Op 30 november 2012 ontving het AMK een melding van de arts van het Sophia Kinderziekenhuis (SKZ) te Rotterdam dat [slachtoffer] op 28 november 2012 was binnengebracht in het Juliana Kinderziekenhuis (JKZ) te 's-Gravenhage. De reden was dat vader was gevallen met [slachtoffer] op zijn arm op 28 november 2012. [slachtoffer] is door moeder en oma binnengebracht in het Juliana Kinderziekenhuis. Er is sprake van ernstig lichamelijk letsel bij [slachtoffer] , onder meer subduraal hematoom en vele bloedingen in het linkeroog. Deze letsels hebben als meest waarschijnlijke
oorzaak het schudden van de baby. Onduidelijk is gebleven waardoor dit letsel, is ontstaan. ouders hebben verklaard dat [slachtoffer] nooit zonder hun toezicht bij derden is geweest. Daardoor kan gesteld worden dat het letsel is toegebracht onder het oog en de verantwoordelijkheid van ouders.
Het AMK doet verzoek tot forensische, onderzoek om mishandeling aan te tonen dan wel uit te sluiten.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2.
Een geschrift, zijnde een rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 11 december 2013, opgemaakt en ondertekend door Forensisch arts KNMG, R.A.C. Bilo , rapporteur. Deze rapportage met bijlagen houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 184-241):
Rapportage betreffende [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012. Op 31 december 2012 werd door een medewerker van het AMK namens Bureau Jeugdzorg aangifte gedaan van zware mishandeling van een 2 maanden oude baby ( [slachtoffer] ), die op 28 november 2012 was opgenomen in het Erasmus MC – Sophie (EMC) en op het moment van de aanvraag bij het NFI verbleef in het Juliana Kinderziekenhuis te Den Haag.
De bevindingen tijdens de zwangerschap, rondom de geboorte op 01-11-12 en in de periode t/m 27-11-12
Tijdens de zwangerschap van [slachtoffer] hebben veel onderzoeken plaatsgevonden. Hierbij zijn geen aanwijzingen gevonden voor afwijkingen. Er zijn, voor zover bekend, tijdens de opname direct na de geboorte en in de periode na de geboorte bij controles en observaties door kraamzorg, huisarts, wijkverpleegkundige en verloskundige geen aanwijzingen gevonden voor aangeboren ziekelijke aandoeningen die een verklaring vormen voor de bevindingen bij medisch onderzoek op en na 28 november 2012.
Gebeurtenissen en bevindingen tijdens 1e opname in het JKZ
Moeder arriveert met [slachtoffer] op 28 november 2012 rond 20:10 uur op de SEH van het JKZ. [slachtoffer] is dan 27 dagen oud. De reden van de komst wordt door de SEH omschreven als trauma capitis. Bij lichamelijk onderzoek op de SEH wordt een rustige alerte baby gezien. Er zijn geen aanwijzingen gezien voor neurologische pathologie (aanwijzingen voor neurologische problematiek). Tijdens de klinische controles om het uur worden geen bijzonderheden waargenomen, behalve dat [slachtoffer] bleek was en matig dronk. Op 29 november 2012 rond 09.15 uur wordt [slachtoffer] onderzocht door de kinderneuroloog van het JKZ. Deze ziet een apathisch bleek kind met een soepele fontanel en enige hypotonie (verlaagde spierspanning). Er wordt besloten een echo van het hoofd te maken. Hierop wordt een beeld gezien, passend bij subduraal bloed rechts frontaal zonder massawerking. Vanwege deze bevindingen wordt besloten verder onderzoek te doen in de vorm van een CT-scan van het hoofd: subdurale bloeding aan de rechtervoorzijde zonder massawerking, verdenking op hygroom aan de linkerzijde (subdurale vochtophoping). Na dit onderzoek ontwikkelt [slachtoffer] perioden met versnelde hartactie, verlies van spierspanning en verminderde ademhalingsfrequentie met wisselende zuurstofverzadiging in het bloed. Er wordt gestart met anti-epileptische medicatie. De medicatie blijkt niet effectief.
Uiteindelijk wordt besloten om [slachtoffer] te intuberen. Er blijkt volgens het JKZ sprake van een posttraumatische status epilepticus, die niet tot zeer matig lijkt te reageren op medicatie. Er wordt om die reden besloten om [slachtoffer] over te plaatsen naar het EMG/Sophia. Bij onderzoek bij overplaatsing blijkt sprake van een bolle harde fontanel (teken van verhoogde druk in het hoofd). De conclusie van het JKZ bij overplaatsing:
- 28 dagen oude zuigeling met trauma capitis (mogelijk niet-accidenteel trauma);
- verslechterde neurologische conditie na trauma;
- posttraumatische status epilepticus.
De bevindingen tijdens de opname in het EMC/Sophia
Ook in het EMC/Sophia blijkt dat de epilepsie niet tot nauwelijks reageert op behandeling, ondanks het ophogen van de medicijnen. [slachtoffer] reageert niet of nauwelijks. Op 2 en 3 december 2012 blijkt hij in diepe coma. Op 4 december 2012 wordt bij echo-onderzoek van het hoofd een subdurale vochtophoping gezien met aanwijzingen voor ischemie (zuurstoftekort) van de cortex (hersenschors). Op de MRI van het hoofd van 4 december 2012 worden aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van subarachnoïdaal bloed én beschadiging door zuurstoftekort aan het supratentoriele hersenweefstel.
Bevindingen bij oogheelkundig onderzoek
Bevindingen bij oogheelkundig onderzoek d.d. 29 november 2012. De oogarts ziet geen afwijkingen in het rechteroog.
In het linkeroog worden veel bloedingen verspreid over het netvlies gezien.
Differentieel diagnostisch onderzoek in het EMC/Sophia
In het EMC/Sophia is uitgebreid onderzoek gedaan naar alternatieve, medische verklaringen voor de bevindingen bij [slachtoffer] op en na 28-11-2012:
Geen aanwijzingen voor problemen met de stolling, stofwisselingsziekten, infectieziekten, intoxicaties of genetische aandoeningen.
De bevindingen tijdens de 2e opname in het JKZ
In het JKZ wordt op 12 december 2012 een skeletstatus vanwege het vermoeden dat de afwijkingen die in het hoofd zijn gevonden (subdurale bloedingen, netvliesbloedingen, ernstige beschadiging van het hersenweefsel) het gevolg zijn van een niet-accidenteel trauma (=toegebracht letsel).
Op 24 december 2012 wordt een CT-scan gemaakt. Hierop wordt een vrijwel volledige atrofie c.q. destructie van hersenparenchym (verdwijnen van hersenweefsel) gezien.
Op 31 december 2012 wordt door het AMK aangifte gedaan bij de politie. Bij de aangifte is een overzicht gevoegd van botafwijkingen die tijdens de 2e opname in het JKZ zijn vastgesteld. Ook is een overzicht gegeven van de mogelijke momenten waarop/perioden waarin de fracturen zijn ontstaan. In samenhang met de afwijkingen van het hoofd (subduraal hematoom) en de retinabloeding van het linkeroog is de combinatie van bevindingen sterkt verdacht voor schudden (acceleratie-deceleratietrauma).
De afzonderlijke bevindingen
Het ontstaan van subdurale bloedingen kan, indien beoordeeld buiten de context van de andere medische bevindingen, verklaard worden op basis van zeer veel oorzaken. Deze oorzaken vallen globaal uiteen in twee groepen van oorzaken, namelijk (aangeboren of verworven) lichamelijke aandoeningen of een trauma. Er worden bij evaluatie van de bevindingen bij medisch onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van (aangeboren of verworven) aandoeningen als verklaring voor het ontstaan van de subdurale bloedingen.
De tweede groep verklaringen voor het ontstaan van subdurale bloedingen wordt gevormd door diverse vormen van trauma. Een trauma, waarbij subdurale bloedingen ontstaan, kan tijdens de geboorte optreden (geboortetrauma) of na de geboorte, waarbij sprake kan zijn van een accidenteel (bijvoorbeeld door een ongeval of val veroorzaakt) of een niet-accidenteel (door menselijk handelen of nalaten veroorzaakt) trauma. De geboorte kan bij [slachtoffer] uitgesloten worden geacht als verklaring, voor het ontstaan van de subdurale bloedingen vanwege:
- het ontbreken van klinische verschijnselen passend bij bloedingen in het hoofd in de periode na de geboorte op 1 november 2012 en voor de opname op 28 november 2012;
- de leeftijd van [slachtoffer] bij constateren van de afwijkingen: het is uitgesloten dat subdurale bloedingen, die tijdens de geboorte zijn ontstaan (en niet binnen enkele dagen, klinische verschijnselen hebben veroorzaakt) 4 weken na de geboorte nog een ernstige verslechtering van de klinische situatie veroorzaken bij een kind dat tijdens deze periode normaal gefunctioneerd heeft.
Op basis van exclusie van andere oorzaken resteert een trauma na de geboorte als verklaring voor het ontstaan van de subdurale bloedingen.
Bij [slachtoffer] is sprake van de aanwezigheid van ernstige secundaire schade door de ontwikkeling van diffuus hersenoedeem en diffuse schade van het hersenweefsel door zuurstofgebrek. De beschadigingen die als gevolg van deze mechanismen ontstaan zijn, worden verder verstrekt door de ontwikkeling van de status epilepticus.
Op basis van het voorkomen van de retinabloedingen in slechts één oog kunnen geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de oorzaak waardoor (aandoening of trauma) of de omstandigheden waaronder (in elk geval van trauma: accidenteel of toegebracht) de netvliesbloedingen zijn ontstaan. De bevindingen (de netvliesbloedingen) bij [slachtoffer] zijn op basis van de verspreidingen en het aantal echter waarschijnlijker bij een niet-accidenteel dan bij een accidenteel trauma.
De fracturen
Tijdens de opnamen in het JKZ en het EMC/Sophia zijn op verschillende momenten röntgenopnamen gemaakt, van het skelet. Op de afzonderlijke opnamen van de borstkas werd een breuk in het linker, sleutelbeen vastgesteld. Naast de breuk van het sleutelbeen zouden volgens de vertrouwensarts op de opnamen van 12 december 2012 nog 10 andere fracturen zichtbaar zijn.
Fracturen:
- fractuur rechterarm (2), fractuur rechterbeen (6 en 7) en fractuur linkerbeen (9);
- fractuur 9 en mogelijk 2, 6 en 7 in periode rond incident 28-11 ontstaan.
Het aantreffen van de metafysaire hoekfracturen bij [slachtoffer] is zeer veel waarschijnlijker bij een trauma met een niet-accidentele toedracht dan bij een trauma met een accidentele toedracht of bij normaal uitgevoerde verzorgingshandelingen of handelingen door medisch personeel.
De bevindingen in combinatie
Bij [slachtoffer] is bij onderzoek op en na 28 november 2012 de volgende combinatie van bevindingen aangetroffen:
- afwijkingen in het hoofd (intracraniele afwijkingen: subduraal/subarachnoidaal bloed, en ernstige encephalopathie);
- retinabloedingen;
- metafysaire hoekfracturen;
- epileptische aanvallen;
- ademhalingsproblemen.
Aandoeningen (aangeboren of verworven) en een geboortetrauma zijn op basis van de bevindingen bij medisch onderzoek uitgesloten als verklaring voor de afzonderlijke afwijkingen en om die reden ook als verklaring voor de combinatie. Verder geldt dat geen enkel lichamelijke aandoening bestaat, waarbij de combinatie van bevindingen voorkomt, die bij [slachtoffer] op en na 28 november 2012 is vastgesteld. Gezien het ontbreken van aanwijzingen voor een aandoening of een trauma tijdens de geboorte als verklaring voor de combinatie van bevindingen resteert een trauma, hetzij accidenteel, hetzij niet-accidenteel na de geboorte als enige verklaring. De combinatie van bevindingen bij [slachtoffer] is op basis van bevindingen bij wetenschappelijk onderzoek zeer veel waarschijnlijker bij een trauma met een niet-accidentele toedracht dan bij een trauma met een accidenteel toedracht.
Traumatische beschadigingen van hoofdhuid, schedel en schedelinhoud kunnen ontstaan als gevolg van: dynamische belasting van hoofdhuid, schedel en schedelinhoud:
- impacttrauma/contacttrauma ( 'dynamic impact loading' ) - de directe inwerking van mechanisch stomp botsend of scherp penetrerend geweld, zoals bij een klap tegen het hoofd of bij een schotwond kan optreden;- acceleratie- deceleratietrauma ('dynamic impulse loading', 'inertial trauma') - trauma door (repeterende) afwisseling van acceleratie- of deceleratiekrachten (versnelling en vertraging), zoals bij schudden kan optreden;
- combinatie van een impacttrauma met een repeterend acceleratie-deceleratietrauma.
Bij [slachtoffer] is sprake van klinische verschijnselen, die passen bij een ernstige beschadiging van het hersenweefsel. Een ernstige encephalopathie kan optreden bij een repeterend acceleratie-deceleratietrauma, bij een impacttrauma of bij een combinatie van beide mechanismen. De subdurale bloedingen en de encephalopathie kunnen passen bij een repeterend acceleratie-deceleratietrauma, bij een impacttrauma of bij een combinatie van beide typen traumata.
De prognose
Tijdens de opnames in het JKZ en het EMC/Sophia was sprake van een levensbedreigende situatie, hetgeen blijkt uit de beslissing in het EMC/Sophia om niet te reanimeren indien [slachtoffer] om welke reden dan ook reanimatiebehoeftig zou worden. Op basis van de beschrijvingen m.b.t. de ontwikkelingskansen van [slachtoffer] , de bevindingen van de kinderneuroloog in het JKZ tijdens de poliklinische controle en de bevindingen tijdens het MRI onderzoek kan worden gesteld dat [slachtoffer] zeer ernstig gehandicapt is als gevolg van traumatische beschadiging van de hersenen en dat een normale ontwikkeling definitief uitgesloten is. Overlijden op korte dan wel langere termijn als gevolg van complicaties n.a.v. de ernstige hersenschade kan echter niet uitgesloten worden geacht.
Beantwoording vraagstelling
Indien sprake is van letsel ten gevolge van enige vorm van toegepast geweld: kan er een uitspraak worden gedaan over de specifieke aard en de omvang van de kracht(en) die nodig moet(en) zijn geweest om het letsel en de klinische verschijnselen bij [slachtoffer] te veroorzaken? Deze krachten overschrijden, vele malen de krachten die tijdens de normale omgang met en verzorging van kinderen optreden.
3.
Een geschrift, zijnde een rapport "Beantwoording aanvullende vragen en reactie op deskundigen rapport", d.d. 13 mei 2015, opgemaakt en ondertekend door forensisch arts KNMG, R.A.C.
Bilo , rapporteur. Dit rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – :
Vraag: [slachtoffer] was rustig en stabiel op de SEH. Is dit overeenkomstig met symptomen direct na het schudden (met of zonder impact) van een kind?
Antwoord: Ja, dat kan. Bij kinderen met toegebracht(schedel)hersenletsel is geen sprake van het min of meer wetmatig optreden van dezelfde klinische verschijnselen in dezelfde volgorde op dezelfde momenten na het ontstaan van de schade in het hoofd. De klinische presentatie van kinderen met een toegebracht (schedel)hersenletsel kan variëren. Minss (2004) onderscheidt 4 verschijningsvormen van toegebracht (schedel)hersenletsel met verschillende verschijnselen.
Bij [slachtoffer] lijkt sprake te zijn van de subacute vorm, zoals beschreven door Minns, gecompliceerd door het optreden van epileptische activiteit (insulten).
Vraag: Is er een correlatie tussen de mate van schudden en de ernst van de acute verschijnselen (hersenletsel, fracturen, bloedingen) ? Is er een correlatie tussen de mate van schudden en de snelheid waarmee de verschijnselen zich voordoen? Is er een correlatie tussen de mate van schudden en de ernst van de restverschijnselen?
Antwoord: Bij de beantwoording wordt er van uitgegaan dat met 'de mate van schudden' bedoeld wordt de heftigheid van schudden. De heftigheid van schudden wordt bepaald door de snelheid van het schudden (het aantal uitslagen per seconde en daarmee de mate van acceleratie/deceleratie, waarbij de uitslag loopt van de kin tegen de borst tot het achterhoofd tegen de. wervelkolom), de krachten, die vrijkomen bij het contact met de rug en de borstkas, en de tijdsduur van het schudden (het aantal seconden). In de literatuur wordt gesteld dat schudden dat tot schade aanleiding geeft minimaal bestaat uit een cyclus van een aantal uitslagen per seconde gedurende een aantal seconden.
Schudden kan schade veroorzaken en schade door schudden, kan leiden tot klinische verschijnselen. Hierbij moet sprake zijn van heftig schudden. In het algemeen geldt dat hoe heftiger het schudden, des te groter de kans op het ontstaan van ernstige schade. Hoe ernstiger de schade, des te groter de kans op het ontstaan van ernstige klinische verschijnselen. Als klinische verschijnselen optreden, deze direct aansluitend aan een incident zullen optreden, waarbij aangetekend moet worden dat een continuüm van verschijnselen bestaat, variërend van het aanwezig zijn van nauwelijks waarneembare klinische verschijnselen tot de meest ernstige verschijnselen, inclusief direct overlijden of overlijden na verloop van tijd. Hoe ernstiger de initiële schade, des te groter de kans op het ontstaan van ernstige restschade en daarmee op ernstige restverschijnselen. Dit geldt alleen als geen sprake is van het optreden van complicaties, zoals, epileptische activiteit of een status epilepticus, bij een kind met initieel minder ernstige schade. Een dergelijke complicatie kan aanleiding geven tot het ontstaan van ernstige restschade bij een kind met initieel minder ernstige schade.
Vraag: Kunnen deze krachten, zoals ouders stellen, veroorzaakt worden door ziekenhuispersoneel tijdens medische handelingen?
Antwoord: In de literatuur zijn een aantal medische handelingen beschreven die geleid hebben tot het ontstaan van metafysaire hoekfracturen. Dit betrof nooit situaties waarin sprake was van de normale verzorging en hantering van een kind of van veel voorkomende handelingen als infuus prikken of bloedafname.
4.
De verklaring van de deskundigeR.A.C. Bilo , forensisch arts bij het Nederlands Forensisch Instituut.
Deze deskundige heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 mei 2015 verklaard – zakelijk weergegeven – :