Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, het onder 2 bewezenverklaarde “
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en het onder 3 bewezenverklaarde “
witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek. Daarnaast heeft het hof een inbeslaggenomen laptop en een geldbedrag van € 300.490,- verbeurdverklaard. Tot slot heeft het hof de teruggave gelast van een aantal andere goederen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
eerste middelklaagt over de motivering van de verwerping van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ten aanzien van de feiten 1 en 2 , inhoudend dat de resultaten van de enkelvoudige fotoconfrontatie in strijd met artikel 6 EVRM Pro zijn verkregen en bovendien onbetrouwbaar zijn en dat niet de verdachte maar zijn ex-vriendin de gebruiker was van het e-mailadres [e-mailadres] .
1. hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2013 tot en met 26 augustus 2013 te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd,
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 2013 (AH105) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven –als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3]:
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt onder meer dat medeverdachte [betrokkene 1] op grootschalige wijze illegaal handelde in medicijnen die zijn vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en lijst II. Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat de verzendingen van de pakketten met medicijnen ook gedurende de vakantie van medeverdachte [betrokkene 1] in augustus 2013 bleven doorgaan.
”
tweede middelklaagt dat het hof het ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek tot oproeping van de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op ontoereikende gronden heeft afgewezen.
Een en ander klemt te meer gezien het feit dat [betrokkene 2] sinds haar ongeluk in 2011 afhankelijk was van slaapmedicatie. Zij gebruikte onder andere Temazepam en Diazepam. [verdachte] heeft daarover verklaard, zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris. Hij heeft in dat kader ook aangegeven dat hij die medicatie voor [betrokkene 2] weleens van [betrokkene 1] kreeg in ruil voor het 'heen en weer' rijden van 'iets'. Ter nadere onderbouwing van dit medicijngebruik van [betrokkene 2] heb ik enkele kwitanties met betrekking tot het aanschaffen van slaapmedicatie via de apotheek (2014) aan deze pleitnota gehecht (bijlage 1).
De raadsman heeft voorwaardelijk verzocht om, mocht het hof toch van oordeel zijn dat verdachte de gebruiker is geweest van het e-mailadres [e-mailadres] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] hierover als getuigen te horen..
derde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden.