hetgeen blijkt uit de beslissing in het EMC/Sophia om niet te reanimeren indien [slachtoffer] om welke reden dan ook reanimatiebehoeftig zou worden. Op basis van de beschrijvingen m.b.t. de ontwikkelingskansen van [slachtoffer] , de bevindingen van de kinderneuroloog in het JKZ tijdens de poliklinische controle en de bevindingen tijdens het MRI onderzoek kan worden gesteld dat [slachtoffer] zeer ernstig gehandicapt is als gevolg van traumatische beschadiging van de hersenen en dat een normale ontwikkeling definitief uitgesloten is. Overlijden op korte dan wel langere termijn als gevolg van complicaties n.a.v. de ernstige hersenschade kan echter niet uitgesloten worden geacht.
Beantwoording vraagstelling
Indien sprake is van letsel ten gevolge van enige vorm van toegepast geweld: kan er een uitspraak worden gedaan over de specifieke aard en de omvang van de kracht(en) die nodig moet(en) zijn geweest om het letsel en de klinische verschijnselen bij [slachtoffer] te veroorzaken? Deze krachten overschrijden, vele malen de krachten die tijdens de normale omgang met en verzorging van kinderen optreden.
3.
Een geschrift, zijnde een rapport "Beantwoording aanvullende vragen en reactie op deskundigen rapport", d.d. 13 mei 2015, opgemaakt en ondertekend door forensisch arts KNMG, R.A.C.
Bilo , rapporteur. Dit rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – :
Vraag: [slachtoffer] was rustig en stabiel op de SEH. Is dit overeenkomstig met symptomen direct na het schudden (met of zonder impact) van een kind?
Antwoord: Ja, dat kan. Bij kinderen met toegebracht(schedel)hersenletsel is geen sprake van het min of meer wetmatig optreden van dezelfde klinische verschijnselen in dezelfde volgorde op dezelfde momenten na het ontstaan van de schade in het hoofd. De klinische presentatie van kinderen met een toegebracht (schedel)hersenletsel kan variëren. Minss (2004) onderscheidt 4 verschijningsvormen van toegebracht (schedel)hersenletsel met verschillende verschijnselen.
Bij [slachtoffer] lijkt sprake te zijn van de subacute vorm, zoals beschreven door Minns, gecompliceerd door het optreden van epileptische activiteit (insulten).
Vraag: Is er een correlatie tussen de mate van schudden en de ernst van de acute verschijnselen (hersenletsel, fracturen, bloedingen) ? Is er een correlatie tussen de mate van schudden en de snelheid waarmee de verschijnselen zich voordoen? Is er een correlatie tussen de mate van schudden en de ernst van de restverschijnselen?
Antwoord: Bij de beantwoording wordt er van uitgegaan dat met 'de mate van schudden' bedoeld wordt de heftigheid van schudden. De heftigheid van schudden wordt bepaald door de snelheid van het schudden (het aantal uitslagen per seconde en daarmee de mate van acceleratie/deceleratie, waarbij de uitslag loopt van de kin tegen de borst tot het achterhoofd tegen de. wervelkolom), de krachten, die vrijkomen bij het contact met de rug en de borstkas, en de tijdsduur van het schudden (het aantal seconden). In de literatuur wordt gesteld dat schudden dat tot schade aanleiding geeft minimaal bestaat uit een cyclus van een aantal uitslagen per seconde gedurende een aantal seconden.
Schudden kan schade veroorzaken en schade door schudden, kan leiden tot klinische verschijnselen. Hierbij moet sprake zijn van heftig schudden. In het algemeen geldt dat hoe heftiger het schudden, des te groter de kans op het ontstaan van ernstige schade. Hoe ernstiger de schade, des te groter de kans op het ontstaan van ernstige klinische verschijnselen. Als klinische verschijnselen optreden, deze direct aansluitend aan een incident zullen optreden, waarbij aangetekend moet worden dat een continuüm van verschijnselen bestaat, variërend van het aanwezig zijn van nauwelijks waarneembare klinische verschijnselen tot de meest ernstige verschijnselen, inclusief direct overlijden of overlijden na verloop van tijd. Hoe ernstiger de initiële schade, des te groter de kans op het ontstaan van ernstige restschade en daarmee op ernstige restverschijnselen. Dit geldt alleen als geen sprake is van het optreden van complicaties, zoals, epileptische activiteit of een status epilepticus, bij een kind met initieel minder ernstige schade. Een dergelijke complicatie kan aanleiding geven tot het ontstaan van ernstige restschade bij een kind met initieel minder ernstige schade.
Vraag: Kunnen deze krachten, zoals ouders stellen, veroorzaakt worden door ziekenhuispersoneel tijdens medische handelingen?
Antwoord: In de literatuur zijn een aantal medische handelingen beschreven die geleid hebben tot het ontstaan van metafysaire hoekfracturen. Dit betrof nooit situaties waarin sprake was van de normale verzorging en hantering van een kind of van veel voorkomende handelingen als infuus prikken of bloedafname.
4.
De verklaring van de deskundigeR.A.C. Bilo , forensisch arts bij het Nederlands Forensisch Instituut.
Deze deskundige heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 mei 2015 verklaard – zakelijk weergegeven – :
Bij toegebracht (schedel)hersenletsel zijn er vier vormen van letsel die niet dezelfde verschijningsvorm hebben. De vier verschijningvormen vallen uiteen in een hyperacuut type, een acuut type, een subacuut type en een chronisch type. Bij de eerste twee typen zijn de kinderen direct slecht. Bij het derde type kan er tussen het moment van het trauma en het ontstaan van ernstige klinische verschijnselen een periode van goed functioneren zitten, terwijl je wel afwijkingen aan kunt treffen.
Ik denk dat er bij [slachtoffer] sprake was van de subacute vorm, gecompliceerd door de epilepsie en de status epilepticus.
De verschijnselen bij [slachtoffer] , zoals het slap zijn en bleek zien, zouden achteraf gezien de klinische verschijnselen zijn die horen bij toegebracht schedelhersenletsel, terwijl er niet direct ernstige afwijkingen te zien waren. Het klopt dat er bij [slachtoffer] sprake was van een subacuut type waarbij niet direct ernstige verschijnselen optreden, maar er een continuüm van verschijnselen bestaat.
Als zich bij de subacute vorm een complicatie voordoet, ontstaat er ernstige schade.
5.
Een geschrift, zijnde een "rapport forensische kindergeneeskunde NFI zaaknr.2013.02.01.025.001", ingekomen d.d. 23 maart 2017, opgemaakt en ondertekend door neonatoloog, hoogleraar neonatologie Erasmus MC, Rotterdam, I.K.M. Reiss , rapporteur. Dit rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – :
Vraag: Kunnen aangeboren (genetische) of verworven (door het gebruik van paroxetine tijdens de zwangerschap) aandoeningen worden uitgesloten als verklaring voor de afzonderlijke afwijkingen die zijn geconstateerd bij [slachtoffer] (geboren op 1 november 2012) bij onderzoek op en na 28 november 2012, te weten:
- afwijkingen in het hoofd (intracraniele afwijkingen, subduraal/subarachnoidaal bloed en ernstige
encephalopathie);
- retinabloedingen;
- metafysaire hoekfracturen;
- epileptische aanvallen;
- ademhalingsproblemen.
Antwoord: Voor iedere afwijking afzonderlijk kan ik niet volledig uitsluiten dat een genetische afwijking een verklaring vormt. Op basis van het rapport heb ik geen specifieke aanwijzingen die een genetische afwijking ondersteunen.
Vraag: Kunnen aangeboren (genetische) of verworven (door het gebruik van paroxetine tijdens de zwangerschap) aandoeningen worden uitgesloten als verklaring voor de combinatie van bevindingen zoals zijn aangetroffen bij [slachtoffer] bij onderzoek op en na 28-11-2012.
Antwoord: Op basis van de beschreven bevindingen past deze combinatie van symptomen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bij het gevolg van een of meerdere traumata en niet bij een genetische aandoening of gebruik van paroxetine. De redenen hiervoor zijn als volgt: bij het kind zijn tot de opname geen afwijkingen gezien en er is een duidelijke samenhang in de tijd tussen de val en het optreden van de symptomen zoals hersenbloeding, epilepsie en ademhalingsproblemen (die passen bij epilepsie). Voor een genetische oorzaak van de fracturen is geen aanwijzing gevonden bij de skeletstatus.
6.
Een geschrift, zijnde een rapport "Antwoorden op nadere vragen van het Openbaar Ministerie", d.d. 17 september 2017, opgemaakt en ondertekend door neonatoloog, hoogleraar neonatologie Erasmus MC, Rotterdam, I.K.M. Reiss , rapporteur. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :
Brengen de bevindingen van prof. Baas een wijziging aan in uw oordeel dat er geen specifieke aanwijzingen zijn die een genetische afwijking ondersteunen?
Er is onderzoek gedaan bij kinderen van moeders die tijdens de zwangerschap paroxetine gebruikt hebben. De conclusie van een artikel is 'dat behandeling van de moeder met SSRI's (de groep van geneesmiddelen waartoe paroxetine behoort) de functie van de bloedplaatjes niet vermindert. Samenvattend is er geen overtuigend bewijs dat SSRI gebruik door de moeder tijdens de zwangerschap een verhoogd risico op hersenbloedingen bij het kind veroorzaakt.
Het is mogelijk, dat bij het genotype van [slachtoffer] deze functie wel afwijkend zou zijn in combinatie met het gebruik van paroxetine. Dit vormt een mogelijke verklaring voor een verhoogde bloedingsneiging bij een trauma, maar niet voor de metafysaire hoekfracturen.
Mijn oordeel verandert daarom niet: ik kan een genetische oorzaak voor de afzonderlijke afwijkingen niet uitsluiten, maar acht een genetische oorzaak voor de combinatie van afwijkingen onwaarschijnlijk.
Welke klinische verschijnselen treden doorgaans op nadat sprake is geweest van een schudincident?
Na een schudincident kunnen veel verschillende symptomen optreden. Een belangrijk aspect is de neurologische status. Deze kan variëren van normaal, tot aspecifieke neurologische afwijkingen zoals overgeven of wisselend bewustzijn, of coma, of apneus (tijdelijk stoppen met ademhalen) of langzamere hartslag, zo ernstig dat reanimatie nodig kan zijn. Ook agitatie kan optreden. Hiernaast worden bloedingen, in het netvlies (retinabloedingen) vaak beschreven. Verder worden ribfracturen en fracturen van de lange botten beschreven, evenals schade aan de nekwervels.
Wat is volgens u het moment waarop deze ernstige klinische verschijnselen zich zullen voordoen nadat zich een schudincident heeft voorgedaan?
Na een schudincident kunnen de verschijnselen direct optreden of met enige vertraging (enkele uren tot maximaal dagen), afhankelijk van het patroon van letsel.
7.
Een geschrift, zijnde een rapport van de Divisie Biomedische Genetica van het UMC Utrecht, d.d. 14 juni 2018, opgemaakt en ondertekend door klinisch geneticus, dr. E.H. Brilstra en klinisch geneticus, dr. R. Oegema , rapporteurs. Dit rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
U vraagt of de bij [slachtoffer] aangetroffen combinatie van letsels, aandoeningen, c.q. afwijkingen een genetische oorzaak hebben.
Concluderend hebben wij geen aanwijzingen dat de combinatie van letsels, aandoeningen c.q. afwijkingen bij [slachtoffer] passen bij een bekende genetische aandoening of oorzaak en is er naar onze mening geen indicatie voor verdere genetische diagnostiek.
8.
De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van d.d. 9 mei 2019, verklaard – zakelijk weergegeven –:
Ik was op 28 november 2012 alleen thuis met de twee jongens (het Hof begrijpt: te Den Haag). Ik zat met de jongen (het hof begrijpt: [betrokkene 2] ), die in de stoel zat, een beetje te spelen. De andere jongen (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) lag links te slapen, ik had hem een flesje gegeven. Hij had dat snel opgedronken. De kleine jongen ging huilen. Voordat de oudste ook zou gaan huilen, heb ik de kleine jongen opgepakt. Ik had hem op mijn arm. Toen ben ik gestruikeld en gevallen met de jongen in mijn armen.
Mijn vrouw kwam 5 à 10 minuten na de val thuis.”
7. Voorts heeft het hof het volgende overwogen (onderstreept, cursief en vetgedrukt in het origineel):

Bewijsoverwegingen
Inleiding
De verdachte in deze strafzaak is de vader van [slachtoffer] . [slachtoffer] is geboren op 1 november 2012. Hij is enkele weken na zijn geboorte ernstig gehandicapt geraakt door (complicaties bij) bloedingen in zijn hoofd. Bij onderzoek bleek [slachtoffer] , behalve hersenletsel, ook diverse andere letsels te hebben. Het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel heeft het Sophia Kinderziekenhuis aanleiding gegeven om een melding van een vermoeden van kindermishandeling te doen bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. Deze melding heeft geleid tot een aangifte bij de politie.
Feiten
Het hof stelt met de rechtbank de volgende feiten vast.
Op 28 november 2012 kwam [slachtoffer] om 20:10 uur aan op de spoedeisende hulp in het Juliana Kinderziekenhuis. [slachtoffer] was op dat moment nog geen maand oud. De reden van het bezoek was omschreven als trauma capitis, ofwel een hoofdtrauma. Aanleiding van de opname van [slachtoffer] in het Juliana Kinderziekenhuis was een incident dat heeft plaatsgevonden op 28 november 2012.
Bij lichamelijk onderzoek werd een rustige, alerte baby gezien. Er werden geen aanwijzingen gezien voor neurologische problematiek. Tijdens de klinische controles werden geen bijzonderheden waargenomen, behalve dat [slachtoffer] bleek was, matig dronk en slap was. De volgende ochtend, op 29 november 2012 om 9:15 uur, werd [slachtoffer] onderzocht door de kinderneuroloog van het Juliana Kinderziekenhuis. Deze kinderneuroloog zag een apathisch, bleek kind met een soepele fontanel en enige hypotonie (verlaagde spierspanning). Op de echo werd een beeld gezien passend bij subduraal bloed. Vanwege deze bevindingen werd besloten een CT-scan te maken van het hoofd van [slachtoffer] . Hierop werd een subdurale bloeding waargenomen.
Na dit onderzoek ontwikkelde [slachtoffer] perioden met versnelde hartactie, verlies van spierspanning en verminderde ademhalingsfrequentie met wisselende zuurstofverzadiging in het bloed. Toegediende anti-epileptische medicatie bleek niet effectief. Uiteindelijk werd overgegaan tot intubatie. Volgens het Juliana Kinderziekenhuis bleek sprake van een posttraumatische status epilepticus. [slachtoffer] werd overgeplaatst naar het Sophia Kinderziekenhuis (Erasmus Medisch Centrum) te Rotterdam. Ondanks een verhoging van de dosering had de medicatie nauwelijks effect op de epilepsie.
Op 29 november 2012 werden door de oogarts in het linkeroog van [slachtoffer] veel bloedingen over het netvlies gezien, in het rechteroog werden geen afwijkingen geconstateerd.
Op 2 en 3 december 2012 bleek [slachtoffer] in een diepe coma.
Op 4 december 2012 werd bij echo-onderzoek van het hoofd van [slachtoffer] een subdurale vochtophoping gezien met aanwijzingen voor zuurstoftekort van de hersenschors. Op de MRI-scan van het hoofd van 6 december 2012 werden aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van subarachnoïdaal bloed en van beschadiging door zuurstoftekort aan het hersenweefstel.
Voorts waren er op 12 december 2012 bij röntgenopnamen in totaal 11 fracturen te zien, onder meer:
- Fractuur rechterarm (fractuur 2);
- Fractuur rechterbeen (fractuur 6 en 7);
- Fractuur linkerbeen (fractuur 9).
Fractuur 9 en mogelijk 2, 6 en 7 zijn ontstaan in de periode rondom het incident van 28 november 2012.
Op 24 december 2012 werd opnieuw een CT-scan gemaakt. Hierop werd een vrijwel volledige verdwijning van het hersenweefsel gezien, passend bij een hersenbeschadiging op basis van zuurstofgebrek.
De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft verklaard dat hij in de middag van 28 november 2012 belast was met de zorg over [slachtoffer] en [betrokkene 2] , de zwaar gehandicapte broer van [slachtoffer] . Zijn partner bracht en haalde die dag de andere kinderen naar en van de locaties waar zij activiteiten hadden. Gedurende enige tijd was hij in de namiddag alleen met zijn zoons [betrokkene 2] en [slachtoffer] . De verdachte heeft verklaard in dit tijdsbestek onder meer [slachtoffer] een flesje te hebben gegeven, welk flesje [slachtoffer] snel had opgedronken.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte het volgende verklaard. Omdat [slachtoffer] ging huilen heeft hij, ter voorkoming dat ook [betrokkene 2] zou gaan huilen, [slachtoffer] opgepakt en is met hem in de richting van het verschoningsbed gelopen. Op dat moment raakte [betrokkene 2] in paniek. De verdachte heeft zich daarop omgedraaid, waarna hij struikelde over een luchtbed waaraan een slaapzak vast zat, welke op de grond lag. Over de val heeft de verdachte voorts verklaard dat hij [slachtoffer] vast hield tegen zijn borst, dat hij zijn handen, bij het hoofd en de billen van [slachtoffer] vasthield, en dat hij tijdens de val op zijn zij is gedraaid en op zijn arm is gevallen. De verdachte denkt dat [slachtoffer] licht met zijn hoofd op de grond is gevallen, omdat hij zijn nekje beet had. Na de val heeft hij geprobeerd [slachtoffer] de fles te geven, maar dat ging matig. Vervolgens is de partner van de verdachte thuis gekomen, ongeveer 5 tot 10 minuten nadat hij was gevallen met [slachtoffer] .
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.
Daartoe heeft de raadsman primair aangevoerd dat onvoldoende vast staat dat sprake is van toegebracht niet-accidenteel letsel, nu voldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een genetische aandoening dan wel een aangeboren afwijking veroorzaakt door het gebruik van het middel, paroxetine door de moeder tijdens de zwangerschap van [slachtoffer] . Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, indien sprake is van toegebracht letsel, niet kan worden vastgesteld wie het letsel heeft veroorzaakt, nu niet vast staat wanneer het letsel is toegebracht. Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat niet duidelijk is door welke handelingen, het letsel is ontstaan, zodat geen oordeel gegeven kan worden over de vraag of sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet.
De beoordeling van de verweren van de verdediging
1. Zijn de letsels bij [slachtoffer] ontstaan als gevolg van een niet-accidenteel trauma?
Zoals hierboven aangegeven, beantwoordt de verdediging deze vraag ontkennend en stelt hiertoe dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een genetische aandoening dan wel een aangeboren afwijking, veroorzaakt door het gebruik van het middel paroxetine door de moeder tijdens de zwangerschap van [slachtoffer] .
Het hof overweegt op grond van het verhandelde ter terechtzitting hiertoe als volgt.
In deze strafzaak zijn naar het oordeel van het hof de volgende vier voornoemde bij [slachtoffer] opgetreden letsels van belang, te weten de subdurale bloedingen in het hoofd, de hersenbeschadiging op basis van zuurstofgebrek (de encefalopathie), de metafysaire hoekfracturen en de bloedingen op het netvlies van het linkeroog (retinabloedingen).
Letsels kunnen zijn ontstaan door lichamelijke oorzaken of door een trauma. Een trauma kan weer voortkomen uit een accidenteel trauma (een val of ongeluk) of uit een niet-accidenteel trauma (schudden van het kind of stompen tegen het hoofd). Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de bij [slachtoffer] geconstateerde letsels in onderlinge samenhang bezien, zijn veroorzaakt door een niet- accidenteel trauma.
Het oordeel van het hof omtrent deze vraag is gestoeld op de rapporten en conclusies van onder meer de deskundige dr. R.A.C. Bilo (hierna: Bilo ) en de deskundigen dr. R. Oegema (hierna: Oegema ) en dr. E.H. Brilstra (hierna: Brilstra ). De verdediging heeft ten aanzien van de rapporten van deze deskundigen het standpunt ingenomen dat deze niet voor het bewijs gebruikt mogen worden.
Met betrekking tot de rapportages van Bilo heeft de verdediging gesteld dat de inhoud van deze rapporten niet alleen achterhaald, maar ook op onderdelen onjuist is gebleken. Het hof overweegt hieromtrent dat hetgeen de verdediging ter onderbouwing van deze stelling heeft aangevoerd, feitelijke grondslag mist. Dit verweer wordt dan ook verworpen.
Met betrekking tot het rapport van de deskundige Oegema en Brilstra d.d. 14 juni 2018 heeft de verdediging aangevoerd dat de verslaggeving niet voldoet aan, de wettelijke vereisten, nu uit het door hen opgestelde rapport niet volgt op welke stukken zij zich baseren, welke methoden zijn gebruikt en wat de betrouwbaarheid van die methoden is.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Op 27 maart 2018 zijn door de raadsheer-commissaris overeenkomstig de artikelen 420 jo 316 jo 227 en volgende Sv, Oegema , klinisch geneticus, gespecialiseerd in neurogenetica en in het bijzonder aangeboren hersenafwijkingen en epilepsie en Brilstra , klinisch geneticus, gespecialiseerd in neurogenetica en epilepsiegenetica, als deskundigen benoemd, met de opdracht gezamenlijk onderzoek, te verrichten. Een lijst van aan de deskundigen toegezonden stukken is als bijlage gevoegd bij beide benoemingsbesluiten.
Artikel 511 lid 1 Sv Pro schrijft voor dat de deskundige aan zijn opdrachtgever een met redenen omkleed verslag uitbrengt. De deskundige dient daarbij zo mogelijk aan te geven welke methode er is toegepast, in welke mate deze methode en de resultaten daarvan betrouwbaar kunnen worden geacht en welke bekwaamheid de deskundige heeft bij de toepassing van de methode. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het begrip 'methode' daarbij niet te strikt als bepaald wetenschappelijk onderzoek dient te worden uitgelegd, maar dat ook een vast aanvaarde werkwijze daaronder kan vallen. In sommige gevallen zal het niet mogelijk zijn een specifieke methode aan te geven, bijvoorbeeld wanneer het gaat om kennis die gebaseerd is op een brede ervaring op een bepaald terrein.
In de onderhavige zaak hebben de deskundigen de opdracht gekregen om de vraag te beantwoorden of de bij [slachtoffer] aangetroffen combinaties van letsels, aandoeningen, c.q. afwijkingen een genetische oorzaak hebben. Zij hebben aangegeven op welke wijze zij hun onderzoek hebben verricht. Blijkens het deskundigenverslag hebben zij daartoe de beschikbare medische gegevens van [slachtoffer] , aanvullende medische gegevens inclusief de stamboom uit het klinisch genetische dossier van kinderarts/klinisch geneticus [betrokkene 7] , en de medische literatuur en databases geraadpleegd. Zij hebben beiden onafhankelijk van elkaar, een klinisch genetische differentiaal diagnose opgesteld, op basis van parate kennis en gebruikmakend van medische literatuur en databases. In het verslag hebben zij tevens vermeld dat bij de beoordeling onder meer rekening is gehouden met de leeftijd van presentatie, het type bloedingen, de aan- of afwezigheid van andere verschijnselen, de overervingswijze en de al eerder verrichte onderzoeken.
Het hof is van oordeel dat met deze verantwoording het verslag met redenen omkleed is en voldoet aan het bepaalde in artikel 511 lid 1 Sv Pro. Het hof verwerpt dan ook dit verweer.
Het hof heeft ten aanzien van de vraag of de letsels bij [slachtoffer] zijn ontstaan als gevolg van niet-accidentieel trauma eveneens acht geslagen op de bevindingen van Prof. dr. I.K.M. Reiss (hierna: Reiss ). Deze deskundige kan een genetische oorzaak voor iedere afwijking afzonderlijk niet uitsluiten. Echter, de combinatie van de symptomen past volgens Reiss met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bij het gevolg van een of meerdere traumata en niet bij een genetische aandoening of gebruik van paroxetine. De reden hiervoor omschrijft Reiss als volgt
: "bij het kind zijn tot de opname geen afwijkingen gezien en er is een duidelijke samenhang in de tijd tussen de val en- het optreden van de symptomen zoals hersenbloeding, epilepsie en ademhalingsproblemen (die passen bij epilepsie)."Voorts stelt Reiss dat voor een genetische oorzaak van de fracturen geen aanwijzing is gevonden bij de skeletstatus. Ook stelt Reiss dat er geen overtuigend bewijs is dat SSRI (de groep van geneesmiddelen waartoe paroxetine behoort), gebruik door de moeder tijdens de zwangerschap een verhoogd risico op hersenbloedingen bij het kind veroorzaakt. Het genotype van [slachtoffer] in combinatie met het gebruik van paroxetine is een mogelijke verklaring voor een verhoogde bloedingsneiging bij een trauma, maar is geen verklaring voor de metafysaire hoekfracturen.
Ook de klinisch genetici Oegema en Brilstra concluderen dat zij geen aanwijzingen hebben dat de combinatie van letsels, aandoeningen c..q. afwijkingen bij [slachtoffer] passen bij een bekende genetische aandoening of oorzaak. Zij stellen dat de hypothese dat het SLC6A4-genotype in combinatie met het paroxetine gebruik van moeder tijdens de zwangerschap verklarend kan zijn vanuit reguliere klinisch genetische diagnostiek, niet is te onderbouwen.
Bilo concludeert in zijn rapport van 11 december 2013 dat aandoeningen (aangeboren of verworven) en een geboortetrauma op basis van de bevindingen bij medisch onderzoek zijn uitgesloten als verklaring voor de afzonderlijke afwijkingen en om die reden ook als verklaring voor de combinatie daarvan.
Bilo stelt tevens dat er geen enkele lichamelijke aandoening (aangeboren of verworven) bestaat, waarbij de combinatie van bevindingen voorkomt, die bij [slachtoffer] op en na 28 november 2012 is vastgesteld. Ten slotte concludeert hij dat de combinatie van bevindingen bij [slachtoffer] zeer veel waarschijnlijker is bij een trauma met een niet-accidentele toedracht dan bij een trauma met een accidentele toedracht.
Op grond van de bevindingen van voornoemde deskundigen acht het hof de mogelijkheid dat een genetische aandoening dan wel een aangeboren afwijking veroorzaakt door het gebruik van het middel paroxetine door de moeder tijdens de zwangerschap van [slachtoffer] bij [slachtoffer] de combinatie van letsels heeft veroorzaakt dermate onwaarschijnlijk dat daarvan niet wordt uitgegaan. Het hof overweegt dat deze bevindingen de diverse aannames van de verdediging – leidend tot de stelling van de verdediging dat "sprake is van meer dan genoeg (medische) bevindingen die de conclusie van toegebracht letsel ontzenuwen dan wel ontkrachten" – weerleggen, zodat deze geen afzonderlijke bespreking meer behoeven.
Het hof is dan ook van oordeel dat de letsels bij [slachtoffer] zijn ontstaan als gevolg van een niet-accidenteel trauma en verwerpt derhalve het verweer.

2. Is de verdachte degene die het letsel heeft toegebracht?

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – subsidiair gesteld dat, wanneer wel sprake is van toegebracht letsel, niet kan worden vastgesteld, wie het letsel heeft veroorzaakt, nu niet vast staat wanneer het letsel is toegebracht. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het onmogelijk is dat kort voor de opname van [slachtoffer] op de spoedeisende hulp een schudincident heeft plaatsgevonden, nu [slachtoffer] bij die opname rustig en alert was en normaal functioneerde. Volgens de verdediging kan op basis van studies naar de tijdsduur tussen een traumatisch incident en het ontstaan van klinische verschijnselen bij toegebracht ernstig hersenletsel, worden geconcludeerd dat het traumatische incident juist voor (te weten in een tijdsduur van seconden) het ontstaan van de klinische verschijnselen moet hebben plaatsgevonden.
Het hof overweegt dat deze aanname van de verdediging wordt weerlegd door de bevindingen en conclusies van het rapport van de deskundige Bilo . Deze deskundige beschrijft diverse verschijningsvormen van toegebracht hersenletsel en stelt dat bij [slachtoffer] sprake was van een subacuut type, waarbij niet direct ernstige verschijnselen optreden, maar er een continuüm van verschijnselen bestaat.
Het Hof merkt in dit verband ook op dat uit de verklaring van de deskundige Bilo ter terechtzitting in eerste aanleg blijkt dat er sprake kan zijn van het ontbreken van directe (ernstige) klinische verschijnselen, terwijl er toch sprake kan zijn van toegebracht hersenletsel (zogenaamde secundaire schade).
Het hof stelt vast, op grond van de verklaring van de verdachte in samenhang met de verklaring van zijn toenmalige partner, dat er op 28 november 2012 in de namiddag een incident met [slachtoffer] heeft plaatsgevonden, door de verdachte omschreven als een valpartij, terwijl de verdachte alléén met [slachtoffer] (en diens gehandicapte oudere broer [betrokkene 2] ) thuis was. Voordien was geen sprake van (ernstig) letsel bij [slachtoffer] , daarna was dat, in toenemende mate, wel het geval.
Het hof stelt tevens vast dat niet is gebleken van aanwijzingen dat zich een of meerdere gedragingen hebben voorgedaan, voorafgaand dan wel na het incident met de verdachte en [slachtoffer] in de middag van 28 november 2012, die het geconstateerde toegebrachte hersenletsel bij [slachtoffer] hebben kunnen veroorzaken.
Nu van een andere oorzaak van het ontstaan van de combinatie van letsels dan voormeld incident niet is gebleken, acht het hof de verdachte verantwoordelijk voor de aan [slachtoffer] toegebrachte combinatie van letsels.
Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de combinatie van letsels is toegebracht door het incident dat de verdachte met [slachtoffer] had.
Het hof acht de verklaring van de verdachte dat het incident met [slachtoffer] een val betrof, niet geloofwaardig. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen het hof bij de bespreking van het primaire verweer heeft geoordeeld, te weten dat de letsels bij [slachtoffer] zijn ontstaan als gevolg van een niet-accidenteel trauma.
Het hof verwerpt het verweer.

3. Opzet

Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat niet duidelijk is door welke handelingen het letsel is ontstaan, zodat geen oordeel gegeven kan worden over de vraag of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.
Het hof overweegt dat Bilo heeft geconcludeerd dat er bij [slachtoffer] sprake is van klinische verschijnselen, die passen bij een ernstige beschadiging van het hersenweefsel. Over de onderliggende oorzaak voor het ontstaan van de afwijkingen in het hoofd van [slachtoffer] heeft hij verklaard dat een ernstige encefalopathie, zoals bij [slachtoffer] aangetroffen in het hoofd, kan optreden bij een repeterend accelaratie-deceleratietrauma, bij een impacttrauma of bij een combinatie van beide mechanismen. Subdurale bloedingen en de encefalopathie, zoals beide aangetroffen bij [slachtoffer] , passen ook bij een repeterend acceleratie-deceleratietrauma, bij een impacttrauma of bij een combinatie van beide typen traumata.
Tevens heeft Bilo geconcludeerd dat de krachten die zijn gebruikt, vele malen de krachten overschrijden die tijdens, de normale omgang met en verzorging, van kinderen optreden. Hieruit volgt dat de door de verdachte gepleegde handelingen, met kracht zijn uitgevoerd.
Het hof overweegt voorts dat Bilo in zijn rapport van 11 december 2013 concludeert, dat het aantreffen van de metafysaire hoekfracturen bij [slachtoffer] zeer veel waarschijnlijker is bij een trauma met een niet-accidentele toedracht dan bij een trauma met een accidentele toedracht of bij normaal uitgevoerde verzorgingshandelingen of handelingen door medisch personeel. In zijn rapport van 13 mei 2015 schrijft Bilo voorts dat in de literatuur een aantal medische behandelingen is beschreven die hebben geleid tot het ontstaan van metafysaire hoekfracturen, maar dat dit nooit situaties betroffen waarin sprake was van een normale verzorging en hantering van een kind of van veel voorkomende handelingen, zoals het prikken van een infuus of het afnemen van bloed.
Het hof oordeelt, gelet op onder meer de bevindingen van Bilo , dat het letsel bij [slachtoffer] in beginsel zowel kan passen bij een repeterend acceleratie-deceleratietrauma, een impacttrauma of bij een combinatie van beiden. De aard van het letsel en de overige bevindingen in het dossier brengt het hof echter tot het oordeel dat het door de verdachte heftig heen en weer schudden, van [slachtoffer] de (exclusieve) oorzaak van het bij [slachtoffer] vastgestelde letsel is. Het is naar het oordeel van het hof noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk geworden dat het letsel van [slachtoffer] is ontstaan door een impacttrauma bestaande uit slaan, duwen of gooien tegen een hard voorwerp. Voor wat betreft het 'duwen' merkt het Hof op dat dit niet passend is bij de conclusie van de deskundige Bilo . Het hof acht voorts het slaan of gooien tegen een hard voorwerp niet aannemelijk. Nu dit, gelet op de inwendige letsels, met kracht zou moeten zijn gebeurd had dit ook uitwendig letsel moeten opleveren, veel meer of in ernstiger vorm dan thans bij [slachtoffer] is aangetroffen.
Vervolgens dient het hof vast te stellen of bij de verdachte door dit handelen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood (primair) dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (subsidiair).
Om tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag te komen, dient het hof vast te stellen dat de opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer] was gericht. Het hof is allereerst van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet kan worden afgeleid dat de verdachte 'vol' opzet had, opzet in onvoorwaardelijke vorm, op het doden van [slachtoffer] . Vervolgens is de vraag aan de orde of bij de verdachte sprake is geweest van opzet in voorwaardelijke vorm.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zou intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal dan moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat de verdachte die aanmerkelijke kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard. Bepaalde gedragingen, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaalde gevolg dat – behoudens contra-indicaties – daaruit volgt dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.
Het hof is van oordeel dat de kans dat een baby van enkele weken oud door een ernstig toegebracht trauma aan het hoofd, te weten een repeterend acceleratie-deceleratie trauma, komt te overlijden naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij een baby van die leeftijd de schedel nog niet volgroeid en uitgehard is en dat als gevolg daarvan het hoofd bijzonder kwetsbaar is. Daarnaast is een baby sowieso kwetsbaar en dient met de grootst mogelijke voorzichtigheid te worden behandeld. De bewezenverklaarde handelingen brengen naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans met zich dat een baby hierdoor zodanig letsel oploopt dat deze daaraan overlijdt. Bij [slachtoffer] was sprake van potentieel dodelijk letsel. Zijn situatie was levensbedreigend tijdens de opname in het Juliana Kinderziekenhuis en het Erasmus Medisch Centrum/Sophia Ziekenhuis, welke omstandigheid geleid heeft tot een niet-reanimeren beleid in verband met de sombere prognose. Niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] alsnog zal overlijden als gevolg van complicaties die na verloop van tijd door de ernstige hersenbeschadiging kunnen optreden.
Het hof is dan ook van oordeel dat de gedragingen van de verdachte een aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] opleverden. Gelet op de aard en ernst van deze gedragingen concludeert het hof dat de verdachte deze aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard. Aldus was bij de verdachte sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] .
Het hof verwerpt dan ook het verweer en acht, anders dan de advocaat-generaal, het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.”
8. Het
eerste middelklaagt dat het hof de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat hij met [slachtoffer] in zijn armen is gestruikeld en gevallen, tot het bewijs heeft gebezigd, terwijl het hof in zijn arrest heeft overwogen en geoordeeld dat het deze verklaring niet aannemelijk geworden acht en dat niet is gebleken van aanwijzingen dat zich een of meerdere gedragingen hebben voorgedaan met de verdachte en [slachtoffer] in de middag van 28 november 2012 die het geconstateerde hersenletsel bij [slachtoffer] hebben kunnen veroorzaken. Volgens de steller van het middel is daarmee het arrest, althans de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed.
9. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof heeft vastgesteld dat niet is gebleken van aanwijzingen dat zich een of meerdere gedragingen hebben voorgedaan met de verdachte en [slachtoffer] in de middag van 28 november 2012 die het geconstateerde hersenletsel bij [slachtoffer] hebben kunnen veroorzaken, berust het op een verkeerde lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft immers vastgesteld dat niet is gebleken van aanwijzingen dat zich een of meerdere gedragingen hebben voorgedaan,
voorafgaand dan wel na het incidentmet de verdachte en [slachtoffer] in de middag van 28 november 2012, die het geconstateerde toegebrachte hersenletsel bij [slachtoffer] hebben kunnen veroorzaken. Het hof gaat er daarmee vanuit dat die middag juist wél gedragingen hebben plaatsgevonden die de letsels bij [slachtoffer] hebben kunnen veroorzaken.
10. Daarmee resteert de klacht dat het hof de verklaring van de verdachte dat hij met [slachtoffer] in zijn armen is gestruikeld en gevallen, tot het bewijs heeft gebezigd, terwijl het hof deze verklaring niet aannemelijk geworden acht.
11. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat op grond van art. 359, derde lid, Sv de beslissing dat een feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de in de uitspraak weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Indien de bewijsconstructie feiten en omstandigheden bevat die niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring, hetgeen ook het geval is indien een bewijsmiddel strijdig is met de bewezenverklaring, dreigt cassatie. [1] Dat kan anders zijn indien het niet-redengevende gedeelte van ondergeschikte betekenis is of is bedoeld als inleiding op een voor het overige wel redengevend bewijsmiddel. De bewijsvoering mag evenwel geen gegevens bevatten die ernstig afbreuk doen aan de begrijpelijkheid van de bewijsconstructie. Of dit ook leidt tot vernietiging van de bestreden uitspraak , hangt af van het belang dat de verdachte daarbij heeft. Als de bewezenverklaring – ook als het gebrek wordt weggedacht – zonder meer toereikend is gemotiveerd, kan vernietiging achterwege blijven. [2]
12. De in het onderhavige geval door de verdachte geschetste alternatieve lezing van het incident op 28 november 2012 – te weten dat de verdachte met [slachtoffer] in zijn armen zou zijn gestruikeld en gevallen – heeft het hof als ongeloofwaardig terzijde gesteld. Daarbij heeft het hof verwezen naar zijn eerdere oordeel dat de bij [slachtoffer] ontstane letsels zijn ontstaan als gevolg van een “
niet-accidenteel trauma” en dus niet als gevolg van een
“accidenteel trauma”, zoals een val.
13. De laatste zin van de eerste alinea van de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte luidt: “
Toen ben ik gestruikeld en gevallen met de jongen in mijn armen.” Aldus heeft het hof inderdaad een tegenstrijdigheid in de bewijsvoering teweeggebracht. In die verklaring deelt de verdachte immers mee dat hij is gestruikeld en gevallen, terwijl het hof heeft overwogen dat het de verklaring van de verdachte dat het incident met [slachtoffer] een val betrof nu juist niet geloofwaardig acht. Het middel klaagt daarover terecht.
14. Deze terecht voorgestelde klacht hoeft echter niet tot vernietiging van het bestreden arrest te leiden. Het hof heeft gemotiveerd inzicht gegeven in de gronden voor zijn oordeel dat het incident met de verdachte en [slachtoffer] op 28 november 2012 niet een val kan zijn geweest en dat het de verklaring van de verdachte in zoverre niet geloofwaardig acht. Het opnemen van dat gedeelte van de verklaring van de verdachte, is dan ook een kennelijke misslag. Met weglating daarvan is de bewezenverklaring echter nog steeds voldoende met redenen omkleed en komt aan de klacht feitelijke grondslag te ontvallen. [3] Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking de voor het bewijs gebruikte conclusies van forensisch arts KNMG Bilo in de NFI-rapportage van 11 december 2013 dat bij [slachtoffer] bij onderzoek op en na 28 november 2012 een combinatie van bevindingen is aangetroffen, waaronder afwijkingen in het hoofd, retinabloedingen (netvliesbloedingen) en metafysaire hoekfracturen, terwijl de retinabloedingen (netvliesbloedingen) bij [slachtoffer] op basis van de verspreidingen en het aantal waarschijnlijker zijn bij een niet-accidenteel dan bij een accidenteel trauma, het aantreffen van de metafysaire hoekfracturen bij [slachtoffer] zeer veel waarschijnlijker is bij een trauma met een niet-accidentele toedracht dan bij een trauma met een accidentele toedracht en ook de combinatie van bevindingen op basis van bevindingen bij wetenschappelijk onderzoek zeer veel waarschijnlijker is bij een trauma met een niet-accidentele toedracht dan bij een trauma met een accidentele toedracht. Verder passen de letsels bij een
“repeterend accelaratie-decelartietrauma”(heen en weer schudden, D.P.).
15. Het middel faalt.
16. Het
tweede middelklaagt dat het hof het door de verdediging gevoerde verweer dat het rapport van de (medisch) deskundige Bilo niet voor het bewijs had mogen worden gebruikt, onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
17. Ter terechtzitting van het hof heeft de verdediging – kort gezegd – aangevoerd dat de in eerste aanleg door de NFI-deskundige Bilo opgestelde rapportages niet gebruikt kunnen worden voor het bewijs, omdat de inhoud daarvan niet alleen is achterhaald, maar ook op onderdelen onjuist is gebleken. Ter onderbouwing daarvan is allereerst aangevoerd dat de resultaten van het genetisch onderzoek zoals (later) verricht door prof. Baas nog niet bij Bilo bekend waren, terwijl is gebleken dat die resultaten van eminent belang zijn voor de beantwoording van de vraag hoe moet worden aangekeken tegen het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel. Uit het door prof. Baas verrichte onderzoek en de conclusies die daaruit kunnen worden getrokken, kan volgens de verdediging immers worden opgemaakt dat de bloedingen waarvan bij [slachtoffer] sprake is geweest, veroorzaakt kunnen zijn door een genetisch bepaalde verhoogde bloedingsneiging. Verder is nog aangevoerd dat Bilo onvoldoende aandacht heeft besteed aan de uitspraken die de moeder van [slachtoffer] heeft gedaan kort na de bevalling en dat Bilo op het terrein van het paroxetinegebruik lang niet alle relevante literatuur tot zich heeft genomen. [4]
18. Het hof heeft naar aanleiding van het ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen standpunt van de verdediging dat de rapportages van Bilo niet voor het bewijs gebruikt mogen worden, in zijn arrest het volgende overwogen:
“Met betrekking tot de rapportages van Bilo heeft de verdediging gesteld dat de inhoud van deze rapporten niet alleen achterhaald, maar ook op onderdelen onjuist is gebleken. Het hof overweegt hieromtrent dat hetgeen de verdediging ter onderbouwing van deze stelling heeft aangevoerd, feitelijke grondslag mist. Dit verweer wordt dan ook verworpen.”
19. Het middel richt zich tegen de motivering van de verwerping van het verweer van de verdediging, nu het hof hieromtrent slechts heeft overwogen dat hetgeen de verdediging ter onderbouwing van de stelling dat de inhoud van de rapportages van Bilo niet alleen achterhaald, maar ook op onderdelen onjuist is gebleken, heeft aangevoerd feitelijke grondslag mist. Daarbij is het hof onvoldoende gemotiveerd voorbij gegaan aan het door de verdediging onderbouwde standpunt dat de letsels bij [slachtoffer] een genetische oorzaak hebben of zijn veroorzaakt door een genetische afwijking door het gebruik van het middel ‘paroxetine’ door de moeder van [slachtoffer] tijdens de zwangerschap.
20. De steller van het middel betoogt in de toelichting op het middel dat indien in feitelijke aanleg is betoogd dat een – voor de bewijsvraag essentieel te noemen – oordeel van een deskundige niet gestoeld kan zijn op voldoende deskundigheid, dan wel is bereikt door een toepassing van methoden, technieken of inzichten die in deskundige kring voor onverantwoord wordt gehouden, waarbij een beroep is gedaan op andere deskundigen die dit betoog ondersteunen, dit bij uitstek het uitzonderlijke geval vormt waarin de feitenrechter – als uitzondering op de hoofdregel dat diens oordeel betreffende de selectie en waardering van het voorhanden bewijsmateriaal geen nadere motivering behoeft – gehouden is zijn waardering van het betwiste deskundig oordeel te onderbouwen.
21. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep de inhoud van de rapportages van Bilo gemotiveerd betwist, maar anders dan de steller van het middel suggereert, kan ik uit hetgeen de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de rapportage van Bilo heeft aangevoerd, niet afleiden dat daarbij zijn deskundigheid is betwist, dan wel dat de door hem toegepaste methoden, technieken of inzichten in deskundige kring voor onverantwoord moeten worden gehouden. In zoverre was het hof dan ook niet tot een nadere motivering van de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer gehouden.
22. Voorts heeft te gelden dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering. Van zo’n bijzonder geval is sprake indien de verdediging ter terechtzitting het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt heeft ingenomen dat bepaalde rapportages en/of verklaringen niet voor het bewijs van het ten laste gelegde mogen worden gebruikt. Dit vloeit voort uit art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv. Afhankelijk van de aard en inhoud van het verweer en de mate waarin in de uitspraak van dat verweer wordt afgeweken [5] , zal de feitenrechter onder omstandigheden moeten motiveren waarom hij (toch) voor het bewijs gebruik maakt van de betreffende rapportages en/of verklaringen. Daarbij is de rechter niet gehouden op elk detail van het naar voren gebrachte standpunt uitdrukkelijk en afzonderlijk te reageren.
23. Terug naar het onderhavige geval. Door de verdediging is de stelling betrokken dat de onderzoeksresultaten van Bilo als achterhaald en op onderdelen als onjuist moeten worden beschouwd. Uit de omstandigheid dat een andere deskundige, te weten prof. Baas , (ten dele) tot andere onderzoeksresultaten komt, vloeit evenwel nog niet voort dat de onderzoeksresultaten van Bilo als achterhaald en op onderdelen als onjuist moeten worden beschouwd. Ik wijs in dit verband ook op het als bewijsmiddel 6 in de aanvulling op het bestreden arrest opgenomen rapport van hoogleraar neonatologie R.K.M. Reiss , die in reactie op de bevindingen van prof. Baas aangeeft dat deze bevindingen geen wijziging aanbrengen in zijn oordeel dat er geen specifieke aanwijzingen zijn die een genetische afwijking ondersteunen, nu hij een genetische oorzaak voor de afzonderlijke afwijkingen niet kan uitsluiten, maar hij een genetische oorzaak voor de combinatie van afwijkingen (bij [slachtoffer] ) onwaarschijnlijk acht. Gelet op het voorgaande acht ik ’s Hofs oordeel dat de onderbouwing van het verweer in zoverre feitelijke grondslag mist en moet worden verworpen, niet onbegrijpelijk en, hoewel mager, voldoende gemotiveerd. [6]
24. Ten aanzien van het verweer dat het hof niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft gerespondeerd op het door de verdediging onderbouwde standpunt dat de letsels bij [slachtoffer] een genetische oorzaak hebben of zijn veroorzaakt door een genetische afwijking door het gebruik van het middel ‘paroxetine’ door de moeder van [slachtoffer] tijdens de zwangerschap, het volgende. Ik roep in herinnering dat bij [slachtoffer] op en na 28 november 2012 een combinatie van letsels is aangetroffen, te weten afwijkingen in het hoofd (intracraniële afwijkingen: subduraal/subarachnoïdaal bloed, en ernstige encefalopathie), retinabloedingen, metafysaire hoekfracturen, epileptische aanvallen en ademhalingsproblemen. De vraag of die combinatie van de bij [slachtoffer] aangetroffen letsels heeft kunnen ontstaan vanwege een genetische afwijking of door een genetische oorzaak vanwege het gebruik van het middel ‘paroxetine’ van de moeder van [slachtoffer] tijdens de zwangerschap, is door het hof onder ogen gezien, maar − ondanks kennisneming van het rapport van prof. Baas − negatief beantwoord. Gelet op zijn bewijsvoering, acht het hof daartoe – naast de bevindingen van Bilo – (onder meer) van belang de rapporten van I.K.M. Reiss (bewijsmiddelen 5 en 6) en het rapport van de klinische genetici, dr. E.H. Brilstra en dr. R. Oegema (bewijsmiddel 7). Reiss heeft – kort gezegd – geconcludeerd dat de combinatie van de symptomen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid past bij het gevolg van één of meerdere traumata en niet bij een genetische aandoening of gebruik van paroxetine. Ook Brilstra en Oegema concluderen dat zij geen aanwijzingen hebben gevonden dat de combinatie van letsels, aandoeningen/afwijkingen bij [slachtoffer] passen bij een bekende genetische aandoening of oorzaak. Aldus is door het hof vastgesteld dat – kort gezegd – deze combinatie van letsels het gevolg is geweest van een ‘
niet-accidenteel trauma’en niet zijn veroorzaakt door een genetische aandoening óf een aangeboren afwijking veroorzaakt door het gebruik van paroxetine door de moeder van [slachtoffer] tijdens de zwangerschap. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
25. Het tweede middel faalt ook.
26. Het
derde middelklaagt over het bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van de verdachte, aangezien uit de bewijsvoering niet, althans niet zonder meer, kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte, te weten het beetpakken en beethouden en (vervolgens) met kracht heen en weer schudden, de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] oplevert.
27. Het hof heeft onder de kop
“3. Opzet”uitgebreid gemotiveerd geoordeeld dat en waarom sprake is van voorwaardelijk opzet aan de zijde van de verdachte op de dood van [slachtoffer] . [7] Het hof heeft hiertoe voor zover relevant voor de beoordeling van het middel vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] tijdens het incident op 28 november 2012 heftig heen en weer heeft geschud. De kans dat een baby van enkele weken oud door heftig heen en weer schudden komt te overlijden, acht het hof naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk. Het is volgens het hof immers een feit van algemene bekendheid dat bij een baby van die leeftijd de schedel nog niet volgroeid en uitgehard is en dat als gevolg daarvan het hoofd bijzonder kwetsbaar is. Daarnaast is een baby überhaupt kwetsbaar en dient met de grootst mogelijke voorzichtigheid te worden behandeld. De bewezenverklaarde handelingen brengen naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans met zich mee dat een baby hierdoor zodanig letsel oploopt dat deze daaraan kan komen te overlijden, aldus het hof.
28. De steller van het middel klaagt dat het hof heeft vastgesteld dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel (in ieder geval mede) is ontstaan doordat de verdachte met [slachtoffer] in zijn armen is gestruikeld en ten val is gekomen, en dat gelet hierop niet, althans niet zonder meer, kan worden gesteld dat de bewezenverklaarde handelingen, het met kracht heen en weer schudden, een aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] opleverden.
29. Ten aanzien van het eerste middel besprak ik reeds dat het hof verdachtes verklaring voor zover luidend dat hij met [slachtoffer] in zijn armen is gestruikeld en gevallen, als ongeloofwaardig terzijde heeft gesteld en dat het dat gedeelte van zijn verklaring als kennelijke misslag heeft opgenomen in de bewijsmiddelen. Het hof heeft gemotiveerd geoordeeld dat het incident dat het letsel bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt, niet bestaat uit het struikelen en vallen van de verdachte met [slachtoffer] in zijn armen, maar uit het heftig heen en weer schudden van deze baby. Het oordeel van het hof dat die gedragingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] opleveren, acht ik, mede in aanmerking genomen de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen, in onderlinge samenhang bezien, niet onbegrijpelijk en voldoende met redenen omkleed.
30. Het derde middel faalt.
31. Het eerste, tweede en derde middel falen. Het eerste en derde middel kunnen met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
32. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie voor deze en volgende opmerkingen van algemene aard A.J.A. van Dorst,
2.Zie (onder meer): HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1167,
3.Vlg. de conclusie van mijn ambtgenoot Aben, ECLI:NL:PHR:2016:45, voorafgaand aan HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:248 (art. 81 RO Pro).
4.Zie de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 23 mei 2019 gehechte pleitnotities en p. 15 -17 van het dat proces-verbaal.
5.Vlg. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
6.Vlg. HR 10 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3546,
7.Zie het arrest van het hof van 6 juni 2019, p. 10 -13.