AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Onrechtmatigheid intrekking btw-identificatienummer door Belastingdienst niet vastgesteld
In deze zaak staat centraal of de intrekking van het btw-identificatienummer van ESP door de Belastingdienst een onrechtmatige overheidsdaad vormt. ESP stelde dat de intrekking onrechtmatig was, mede omdat de bestuursrechter eerder oordeelde dat het nummer ten onrechte was afgevoerd en de Belastingdienst het nummer met terugwerkende kracht had gereactiveerd.
De Hoge Raad stelt vast dat een besluit tot intrekking van een btw-identificatienummer geen voor bezwaar vatbare beschikking is en dat de burgerlijke rechter bevoegd is om over de onrechtmatigheid van dit besluit te oordelen. De eerdere bestuursrechtelijke uitspraken over het ondernemerschap van ESP binden de civiele rechter niet bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van het intrekkingsbesluit.
De Hoge Raad bevestigt dat de Belastingdienst op het moment van intrekking beschikte over feiten en omstandigheden waaruit bleek dat ESP sinds 2008 geen duurzame economische activiteiten had verricht en dat ESP onvoldoende had onderbouwd dat zij vanaf oktober 2013 weer structureel omzet zou maken. Ook heeft ESP geen gebruik gemaakt van aangeboden gesprekken om het ondernemerschap te bespreken.
Daarom is de intrekking van het btw-identificatienummer niet onrechtmatig. Het enkele feit dat de Belastingdienst het nummer later met terugwerkende kracht heeft gereactiveerd, betekent niet dat zij de onrechtmatigheid van de intrekking erkent. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de intrekking van het btw-identificatienummer door de Belastingdienst niet onrechtmatig is.
Voetnoten
1.Zie rov. 3.1-3.1.9 van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 april 2019 (hierna ook: het bestreden arrest).
2.Voor zover thans van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg rov. 1 van de vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 juni 2016 en van 1 februari 2017. Zie voor het procesverloop in hoger beroep het bestreden arrest, rov. 2.
3.Zie rov. 22 en 24 van de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 februari 2015, (overgelegd als productie 21 bij de inleidende dagvaarding A-dossier).
4.Zie de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juni 2016, rov. 4.1 (overgelegd als productie 64 bij brief aan de rechtbank van 25 oktober 2016 (processtuknr. 6 in het A-dossier), waarin het hof heeft overwogen dat belanghebbende in het onderhavige tijdvak als ondernemer voor de heffing van omzetbelasting is aan te merken.
5.In eerste aanleg door ESP gezamenlijk aangeduid als: de Belastingdienst en door de rechtbank gezamenlijk aangeduid als: de Ontvanger. In hoger beroep worden verweerders in cassatie onder 2 en 1 de Ontvanger of de Belastingdienst genoemd.
6.Het cassatieberoep is op 5 juli 2019 ingediend in het digitale portaal van de Hoge Raad.
7.Door verweerders in cassatie aangeduid als de Staat c.s.
8.Het A- en B-dossier stemmen niet geheel overeen. In het B-dossier ontbreekt de brief aan de rechtbank van 25 oktober 2016 van ESP met twee producties, pleitnotities (productie 63) en de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 14 juni 2016 (productie 64) (processtuknr. 6 in het A-dossier). Voorts ontbreken in het B-dossier de producties van de memorie van grieven (processtuknr. 14 in het A-dossier).
9.Zie p. 5 van de procesinleiding. In de toelichting wordt nog verwezen naar HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1267, NJ 1995/718, m.nt. M. Scheltema. 11.Zie in dit verband HR 4 mei 2018 (belastingkamer), ECLI:NL:HR:2018:674, rov. 2.4.1-2.4.3. A-G Ettema verwoordt het in haar conclusie van 25 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:373, inleiding en onder 6.25 als volgt: indien ter zake van een intrekking door de Inspecteur van een btw-nummer door de belanghebbende een civiele vordering wordt ingesteld, dient de burgerlijke rechter te onderzoeken of de Inspecteur een geldige reden had om het btw-nummer van belanghebbende in te trekken. 12.Zie de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 februari 2015, rov. 13 en 21 (overgelegd als productie 21 bij de inleidende dagvaarding in het A-dossier). Zie tevens de hierboven geciteerde rov. 5.3.1 van het bestreden arrest.
14.Procesinleiding, p. 6. Het subonderdeel is in de procesinleiding verder toegelicht onder 1.1.4 op p. 10-11.
16.Het onderdeel verwijst hierbij naar rov. 5.8.3.
17.Zie in de procesinleiding de toelichting onder 2.1 en onder 2.5.
19.HvJ 14 maart 2013, ECLI:EU:C:2013:168, C-527/11 (
20.Zie HvJ 13 december 2007, ECLI:EU:C:2007:789, C-408/06, (
21.Van Dongen, van Slooten en Soitysik, a.w., p. 126.
22.Het hof verwijst hierbij naar HvJ 14 februari 1985, ECLI:EU:C: 1985:74, r.o. 24 en de conclusie van A-G Ettema van 25 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:373, onder 6.25. 23.Verwezen wordt naar producties 26-29 bij de memorie van grieven van ESP.
24.HvJ EG 14 februari 1985, ECLI:EU:C:1985:74, C-268/83 (