Conclusie
1.Overzicht
juridischworden opgevat (belast volgens de wet) of
feitelijk(feitelijke aanslagoplegging, ongeacht juridische correctheid van die aanslag)?
creditter voorkoming van dubbele belasting geeft, is volgens de AOW-belanghebbende niet relevant omdat zo’n
creditpas aan de orde kan zijn als Nederland zou mogen heffen,
quod non.
kunnenvallen.
creditter voorkoming van dubbele belasting, dat immers niet wordt uitgezonderd in het Protocol. De aanspraak op die Portugese
creditbewerkstelligt volgens de Staatssecretaris dat steeds is voldaan aan voorwaarde b. Voorwaarde a (fiscale faciliëring) past volgens hem niet op AOW-uitkeringen, maar op pensioenen en lijfrenten, maar voor zover die voorwaarde relevant is, stelt de Staatssecretaris dat in de opbouwfase van de AOW (2% per jaar van inwonerschap) niets wordt belast, zodat ook aan voorwaarde b is voldaan. Bronstaatheffing over AOW-uitkeringen leidt ook tot een meer gelijke behandeling van private en publieke oudedagsvoorzieningen, aldus de Staatssecretaris.
travaux préparatoiresof gemeenschappelijke toelichting beschikbaar zijn, de uitleg gekozen moet worden die strookt, althans verenigbaar is met de tekst van de verdragsbepaling, met de kenbare of kennelijke bedoelingen van de verdragspartijen, met de historische en politieke context van de verdrags(her)onderhandelingen en met de context van een belastingverdrag als zodanig (voorkoming van dubbele belasting en van ontgaan van belasting) en die op basis daarvan leidt tot de meest aannemelijke en redelijke uitkomst. U neigt meer naar grammaticale uitleg (HR
BNB2020/8; zie 6.2 hieronder). Helaas biedt in casu geen van de genoemde criteria veel houvast. De tekst lijkt beide opvattingen evenzeer te steunen; de bedoelingen van de verdragssluiters bij art. 18(2) Verdrag zijn niet geëxpliciteerd, laat staan gemeenschappelijk, en laten zich slechts raden uit de context dat Portugal niet wilde afzien van woonstaatheffing over
aposentado-inkomen en Nederland als kas- c.q. faciliërende staat niet wilde afzien van een bronstaatheffing; van de historische en politieke context is weinig meer bekend dan dat de onderhandelingen zeer moeizaam waren en zo’n 30 jaar hebben geduurd onder meer omdat Portugal hoge bronheffingen op uitgaande kapitaal-beloningen wilde behouden (en een woonstaatheffing wilde op particuliere pensioenen, lijfrenten en sociale-verzekeringsuitkeringen dus); en de algemene verdragscontext biedt geen inzicht naast de tekst van en toelichting op de voorwaarden a en b, die duidelijk gericht zijn tegen fiscale pensioenvlucht, maar niet ophelderen of die voorwaarden ook gelden voor sociale-zekerheidsuitkeringen, die in die voorwaarden niet worden genoemd en in de toelichting op die voorwaarden evenmin.
onvoorwaardelijk is, en alleen kwantitatief wordt beperkt (15%). Doordat alle drie de inkomenscategorieën in art. 18 Verdrag Pro met Portugal op één hoop gegooid zijn, zijn kennelijk ook de bronstaatheffingsvoorwaarden voor alle drie die categorieën in één lid terecht gekomen, dat niet erg zorgvuldig lijkt geredigeerd, nu sociale-verzekeringsuitkeringen wel in de aanhef van dat lid 2 worden genoemd (hetgeen in beginsel toepasselijkheid van alle daarop volgende voorwaarden impliceert tenzij uitdrukkelijk niet van toepassing verklaard), maar niet in alle voorwaarden (hetgeen gedifferentieerde toepasselijkheid impliceert).
onvoorwaardelijke en onbeperkte bronstaatheffing ter zake van sociale-verzekeringsuitkeringen. Ik leid daaruit af dat voorwaarde (a) (fiscale faciliëring) in de Nederlandse beleidsbeleving irrelevant was/is bij sociale-zekerheidsuitkeringen c.q. dat daaraan
a fortioristeeds is voldaan, maar alleen de NnavV bij het 2001-Verdrag met België zegt
explicietdat voor de bronstaatheffing op sociale-zekerheidsuitkeringen “niet van belang is of deze voortvloeien uit in de bronstaat fiscaal vrijgestelde aanspraken”. Het uitgangspunt dat sociale-verzekeringsuitkeringen vanzelfsprekend het kasstaatbeginsel volgen kan verklaren waarom sociale-verzekeringsuitkeringen vaak niet genoemd worden in voorwaarde (a) in Verdragen die een vergelijkbare bepaling bevatten, maar het kan niet verklaren waarom sociale-verzekeringsuitkeringen in die Verdragen soms wel en soms niet in voorwaarde (b) (onvoldoende woonstaatheffing) worden genoemd, en evenmin waarom sociale-verzekeringsuitkeringen soms niet, maar meestal wel wetstechnisch op één hoop worden gegooid met particuliere pensioenen en lijfrenten.
nietwordt toegepast en de andere voorwaarde, waarin zij net zo min worden genoemd,
wel.
a fortiori– voldaan is aan voorwaarde (a) (fiscale faciliëring) vanwege hun
rechtstreeksebetaling uit (semi)publieke middelen. Ik wijs er daarbij op dat (i) de beperkte opvatting dat ‘fiscale faciliëring’ alleen premie-aftrek zou inhouden tot het onzinnige resultaat zou leiden dat de bronstaat
nooitzou mogen heffen over rechtstreeks uit zijn schatkist betaalde uitkeringen terwijl hij over budgettair minder belastende aftrekbare-premie-gefinancierde pensioenen en lijfrenten wél mag heffen, (ii) ook bij particuliere pensioenen en lijfrenten vrijwel steeds aan voorwaarde (a) voldaan zal zijn, nu vrijwel alle particuliere pensioenen en lijfrenten gefacilieerd worden opgebouwd, (iii) niet valt in te zien waarom de financieringsmethode (kapitaaldekking of omslag) zou moeten uitmaken, en (iv) alle verdragstoelichtingen die er iets over zeggen, ‘fiscaal gefacilieerd’ uitleggen als ofwel premie-aftrek, ofwel onbelaste aanspraak. Ik meen dat er niet heel veel interpretatieve lenigheid voor nodig is om
voor de toepassing van het Verdrag- mede gegeven het expliciet beleden kasstaatbeginsel - het recht op een AOW-uitkering te beschouwen als een onbelaste aanspraak. Voor WAO-uitkeringen is premie betaald door de werkgever die niet als loon is belast, dus daarvoor kan voorwaarde (a) ook zonder lenigheid vervuld geacht worden.
aposentadosen lijfrenteniers voorkomen dat redelijke heffing zou kunnen worden ontlopen door emigratie naar Portugal en heeft daarbij mijns inziens noodzakelijkerwijs zijn budgettaire afweging moeten baseren op de Portugese belastingwet en het uitgangspunt dat Portugal zijn belastingwet toepast; niet op het uitgangspunt dat de feitelijke heffing op significante schaal zou afwijken van de wettelijke.
beidelanden heffen, zodat dubbele heffing dreigt. De Inspecteur meent dat Portugal ten onrechte heft omdat beide belanghebbenden hun uitkering verkeerd hebben gekwalificeerd in hun Portugese aangiften. Als beoordeeld naar de Portugese belastingwet (dus niet naar de feitelijke Portugese aanslag) voldaan is aan voorwaarde (b) (Portugal heft volgens zijn belastingwet niet volledig of niet naar het gewone tarief) en Nederland dus volgens het Verdrag terecht heft, zal de resulterende dubbele belasting moeten worden voorkomen door Portugal en zullen de belanghebbenden hun recht moeten halen in Portugal of - als Portugal meent dat aldaar correct is geheven én de Nederlandse heffing niet wil verrekenen - door een
mutual agreement procedure(MAP) op basis van art. 27 Verdrag Pro. Van Nederland kan bezwaarlijk gevergd worden dat hij eenzijdig terugtreedt bij onjuiste wetstoepassing in Portugal c.q. verschil van inzicht over de correcte verdragstoepassing. Slaafs aansluiten bij de feitelijke woonstaatheffing zou het bronstaatse heffingsrecht afhankelijk maken van de mate van (correcte) uitvoering van de belastingwet in de woonstaat en zou veel uitvoeringsproblemen kunnen oproepen bij het bewijs van die feitelijke heffing.
juridischetoets aan de onvoldoende-woonstaatheffingvoorwaarde (b) moet mijns inziens, anders dan de Staatssecretaris betoogt, een eventueel Portugees verrekeningsrecht ter voorkoming van dubbele belasting veronachtzaamd worden omdat men anders in een kurketrekkerredenering terecht komt: de heffingsbevoegdheidsverdeling zou afhangen van de voorkoming, die afhangt van de heffingsbevoegdheidsverdeling.
2.De feiten en het geschil
3.De te interpreteren Verdragsbepaling
Artikel 18. Pensioenen, lijfrenten en sociale zekerheidsuitkeringen
Article 18. Pensions, annuities and social security payments
paragraph 2 of Article 19, pensions and other similar remuneration paid to a resident of a Contracting State in consideration of past employment, as well as annuities paid to a resident of a Contracting State, shall be taxable only in that State. Any pension and other payment paid out under the provisions of a social security system of a Contracting State to a resident of the other Contracting State shall be taxable only in that other State.
Artigo 18.º Pensões, rendas e contribuições para a segurança social
XVI. Ad artikel 18
XVI. Ad Article 18
XVI - Ad artigo 18.º
4.De prejudiciële vragen van de Rechtbank
creditter voorkoming van dubbele belasting die Portugal volgens art. 24 Verdrag Pro verleent als ook heffingsrecht aan Nederland toekomt. Vraag 2 van de Rechtbank luidt in beide zaken:
5.Schriftelijke opmerkingen van de partijen en van derden
De Staatssecretaris
credit, dat in het Protocol niet wordt genoemd, wél meetelt bij de vraag of voldoende wordt geheven, zodat zijns inziens steeds is voldaan aan voorwaarde b.
ofieder pensioen en andere uitkering betaald krachtens de bepalingen van een sociaal zekerheidstelsel” taalkundig duidt op twee losstaande mogelijkheden aan beide kanten van dat woord en dat dus beide mogelijkheden apart van elkaar getoetst moeten worden aan alle drie de voorwaarden. Hij ziet geen enkele aanleiding om elke Nederlandse sociale-zekerheidsuitkering hoger dan € 10.000 automatisch aan Nederland toegewezen te achten.
creditter voorkoming van dubbele belasting is verleend, acht hij niet relevant omdat een voorkomingsmaatregel pas kan worden toegepast als Nederland terecht zou heffen en dat is nu juist de vraag, die volgens de AOW-belanghebbende dus ontkennend moet worden beantwoord. Hij vat samen:
nu er voor wat betreft de AOW geen fiscale faciliëring plaatsvindt in Nederland in de opbouwfase, (…) voorstellen dat Nederland het heffingsrecht met betrekking tot deze uitkeringen bewust heeft prijsgegeven.” De NOB meent dat de Nota van toelichting zo moet worden gelezen dat Nederland de bronstaatheffing over AOW-uitkeringen heeft ingeleverd om een voorwaardelijke bronstaatheffing over particuliere pensioenen en lijfrenten overeen te kunnen komen.
6.Uitleg van art. 18(2) van het belastingverdrag met Portugal
Algemene opmerkingen
BNB2020/8 [10] (over de uitleg van de
most favoured nation(MFN-) bepaling in het belastingverdrag met Zuid-Afrika) ben ik ingegaan op verdrags-interpretatie bij tekstuele onduidelijkheid en mogelijk van de verdragstekst afwijkende bedoelingen van de verdragspartijen. Ik heb daarin onder meer betrokken de artt. 31 en 32 van het Weense Verdragenverdrag, [11] de daarover verschenen literatuur [12] en uw rechtspraak. Die conclusie zegt onder meer:
BNB2020/8 heeft wellicht ook meegespeeld dat het aan Zuid-Afrika is om zijn verdragsheronderhandelingen (in verband met zijn wens om een bronheffing in te voeren) met andere Staten (beter) op elkaar af te stemmen.
allevoorwaarden in lid 2 moest worden voldaan, lijkt in die zaak geen thema te zijn geweest, hoewel het Hof blijkbaar van een bevestigend antwoord uitging. Hij toetste in elk geval aan de onvoldoende-woonstaatheffingsvoorwaarde b en overwoog dat het daarbij gaat om de juridische en niet om de feitelijke onderworpenheid. Hij leek zelfs te oordelen dat bij sociale-zekerheids-uitkeringen aan voorwaarde (a) (fiscale faciliëring)
a fortiori, dus steeds wordt voldaan, gegeven zijn overweging dat “
het (…) niet voor de hand (ligt) om uitkeringen krachtens een sociaal zekerheidsstelsel, die rechtstreeks door de bronstaat worden uitgekeerd, van de mogelijkheid van bronstaatheffing uit te sluiten terwijl die mogelijkheid wel wordt geboden voor particuliere pensioenen en lijfrenten die in de bronstaat slechts zijn gefacilieerd”.
NTFR2007/2150) benadrukt dat in lid 2 van art. 18 sociale Pro-zekerheids-uitkeringen weliswaar in één zin worden genoemd met pensioenen en lijfrenten, maar dat zij in de hoofdregel in lid 1 separaat worden geregeld:
V-N2008/7.8 bekritiseerde zowel de juridische onderbouwing van ‘s Hofs woonstaatheffingstoets als die toets zelf. Zij meende dat de kern van ‘s Hofs uitspraak (bronheffing slechts beperkt mogelijk), strookte met de Portugese onderhandelingsinzet:
Verdragsbeleid bij (overheids)pensioenen, lijfrenten en sociale-zekerheidsuitkeringen
a fortiorivoor publiekrechtelijke uitkeringen die rechtstreeks en dus
geheeluit publieke middelen worden betaald, zo was en is de gedachte.
.De belastingverdragen met de voornaamste emigratielanden kennen (i) slechts een beperkte mogelijkheid van bronstaatheffing voor sociale-zekerheidsuitkeringen, of (ii) géén regeling voor dergelijke uitkeringen, zodat het restartikel geldt (woonstaatheffing dus), of (iii) zelfs een expliciete exclusieve woonstaatheffing. Alleen de verdragen met Duitsland (1959; oud) Oostenrijk (1970) en de VS (1992) weerspiegelen de Nederlandse inzet:
Oostenrijkgesloten verdrag [38] kent – maar pas sinds 2001 (zie 6.22 hieronder) – in art. 20(4) een onvoorwaardelijke bronstaatheffing specifiek voor sociale-zekerheidsuitkeringen;
Spanjegesloten verdrag [40] bevat geen regeling voor sociale-zekerheidsuitkeringen;
Frankrijkgesloten verdrag [41] bevat geen regeling voor sociale-zekerheidsuitkeringen;
Australiëgesloten verdrag [42] bevat een exclusieve woonstaatheffing voor sociale-zekerheidsuitkeringen;
Canadagesloten verdrag [43] voorziet een onvoorwaardelijke bronstaatheffing voor onder meer sociale-zekerheidsuitkeringen, zij het gemaximeerd op 15%;
Italiëgesloten verdrag [44] bevat geen regeling voor sociale-zekerheidsuitkeringen;
Verenigde Statengesloten verdrag [45] bevat een exclusieve bronstaatheffing voor sociale-zekerheidsuitkeringen; en
Turkijegesloten verdrag [46] staat in art. 18(3)) een bronstaatheffing over sociale-zekerheidsuitkeringen toe, behalve als de ontvanger ook onderdaan is van de woonstaat.
allesociale-zekerheidsuitkeringen, maar om ‘pensioenen en andere soortgelijke uitkeringen (…) in het kader van de publiekrechtelijke regelingen inzake sociale zekerheid’ (Art. 18(4) Verdrag met Joegoslavië), ‘pensioenen en andere soortgelijke betalingen (…) krachtens de sociale verzekeringswetgeving’ (Art. 18(5) Verdrag Canada (oud)), ‘pension (…) under the provisions of a social security system’ (Art. 18(3) van de Verdragen met Hongarije en Turkije), dus alleen om
oudedagsvoorzieningen (zie HR BNB 1989/274 hieronder). Alleen het Verdrag met Oostenrijk [47] bevat een ongeclausuleerde bronstaatheffing voor alle, dus ook niet-pensioenachtige sociale-zekerheidsuitkeringen: art. 20(4) van dat Verdrag bepaalt:
BNB1989/274 [50] was gebleken dat die oorspronkelijke formulering (“2. Pensioenen die (…) krachtens de wettelijke sociale verzekering van de andere Staat worden betaald, mogen in die andere Staat worden belast”), geen WAO-uitkeringen omvatte. Uit HR
BNB1989/274 volgde dus dat in beginsel alle tot en met 1987 gesloten verdragen die een bronstaatheffing voor sociale-zekerheidsuitkeringen inhielden, dat slechts deden voor zover die uitkeringen strekten tot oudedagvoorziening.
BNB1989/274 (zie 6.22 hierboven) vervangen door ‘andere uitkering’: [53]
onvoorwaardelijke, zij het gelimiteerde bronstaat-heffing worden onderworpen (15% van het brutobedrag bij periodieke betalingen). De Nota van Toelichting bij dat Protocol verklaart deze uniforme behandeling van (alle) pensioenen, lijfrenten en sociale-zekerheidsuitkeringen uit een vereenvoudigingswens: het oorspronkelijke art. 18 cre Proëerde te veel en te complexe heffingssituaties door te veel fijnmazigheid en te veel onderscheidingen tussen verschillende soorten pensioenen en sociale-zekerheidsuitkeringen. Dat moest eenvoudiger, aldus de Nota van toelichting: [54]
ouderdomsuitkeringen omvatten (AOW dus);
BNB1989/274 de woordkeuze ‘pensioen en andere uitkering betaald krachtens de bepalingen van een sociale zekerheidsstelsel’ in nieuwe en heronderhandelde verdragen een bewuste keus is, gericht op het omvatten van
allesociale-zekerheidsuitkeringen; niet alleen de tot oudedagsverzorging strekkende uitkeringen, maar met name ook WAO-uitkeringen.
mismatchesdie kunnen leiden tot fiscale pensioenvlucht, dus op de criteria (i) fiscale faciliëring in de bronstaat en (ii) onvoldoende heffing in die woonstaat: [56]
voor particuliere pensioenen en lijfrenten. Van de 37 in die periode gesloten en nu nog geldende verdragen bespreek ik er tien in onderdeel 7 die net als het Verdrag met Portugal dergelijke voorwaarden voor een bronstaatheffing stellen én sociale-zekerheidsuitkeringen in dezelfde bepaling regelen als particuliere pensioenen en lijfrenten.
onvoorwaardelijke bronstaatheffing, veelal geregeld in een separaat lid van het pensioenartikel, zodat Nederland
voor sociale-zekerheidsuitkeringenzijn onderhandelingsinzet vaak heeft verwerkelijkt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de verdragen met Indonesië (2002) [57] , Zuid-Afrika (2005) [58] en Jordanië (2006). [59] Die onverkorte bronstaatheffingsbevoegdheid voor sociale-zekerheidsuitkeringen is meestal als volgt geformuleerd (tekst art. 19(2) Verdrag met Indonesië):
definiërenals de Staat die het pensioen of de lijfrente fiscaal heeft gefacilieerd,
voor zoverdie Staat het pensioen of de lijfrente heeft gefacilieerd. Zo bepaalt art. 19(4) van het Verdrag met Indonesië:
onvoorwaardelijke bronstaatheffing, kennelijk op basis van het kasstaatbeginsel, gezien de verdragsbeleidsnotities. Voor particuliere pensioenen en lijfrenten daarentegen verschoof het OESO-conforme uitgangspunt van een woonstaatheffing naar een
voorwaardelijke bronstaatheffing op basis van de criteria fiscale faciliëring en (on)voldoende woonstaatheffing (en een drempelbedrag). Ik maak er verder uit op dat het (dus) voor sociale-zekerheidsuitkeringen niet nodig of niet zinvol werd geacht om de bronstaat te definiëren als de fiscaal faciliërende Staat omdat het – in elk geval voor Nederland – vanzelf sprak, gegeven de vergelijkbaarheid met overheidspensioenen, dat de betaalstaat de bronstaat is en dat die bronstaat op grond van het kasstaatbeginsel onverkort mag heffen, zodat fiscale faciliëring niet relevant is.
voor fiscaal gefacilieerde particuliere pensioenen en lijfrenteneen bronstaatheffing, thans
ongeachtde fiscale behandeling in de woonstaat, dus geheel gebaseerd op het fiscale-faciliëringsbeginsel:
Duitsland [62] is Nederland in dit uitgangspunt (opnieuw; zie 6.21) geslaagd: de bronstaatheffing is weliswaar niet als hoofdregel geformuleerd (maar nog steeds als uitzondering op de hoofdregel van woonstaat-heffing), maar de mate van woonstaatonderworpenheid is irrelevant. Fiscale faciliëring is heffingsvoorwaarde bij pensioenen en lijfrenten (zie lid 5), maar niet bij sociale-zekerheidsuitkeringen. Het drempelbedrag is algemeen gesteld op € 15.000. Art. 17 (pensioenen, lijfrenten en socialezekerheidsuitkeringen) van dit Verdrag luidt als volgt:
Curaçao [63] en in 2014 met
Sint Maarten [64] overeengekomen belastingregelingen onder meer een
onvoorwaardelijke bronstaatheffing voor sociale-zekerheidsuitkeringen. Omdat particuliere pensioenen en lijfrenten vrijwel steeds fiscaal gefacilieerd zullen zijn geweest, maakt het al dan niet stellen van die faciliëringsvoorwaarde overigens, zoals opgemerkt, in de praktijk weinig uit, maar in de onderhandeling met verdragspartners heeft het instemmen met die voorwaarde wellicht nog wel psychologisch effect.
exclusief. Art. 18 (Pensioenen en socialezekerheidsuitkeringen) van dat Verdrag luidt:
Overige gezichtspunten
voor zoverhet pensioen e.d. gefacilieerd was en
voor zoverPortugal niet regulier heft, maar dat Nederland wel degelijk over het totale bedrag aan pensioenen c.a. mag heffen
indien(dus niet slechts voor zover) het de € 10.000 overschrijdt: voor het totale bedrag van de gezamenlijke pensioenen c.a. van een persoon
tot€ 10.000 is Portugal heffingsbevoegd; voor het totale bedrag van de gezamenlijke pensioenen c.a. van een persoon
hogerdan € 10.000 is Nederland (voor het gehele bedrag) bevoegd
voor zover ookaan de voorwaarden (a) en (b) is voldaan. Ik wijs er overigens op dat in de Portugese tekst die ‘indien en voor zover’ (‘se e na medida em que’) in géén van de drie voorwaarden (a), (b) of (c) voorkomt, maar voor alle drie de voorwaarden in de aanhef van lid 2. De Engelse tekst is dan beslissend. Die zegt mijns inziens hetzelfde als de Nederlands, nl. dat Nederland, als het heffingsbevoegd is, niet slechts mag heffen boven de € 10.000, maar over het
volledigegezamenlijke bedrag aan pensioenen c.a. dat een inwoner van Portugal uit Nederland geniet (en dat Portugal daarvoor een
credittot voorkoming van dubbele belasting moet geven).
7.Andere belastingverdragen gesloten in de periode 1998 t/m 2010
Inleiding
Verwaarloosbare verschillen met Portugal (Albanië, Slovenië en Uganda)
Albanië 2004(art. 18(2)), [67] Slovenië 2004(art. 17(2)) [68] en
Uganda 2004(art. 17(2)). [69] Voor interpretatiedoeleinden kunnen deze verdragen op het punt van de tekst van de litigieuze bepaling mijns inziens als identiek aan elkaar en aan het Verdrag met Portugal worden beschouwd, behalve voor het drempelbedrag: Albanië € 20.000; Slovenië € 15.000; Uganda € 10.000.
onderstrepingPJW):
cumulatiefvoldaan zijn aan de voorwaarden:
het pensioen of de uitkering ingevolge het sociale zekerheidsstelsel, of de lijfrente in de bronstaat was vrijgesteld of dat de daarvoor betaalde premies in de opbouwfase van de aanspraak fiscaal aftrekbaar waren bij de berekening van het belastbaar inkomen in de bronstaat en;
of sociale zekerheidsuitkeringenniet worden belast tegen het normale tarief voor inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid of dat minder dan 90% van de pensioen- of lijfrentetermijnen of sociale zekerheidsuitkeringen in de belastingheffing wordt betrokken en;
pensioen of de uitkering ingevolge het sociale zekerheidsstelselvan een van de Staten meer bedraagt dan 20 000 euro.”
nietgelden voor sociale-zekerheidsuitkeringen. Die toelichting rept bij die voorwaarden niet over sociale-zekerheidsuitkeringen, maar doet dat, net als de Verdragstekst zelf, alleen bij voorwaarde (c) (drempelbedrag):
Voor sociale-zekerheidsuitkeringen wel de onvoldoende-onderworpen-voorwaarde, maar niet de fiscale-faciliëringsvoorwaarde (Ghana, Bermuda, Zwitserland)
Ghana 2008(art. 18(2)) [73] ,
Bermuda 2009(art. 8(2)) [74] en
Zwitserland 2010(art. 18(2)) [75] lijken voor wat betreft de litigieuze bepaling sterk op art. 18(2) van het Verdrag met Portugal, maar in deze drie verdragen worden sociale-zekerheidsuitkeringen wél genoemd in de onvoldoende-onderworpen-voorwaarde (b), [76] maar niet in de fiscale-faciliëringsvoorwaarde (a). De vraag is of de Nota’s van Toelichting dat verschil met de verdragen met Portugal, Albanië, Slovenië en Uganda verklaren, waarin sociale-zekerheidsuitkeringen alleen bij de drempelbedragvoorwaarde (c) worden genoemd. Het antwoord daarop luidt helaas dat die toelichtingen vooral verwarring opleveren.
nietgenoemd bij voorwaarde (a) (fiscale faciliëring), noch in de tekst, noch in de toelichting: [77]
nietbij die voorwaarde (b). Deze situatie is dus omgekeerd aan die van het Verdrag met Albanië, waar de Verdragstekst sociale-verzekerings-uitkeringen
nietnoemt in voorwaarde (b) maar de toelichting die voorwaarde
welop hen van toepassing acht. De toelichting op het Verdrag met Bermuda noemt sociale-zekerheidsuitkeringen dus alleen bij voorwaarde (c) (drempelbedrag), hoewel de verdragstekst hen ook noemt bij voorwaarde (b): [78]
a fortioriaan voldaan is omdat die uitkeringen rechtstreeks uit de publieke middelen betaald worden (kasstaatbeginsel). Het strookt ook met de expliciete verklaring in de NnavV bij het (nieuwe) Verdrag met België (zie 7.18 en 7.19 hieronder) dat ‘voor sociale zekerheidsuitkeringen is het (…) niet van belang of deze voortvloeien uit in de bronstaat fiscaal vrijgestelde aanspraken.’ Verder legt ook deze toelichting onderworpenheid uit als
juridischeonderworpenheid, en ‘fiscale faciliëring’ als: vrijgestelde aanspraak of premie-aftrek, dit keer bovendien expliciet in verband met de Nederlandse ‘omkeerregel’ en ‘het daarbij horende heffingsrecht dat is verbonden aan een in het verleden verleende premieaftrek of -vrijstelling’.
in verband met pensioenen en lijfrenten(sociale-zekerheidsuitkeringen worden daar niet genoemd; die worden in overeenstemming met de verdragstekst alleen genoemd bij de voorwaarden (b) en (c)). Net als de toelichtingen op de verdragen met Albanië, Slovenië en Bermuda zegt de toelichting dat de drie voorwaarden voor een bronstaatheffing cumulatief gelden, dus kennelijk ook bij sociale-zekerheidsuitkeringen, hoewel premies volksverzekeringen in 2010 al twintig jaar lang niet meer aftrekbaar waren (
onderstrepingPJW): [79]
alsook uitkeringen die zijn betaald krachtens de bepalingen van een sociaalzekerheidsstelselvan een verdragsluitende staat, geldt in het Verdrag als uitgangspunt een woonstaatheffing (eerste lid). Overeenkomstig Nederlands fiscale verdragsbeleid (notitie Verdragsbeleid 1998, paragraaf 4.3.4.4.) is dit uitgangspunt aangevuld met de mogelijkheid om onder omstandigheden ook een bronstaatheffing op
deze inkomstentoe te passen (tweede lid). Alvorens ook de bronstaat tot heffing kan overgaan,
moet cumulatief zijn voldaanaan een drietal voorwaarden.”
onderstrepingPJW): [81]
voor pensioenen, en tevens ook voor lijfrenten, een geclausuleerde bronstaatheffing opgenomen, die dus aan bepaalde voorwaarden is gebonden en de functie van een anti-ontgaansbepaling heeft. Nederland mag een bronstaatheffing toepassen, als in Nederland tijdens de opbouwfase van de pensioen- of lijfrenteaanspraak de premies voor pensioenen of lijfrenten fiscaal aftrekbaar waren en de woonstaat van de pensioen- of lijfrentegenieter de uitkeringen niet belast tegen het algemene tarief voor inkomsten uit dienstbetrekking of minder dan 90% van de uitkeringen in heffingsgrondslag betrekt. Met andere woorden: Nederland wil voorkomen dat nergens belasting geheven wordt over deze uitkeringen of zeer weinig. Als in de woonstaat voldoende heffing is gewaarborgd, treedt Nederland terug. Destijds is derhalve bewust niet gekozen voor een exclusieve bronstaatheffing.
Andere wetgevingstechniek (Polen, België en het Verenigd Koninkrijk)
Polen 2002 [82] luidt vrijwel gelijk aan art. 18(2) Verdrag met Portugal, op één zeer in het oog springend verschil na: in lid 1 en in de aanhef van lid 2 ontbreekt de zinssnede ‘of ieder pensioen en andere uitkering betaald krachtens de bepalingen van een sociale zekerheidsstelsel van een Verdragsluitende Staat’, hoewel het opschrift van art. 18 luidt Pro: ‘Pensioenen, lijfrenten
en sociale-zekerheidsuitkeringen’. Kennelijk worden sociale-verzekeringsuitkeringen in dit Verdrag geacht onder ‘andere soortgelijke beloningen’ te vallen. De Nota van toelichting geeft geen heldere toelichting op dit verschil met andere Verdragen. Voor het overige is lid 2 nagenoeg gelijk aan art. 18(2) Verdrag met Portugal: de zinssnede ‘of ieder pensioen of andere uitkering betaald krachtens de bepalingen van een sociaal zekerheidsstelsel van een Staat’ staat dus weer wél in voorwaarde c (en niet in de voorwaarden a en b). Ik veronderstel dat het (ook) hier om (zeer) slordige redactie gaat en dat geen verschil met Portugal, Albanië, Slovenië en Uganda is bedoeld. Het drempelbedrag in voorwaarde c in het Verdrag met Polen is hoger dan in het Verdrag met Portugal: € 20.000.
België 2001(art. 18(2)) [83] en het
Verenigd Koninkrijk 2008(art. 17(2)) [84] stellen net als het Verdrag met Portugal drie cumulatief geformuleerde bronstaatheffings-voorwaarden, maar de wetgevingstechniek is anders. In beide verdragen benoemt lid 1 de aan de woonstaat toegewezen inkomensbestanddelen, waarna lid 2, dat de bronstaat-heffingsvoorwaarden stelt, terugwijst naar die inkomensaanduidingen in lid 1. In het geval van België leidt dat tot de duidelijkheid die ontbreekt in onder meer het Verdrag met Portugal.
Belgiëluidt als volgt (
onderstrepingPJW):
bedoeld in paragraaf 1, subparagraaf a, de aanspraak op dat inkomstenbestanddeel in de verdragsluitende Staat waaruit het afkomstig is van belasting is vrijgesteld, dan wel de bijdragen die daarvoor zijn betaald aan het pensioenfonds, pensioen-spaarfonds of de vennootschap die het inkomstenbestanddeel verschuldigd is, in het verleden bij het bepalen van het in die Staat belastbare inkomen in aftrek zijn gebracht, dan wel anderszins in het verleden in die Staat in aanmerking zijn gekomen voor fiscale faciliëring; en
bedoeld in paragraaf 1, subparagrafen a en b, dat inkomstenbestanddeel in de verdragsluitende Staat waarvan de genieter ervan inwoner is niet tegen het algemeen van toepassing zijnde belastingtarief voor inkomsten verkregen uit niet zelfstandige beroepen, dan wel het brutobedrag van dit inkomstenbestanddeel voor minder dan 90 percent, in de belastingheffing wordt betrokken.
nietgeldt voor sociale-zekerheidsuitkeringen, maar de voorwaarde van onvoldoende woonstaatheffing (en het drempelbedrag) wél. Toch heeft de Memorie van Toelichting [85] dat aanvankelijk niet helemaal scherp. Volgens die MvT is het de bedoeling om bronstaatheffing toe te staan bij (onderstreping PJW):
toetsing aan de voorwaardenvoor een bronstaatheffing dient plaats te vinden
voor alle vormen van oudedagsvoorziening, dat wil zeggen pensioenen, lijfrenten
en socialeverzekeringsuitkeringen.”
nietterugwijst naar sociale-verzekeringsuitkeringen, maar alleen naar particuliere pensioenen en lijfrenten.
gezamenlijketoelichting van België en Nederland op het Verdrag, die als bijlage bij de MvT is gevoegd, zegt dan ook iets anders, nl. dat
nietalle voorwaarden gelden voor alle inkomstensbestanddelen (
onderstrepingPJW): [86]
subparagraaf a, in de bronstaat vrijgesteld is geweest van belastingheffing en/of voor zover betaalde premies en bijdragen ter verkrijging van die aanspraak in de bronstaat op het belastbare inkomen in mindering zijn gebracht of anderszins in de bronstaat tot het verlenen van een fiscale faciliteit aanleiding hebben gegeven, én (ii) voor zover de inkomstenbestanddelen als bedoeld in paragraaf 1,
subparagrafen a en b, in de verdragsluitende Staat waarvan de genieter inwoner is niet worden belast tegen het tarief dat algemeen geldt voor inkomsten verkregen uit niet zelfstandige beroepen of voor zover het bruto bedrag van deze inkomstenbestanddelen voor minder dan 90% in de belastingheffing worden betrokken, én (iii) mits het gezamenlijke brutobedrag van de in paragraaf 1 bedoelde inkomensbestanddelen die in de bronstaat belastbaar zouden zijn in het desbetreffende kalenderjaar waarin zij worden genoten meer bedragen dan 25 000 euro.
gezamenlijketoelichting zegt dus, in overeenstemming met de verdragstekst, dat voorwaarde (a) (fiscale faciliëring) alleen geldt voor particuliere pensioenen en lijfrenten, en voorwaarden (b) en (c) voor alle inkomenscategorieën van art. 18, dus ook voor sociale-zekerheidsuitkeringen. De gezamenlijke bedoeling van Nederland en België is dus om de fiscale-faciliëringsvoorwaarde niet te doen gelden voor sociale-verzekeringsuitkeringen, maar de voorwaarde van onvoldoende woonstaatonderworpenheid wél.
onderstrepingPJW):
Voor sociale zekerheidsuitkeringen is het bij deze beoordeling derhalve niet van belang of deze voortvloeien uit in de bronstaat fiscaal vrijgestelde aanspraken. Ten slotte is een bronstaatheffing aan de orde indien het totale bruto bedrag van (het gedeelte van) de pensioen-, lijfrente en sociale zekerheidsuitkeringen, waarvoor volgens paragraaf 2, subparagrafen a en b, van artikel 18 een Pro bronstaatheffing kan gelden, in het kalenderjaar meer dan € 25 000 bedraagt. Dit betekent dat een Nederlandse AOW-uitkering van een inwoner van België niet meetelt voor de € 25 000-grens indien deze uitkering in België wordt belast tegen het progressieve tarief van artikel 130 (gewoon stelsel van aanslag) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 én niet voor ten minste 10% is vrijgesteld volgens een bepaling uit dat wetboek. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan, geldt voor de AOW-uitkering derhalve een exclusieve Belgische belastingheffing. Deze systematiek sluit dubbele belastingheffing uit; óf er geldt een exclusieve woonstaatheffing, óf er geldt een bronstaatheffing in welk geval de woonstaat volgens artikel 23 van Pro het Verdrag 2001 voorkoming van dubbele belasting volgens de vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud verleend. Hierover bestaat geen verschil van inzicht tussen Nederland en België. (…).”
explicietzegt dat voor de bronstaatheffing op sociale-zekerheidsuitkeringen “niet van belang is of deze voortvloeien uit in de bronstaat fiscaal vrijgestelde aanspraken”, dus dat fiscale faciliëring een irrelevant criterium is bij sociale-zekerheidsuitkeringen. Gegeven die notitie, lijkt dit wel steeds het onuitgesproken uitgangspunt van in elk geval Nederland te zijn geweest bij alle verdragsonderhandelingen sindsdien. De verdragsonderhandelaars en -toelichters hebben echter kennelijk niet erg scherp gelet op correcte formulering van het kasstaatbeginsel voor sociale-zekerheidsuitkeringen in de desbetreffende verdragsbepalingen en toelichtingen.
Verdrag met het Verenigd Koninkrijkvolgt dezelfde terugwijzingstechniek als art. 18 van Pro het Verdrag met België, maar in dit geval leidt dat niet tot dezelfde duidelijkheid als in het Verdrag met België:
niettoepasselijk te achten voor sociale-zekerheidsuitkeringen: net zoals in de toelichting op het Verdrag met Portugal worden bij voorwaarde (a) sociale-zekerheidsuitkeringen niet genoemd. Anders dan in de toelichting op het Verdrag met Portugal worden zij wél genoemd bij voorwaarde (b) (onvoldoende woonstaatonderworpenheid) (
onderstrepingPJW): [88]
pensioenen, lijfrenten en uitkeringen betaald krachtens de bepalingen van een sociaalzekerheidsstelselvan een verdragsluitende staat geldt in het Verdrag in beginsel een woonstaatheffing (eerste lid). Het VK kon instemmen met het door Nederland voorgestelde tweede lid. In dit lid is overeenkomstig het Nederlandse verdragsbeleid het beginsel van woonstaatheffing aangevuld met de mogelijkheid om onder omstandigheden ook een bronstaatheffing met betrekking tot
deze inkomstentoe te passen. Alvorens de bronstaat echter tot heffing kan overgaan,
moet cumulatief voldaan zijn aan een drietal voorwaarden. Als eerste voorwaarde geldt dat de aanspraak op het
pensioen of de lijfrentein de bronstaat was vrijgesteld of dat de daarvoor betaalde premies in de opbouwfase van de aanspraak fiscaal aftrekbaar waren bij de berekening van het belastbaar inkomen in de bronstaat.
of socialezekerheidsuitkeringenniet belast worden tegen het normale tarief voor inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid of minder dan 90% van de pensioen- of lijfrentetermijnen in de belastingheffing wordt betrokken. Bij toepassing van deze 90%-toets worden op verzoek van het VK reguliere tegemoetkomingen, zoals de belastingvrije som, buiten beschouwing gelaten.
of uitkeringen ingevolge het socialezekerheidsstelselvan een van de landen meer bedraagt dan 25 000 euro. Voor kleinere pensioenen, lijfrenten en uitkeringen geldt dus uitsluitend de hoofdregel van woonstaatheffing.”
onderstrepingPJW):
Alleen een algemene onvoldoende-onderworpenheidsvoorwaarde (Japan 2010)
Japan [89] (2010) tenslotte, behandelt pensioenen en sociale-verzekeringsuitkeringen hetzelfde. De volgens Nederland belangrijkste aanleiding voor een bronstaatheffing (fiscale faciliëring) wordt niet als voorwaarde gesteld. Gesteld wordt slechts de voorwaarde dat de inkomensbestanddelen in de woonstaat ‘onvoldoende aan belasting zijn onderworpen’ (art. 17) (
onderstrepingPJW):
met inbegrip van socialezekerheidsuitkeringenverkregen door een inwoner van een verdragsluitende staat die de uiteindelijk gerechtigde is uitsluitend in die verdragsluitende staat belastbaar. Dergelijke pensioenen en andere soortgelijke beloningen,
met inbegrip van socialezekerheidsuitkeringen, mogen ook in de andere verdragsluitende staat worden belast, indien ze uit die andere verdragsluitende staat afkomstig zijn en in de eerstgenoemde verdragsluitende staat onvoldoende aan belasting zijn onderworpen.
Conclusies
onvoorwaardelijke en onbeperkte bronstaatheffing ter zake van sociale-verzekeringsuitkeringen, zoals die met Indonesië, Zuid-Afrika en Jordanië.
a fortioristeeds is voldaan, maar ik heb maar één bron kunnen vinden die dat expliciet zegt: alleen de NnavV bij het 2001-Verdrag met België zegt met zoveel woorden dat voor de bronstaatheffing op sociale-zekerheidsuitkeringen “niet van belang is of deze voortvloeien uit in de bronstaat fiscaal vrijgestelde aanspraken” (zie 7.18 en 7.19 hierboven).
onvoorwaardelijk is en alleen kwantitatief beperkt wordt - uit vereenvoudigingsoogmerk - tot uniform 15% voor alle genoemde inkomenscategorieën (zie 6.23 - 6.26).
neither here nor there: sociale-verzekeringsuitkeringen worden in de aanhef genoemd op gelijke voet met lijfrenten en pensioenen, hetgeen toepasselijkheid van alle voorwaarden op alle inkomenssoorten impliceert tenzij zij zichzelf uitschakelen voor sociale-verzekeringsuitkeringen, maar zij worden vervolgens in twee voorwaarden niet en in één wel genoemd, hetgeen niet-toepasselijkheid van twee voorwaarden impliceert. We moeten het vooral met de context doen. Op grond van (i) de bovenstaande beleids- en verdragenanalyse, met name het duidelijke kasstaatuitgangspunt voor sociale-verzekerings-uitkeringen en de aanwijzingen dat voorwaarde (a) geacht werd (dus) niet ter zake te doen voor sociale-verzekeringsuitkeringen, (ii) de toelichting op het Verdrag met Portugal, met name ter zake van het ‘onwrikbare’ standpunt van Portugal, en (iii) de context van de daaruit resulterende onderhandelingsposities van Nederland en Portugal, meen ik daarom dat art. 18(2) uitgelegd moet worden op basis van het uitgangspunt dat zowel Nederland als Portugal ervan uitgingen dat (i) voor sociale-zekerheidsuitkeringen de fiscale-faciliëringsvoorwaarde niet relevant is omdat ze rechtstreeks uit de Staatskas komen, en (ii) de onvoldoende-woonstaatheffing-voorwaarde ook geldt voor sociale-zekerheidsuitkeringen omdat het niet-binnenhalen van een woonstaatheffing voor die uitkeringen een
dealbreakerwas voor Portugal.
8.Beantwoording van de prejudiciële vragen
Vragen 1 en 3
dealbreakervoor Portugal tegenover de
dealbreakervoor Nederland als geen voorwaardelijke bronstaatheffing op pensioenen en lijfrenten tot stand zou komen.
nietvan toepassing is en tegelijk de andere voorwaarde die hen in gelijke redactie evenmin noemt,
welvan toepassing is. Gegeven bovendien dat er verdragen zijn (zie 7.9 - 7.12 hierboven) waarin daadwerkelijk de ene voorwaarde wel en de andere niet van toepassing wordt verklaard voor sociale-verzekeringsuitkeringen, moet aangenomen worden dat als de Verdragssluiters dat hadden gewild, zij dat zouden hebben opgeschreven, zoals zij dat immers ook deden in die andere Verdragen.
a fortiori– voldaan is aan voorwaarde (a) (fiscale faciliëring) omdat zij rechtstreekse uit (semi)publieke fondsen worden betaald. Ik merk daarbij op dat (i) de beperkte opvatting dat ‘fiscale faciliëring’ alleen premie-aftrek zou inhouden tot het onzinnige resultaat zou leiden dat de bronstaat
nooitzou mogen heffen over rechtstreeks uit zijn schatkist volgens het omslagstelsel betaalde uitkeringen terwijl hij over budgettair minder belastende aftrekbare-premie-gefinancierde pensioenen en lijfrenten wél mag heffen, (ii) ook bij particuliere pensioenen en lijfrenten vrijwel steeds aan voorwaarde (a) voldaan zal zijn, nu vrijwel alle particuliere pensioenen en lijfrenten gefacilieerd worden opgebouwd, (iii) niet valt in te zien waarom de financieringsmethode van de bron (kapitaaldekking of omslag) zou moeten uitmaken, en (iv) alle boven geciteerde verdragstoelichtingen die er iets over zeggen unaniem zeggen dat ‘fiscaal gefacilieerd’ betekent ofwel premie-aftrek, ofwel onbelaste aanspraak. Anders dan de Rechtbank, meen ik dat er ook niet bijzonder veel interpretatieve lenigheid voor nodig is om
voor de toepassing van het Verdrag, gegeven het kasstaatuitgangspunt, het recht op een AOW-uitkering te beschouwen als een onbelaste aanspraak. Voor WAO-uitkeringen is te minder lenigheid nodig, nu de premies daarvoor door de werkgever zijn afgetrokken en niet tot het loon van de werknemer zijn gerekend.
het antwoord op vraag 3:
niette gaan heffen, zulks in afwijking van zijn eigen belastingwet. Nederland wilde een garantie tegen Portugese faciliëring van pensioenvlucht door Nederlandse
aposentadosen sociale-zekerheidsuitkeringsgenieters; ook voor de laatsten zal Nederland hebben willen voorkomen dat een redelijke heffing zou kunnen worden ontlopen door emigratie naar Portugal. Nederland moet daarbij zijn budgettaire afweging (het ‘alleszins aanvaardbare resultaat’; zie het slot van het citaat in 6.5) gebaseerd hebben op de Portugese belastingwet en op het uitgangspunt dat Portugal zijn belastingwet om de gestelde expliciete budgettaire redenen toepast; niet op het uitgangspunt dat Portugal zijn eigen belastingwet niet zou gaan uitvoeren.
beidelanden heffen, zodat dubbele heffing dreigt. De inspecteur meent dat Portugal ten onrechte heft omdat beide belanghebbenden hun uitkering verkeerd hebben gekwalificeerd in hun aangiften in Portugal. Als beoordeeld naar de Portugese belastingwet (dus niet naar de feitelijke Portugese aanslag) voldaan is aan voorwaarde (b) (Portugal heft volgens zijn belastingwet niet volledig of niet naar het gewone tarief) en Nederland dus volgens het Verdrag terecht heft, zal de resulterende dubbele belasting moeten worden voorkomen door Portugal en zullen de belanghebbenden hun recht moeten halen in Portugal of - als Portugal meent dat aldaar correct is geheven én de Nederlandse heffing niet wil verrekenen - door een
mutual agreement procedure(MAP) op basis van art. 27 Verdrag Pro. Van Nederland kan bezwaarlijk gevergd worden dat hij eenzijdig terugtreedt bij onjuiste wetstoepassing in Portugal c.q. verschil van inzicht over de correcte verdragstoepassing. Slaafs aansluiten bij de feitelijke woonstaatheffing zou het bronstaatse heffingsrecht afhankelijk maken van de mate van (correcte) uitvoering van de belastingwet in de woonstaat en zou veel uitvoeringsproblemen kunnen oproepen bij het bewijs van die feitelijke heffing.
het antwoord op vraag 2luidt: