Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
- te duwen.”
Het proces-verbaal van aangifte,d.d. 6 juni 2017 met nr. PL0900-2017169852-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in zakelijk weergegeven - (blz. 3-5) :
Een proces-verbaal van verhoor verdachte,d.d. 5 september 2017 van de politie Eenheid Midden-Nederland met nr. PL0900-2017169852-10. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 25-29):
Het proces-verbaal van verhoor getuige,d.d. 23 juni 2017 met nr. PL0900-2017169852-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 13-15):
[betrokkene 1] :
Het proces-verbaal van de rechter-commissaris,belast met de behandeling van strafzaken bij de rechtbank Midden-Nederland. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :
[betrokkene 2] :
Een geschrift,zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 6 juni 2017, opgemaakt en ondertekend door een dienstdoende arts van het Gezondheidscentrum Huisartsen Ondiep. Deze geneeskundige verklaring met bijlagen houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 8-11):
arts:
Nadere bewijsoverweging
eerste middelklaagt dat de door het hof bewezenverklaarde mishandeling, in het bijzonder wat betreft het geïmpliceerde opzet van de verdachte niet (zonder meer) volgt uit de bewijsvoering, dan wel niet (zonder meer) begrijpelijk is en/of toereikend is gemotiveerd.
NJ2012/12 aangehaald ter onderbouwing van de stelling dat een duw “met kracht” onvoldoende is om opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op het veroorzaken van letsel en/of pijn aan te nemen. Uit de nadere bewijsoverweging van het hof en de tot het bewijs gebezigde getuigenverklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , aldus de toelichting op het middel, volgt nog niet zonder meer het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het toebrengen van pijn of letsel bij de aangever, terwijl daaruit evenmin volgt “dat de duw
zelf, en niet de daaropvolgende val, letsel of pijn kan veroorzaken of dat het gevolgen van de duw (en van de val), onontkoombaar waren”.
NJ2018/133, m.nt. Wolswijk het volgende:
NJ2012/12, het arrest waarnaar de raadsman en de steller van het middel verwijzen, had het hof vastgesteld dat de verdachte met kracht een duw had gegeven tegen de linkerschouder van de aangever, een politieagent, die daardoor een stekende pijn voelde aan die schouder waaraan hij enkele maanden daarvoor was geopereerd. De Hoge Raad oordeelde dat het daarop steunende oordeel van het hof dat de verdachte, ook afgezien van de vraag of hij weet had van de bijzondere gevoeligheid van de linkerschouder van de aangever, door met kracht een duw tegen die schouder te geven bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de aangever daardoor letsel en/of pijn zou ondervinden – gelet op hetgeen de algemene ervaring leert – niet zonder meer begrijpelijk was. Derhalve was de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend gemotiveerd. [4]
NJ2018/133, m.nt. Wolswijk was de aangever naar de woning van de verdachte gegaan om daar een brief in de brievenbus te stoppen. Hij zag toen dat de verdachte naast een bestelauto stond. De verdachte ging heel dicht voor de aangever staan en duwde opzettelijk met kracht met zijn borstkas tegen de borstkas van de aangever. De aangever verloor daardoor zijn evenwicht en viel achterwaarts op zijn rug en achterhoofd waarbij hij met zijn achterhoofd met een klap op de straat terecht kwam. Daarna voelde hij spierpijn rond zijn nek en een brandende pijn op zijn achterhoofd, waaraan hij een schaafwond opliep. Ten laste van de verdachte was door het hof bewezenverklaard dat de verdachte de aangever “opzettelijk mishandelend […] met kracht tegen het (boven)lichaam heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.” Het hof had de bewezenverklaring niet voorzien van een nadere bewijsoverweging. Mijn ambtgenoot Harteveld kwam tot de conclusie dat hoewel uit de bewijsmiddelen volgde dat de verdachte de aangever kennelijk zo’n harde duw tegen het (boven)lichaam had gegeven dat hij daardoor ten val was gekomen en pijn en letsel had opgelopen, daarmee nog niet was gegeven dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het ontstaan van pijn of letsel ook bewust had aanvaard. [5] Daarbij nam Harteveld in aanmerking dat (i) het hof ten aanzien van de omstandigheden van het geval niets had vastgesteld en (ii) een harde duw tegen het (boven)lichaam naar algemene ervaringsregels nog niet de aanmerkelijke kans op pijn en letsel van degene die geduwd wordt oplevert, terwijl (iii) die gedraging gelet op haar uiterlijke verschijningsvorm evenmin zo zeer is gericht op dat gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. De Hoge Raad oordeelde anders, en overwoog:
NJ2018/133. Ook in de voorliggende de zaak is sprake is van het duwen tegen de borst. Naar het hof in zijn nadere bewijsoverweging heeft vastgesteld blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen immers dat “de verdachte aangever met twee handen tegen zijn borst hard heeft geduwd, waardoor aangever, op zijn rug, op de grond is gevallen, half tegen een fietsenrek of fiets aan, waarbij hij uitwendige verwondingen heeft opgelopen, te weten een blauwe plek aan de rechterkant van de ribbenkast, pijnlijke ribben, enkele schaafwonden op zijn rug, een grote schaafwond en een blauwe plek op zijn rechter knie”. Er is nóg een overeenkomst met het genoemde arrest uit 2017: ook in de voorliggende zaak stonden de verdachte en de aangever heel dicht bij elkaar. [6] Deze omstandigheid, die in cassatie niet wordt bestreden, blijkt uit de desbetreffende overweging van het hof onder het kopje “Noodweer verweer”. Het hof acht daar op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep het aannemelijk geworden dat de aangever op de verdachte is komen aflopen en er tussen de aangever en de verdachte een neus aan neus-gesprek ontstond op nog geen vijf centimeter afstand van elkaar. Dat komt overeen met hetgeen de verdachte heeft verklaard op de terechtzitting van het hof van 6 september 2019, te weten: “Hij kwam pal voor mijn neus staan”, en: “Ik draaide me naar hem toe en we stonden kop tegen kop”. Het beeld dat annotator Wolswijk schetst met betrekking tot de casus in HR 14 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2855,
NJ2018/133 zou ook van toepassing kunnen zijn op de onderhavige zaak, in die zin dat de verdachte en de aangever de eigen voeten kennelijk parallel naast elkaar hadden staan en dat een duw in die houding gemakkelijk leidt tot het verlies van evenwicht. Gezien de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen was de duw die de verdachte gaf bovendien “flink” (getuige [betrokkene 1] ), “fors” en “zeer stevig, ferm” (getuige [betrokkene 2] ) en met beide handen op de borst van de aangever gegeven, en klaarblijkelijk zo heftig dat de aangever ten gevolge daarvan ten val kwam.
tweede middelklaagt met een rechtsklacht en een motiveringsklacht over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer.
NJ2016/316, m.nt. Rozemond heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
Ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding
[…]
[…].”
Voor zoverde overwegingen van het Hof niet getuigen van een verkeerde maatstaf en
het Hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat überhaupt geen duw (zoals in kwestie) had mogen worden gegeven, dan valt niet in te zien voor verzoeker hoe hij zich – buiten de studeerkamer – wél had moeten gedragen” (cursiveringen van mij, AG) en “mag immers tenminste verlangd worden dat in enige mate inzichtelijk wordt gemaakt hoe dan gehandeld had moeten worden door verzoeker om zichzelf uit de benaderde (ik, AG, lees: benarde) positie, ingeklemd tussen aangever en het voertuig, uit te komen”. Daarop voortbordurend wordt aangevoerd dat
als de rechter meentdat geen sprake was van een rechtens te respecteren verdediging, [9] dat in elk geval in de onderhavige zaak gepaard zou moeten gaan met enige nadere uitleg waaruit blijkt dat de rechter zich van alle relevante feiten en omstandigheden ten tijde van het tenlastegelegde heeft vergewist en daarmee rekening heeft gehouden (cursivering van mij, AG). Nu die uitleg volgens de steller van het middel ontbreekt, zou ‘s hofs verwerping van het beroep op noodweer niet zonder meer begrijpelijk en/of niet (voldoende) gemotiveerd zijn.
zoals door de verdachte gegeven. Daarin ligt besloten dat een normale duw – waarbij te denken valt aan het wegduwen met één hand (een duwtje dus) – wel in redelijke verhouding zou hebben gestaan tot de ernst van de aanranding. Weliswaar heeft het hof de intensiteit van de duw benadrukt, maar niettemin – in overeenstemming met de rechtspraak van de Hoge Raad – zowel de keuze voor het verdedigingsmiddel als de wijze waarop het verdedigingsmiddel is gebruikt bij zijn oordeel betrokken (daarover hieronder overigens meer).
gevarendie de aanranding in zich bergde. Door de noodweerhandeling is de realisering van dat gevaar voorkomen; een onzekere factor aan die kant blijft dan bestaan. M.i. moet men het risico dat van de kant van de aanrander dreigt, vergelijken met de risico’s die de noodzakelijke verdedigingshandeling met zich brengt; alles weer vanuit het standpunt der rechtsgetrouw criteriumpersoon. In die beschouwingen moet men betrekken de waarde der conflikterende rechtsgoederen, de mate waarin de te verwachten gevolgen van aanranding resp. verdediging zullen kunnen worden hersteld, de duur van dat herstel, etc. […]. O.g.v. het rechtsordehandhavingsaspect dat steeds bij de noodweer een rol speelt, deel ik de mening van Langemeijer en Remmelink dat het risico aan de aanranding verbonden niet steeds ernstiger te noemen moet zijn dan het risico dat de afweer in zich bergt. Zoals de auteurs doen uitkomen was het de wens van de Kamer, excessen uit te bannen. Daarmee in overeenstemming lijkt het mij dat de evenredigheidseis bij de noodweer zo moet worden verstaan dat de risico’s, aan de afweer verbonden, niet apert groter mogen zijn dan die, aan de aanranding verbonden. […].”
dievraag naar mijn inzicht in bevestigende zin moet worden beantwoord. In lijn daarmee ligt het arrest van HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3120: