Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
14 juni 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor diefstal uit een woning te Lisse, waarbij een geldbedrag van €3.100 werd weggenomen. Het hof baseerde zich op getuigenverklaringen, aangetroffen geld met een uniek stempel en de aanwezigheid van de verdachte in een auto met medeverdachten vlak na de diefstal.
De verdediging voerde onder meer aan dat de verdachte niet overeenkomt met het signalement van de daders en verzocht voorwaardelijk om het horen van een getuige die een ander signalement gaf. Het hof heeft echter nagelaten op dit verzoek te beslissen.
De Hoge Raad oordeelt dat dit verzuim nietigheid tot gevolg heeft, omdat op een dergelijk getuigenverzoek krachtens de wet een uitdrukkelijke beslissing vereist is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting, waarbij het getuigenverzoek alsnog moet worden behandeld.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het niet beslissen op een getuigenverzoek en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.