Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Zijn onrechtmatigheid van en schuld aan het besluit tot intrekking van het BTW-nummer een gegeven? (grief 1)
objectieve(onderstreping hof) gegevens onderbouwt (HvJ 14 februari 1985, ECLI:EU:C: 1985:74, r.o. 24 en conclusie A-G Ettema, 25 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:373, paragraaf 6.25). Die behoefte aan objectieve informatie geldt te meer indien, zoals in dit geval, er vijf jaren geen omzet is gemaakt en zijdens ESP zelf is verklaard dat de omzet van juni 2013 als incidenteel moet worden beschouwd. In dat licht gezien merkt het hof op dat niet is gesteld dat ESP vóór de intrekking van het BTW-nummer per 1 januari 2014 schriftelijke overeenkomsten heeft overgelegd aan de Belastingdienst of andere genoegzame stukken waaruit de inhoud en de soort van de prestaties kan blijken. Bovendien heeft ESP niet vóór de intrekking van het BTW-nummer aan de Belastingdienst voldoende toegelicht en onderbouwd dat het haar intentie was om - anders dan voorheen en anders dan incidenteel (zoals in juni 2013)- weer zodanige omzet te gaan maken dat ESP behoefte bleef houden aan een BTW-nummer. In dit verband is van belang dat [betrokkene 2] namens ESP heeft verklaard uitsluitend schriftelijk te willen communiceren met de Belastingdienst en dat ESP van aanbiedingen van de Belastingdienst om in gesprek te komen geen gebruik heeft gemaakt. Hierdoor heeft ESP aan de Belastingdienst de mogelijkheid onthouden om in het kader van het verkrijgen van duidelijkheid over de vraag of ESP vanaf oktober 2013 weer structureel omzet zou gaan maken, mondelinge toelichting daarover van ESP te krijgen. Zodoende is ESP niet voldoende tegemoet gekomen aan de behoefte aan informatie van de Belastingdienst.