Conclusie
Nummer 19/02586
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen, verweer en overwegingen hof
Ten aanzien van feiten 1 primair, 2 subsidiair en 3 primair:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisantenof één van hen:
(BFK: [benadeelde ] ))wegrende richting mijn auto. Toen hij vlak bij mijn auto was zag ik dat twee jongens hem met geweld naar de grond brachten.
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
[benadeelde ]:
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2019.
BFK: [benadeelde ] ?) tegen de eerste beuk aan en dan gaat het heel snel.
BFK: [benadeelde ] ?) roerloos op de grond ligt, pakken cliënt en [betrokkene 1] hun spullen om weg te gaan en dan komt [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft gezegd dat hij zichzelf ging verdedigen, dat doet hij dan zeer onhandig door met ontbloot bovenlijf op hem af te lopen. Het moment om zijn vriend te helpen was echt voorbij. [slachtoffer] kwam gewoon voor wat hij wilde en zei ook: vechten, en hij heeft verloren.’
handelen gerechtvaardigd door de paniek die cliënt voelde.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
eerdereaanranding. Hiervoor kan in de stukken en het verhandelde ter terechtzitting geen concreet aanknopingspunt worden gevonden en het handelen van de verdachte was in de kern aanvallend van aard.’
Het hof vult het arrest op de volgende manier aan.
Overzichtsarrest
NJ2016/316 m.nt. Rozemond) heeft Uw Raad onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
Verdediging van specifieke rechtsgoederen
Bespreking van het eerste cassatiemiddel
eerstemiddel klaagt dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘noodweersituatie’ omdat het hof de gedragingen van de verdachte ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, als ‘aanvallend’ heeft gekwalificeerd.
In casu is geen sprake van culpa in causa’ in dat het hof lijkt te overwegen dat het gedrag van de verdachte niet geschaard kan worden onder een noodweersituatie omdat hij wist dat er een mes in het spel was en desalniettemin is meegelopen naar de fietsenstalling met het groepje waar ruzie mee ontstond. In ieder geval ‘derogeert voornoemde omstandigheid’, aldus de steller van het middel, volgens het hof ‘wegens een vorm van eigen schuld’ aan de zijde van de verdachte aan de door de verdachte gestelde straffeloosheid wegens noodweer c.q. noodweerexces. Uit de omstandigheid dat de verdachte wist of kon weten dat er een mes in het spel was en vervolgens (toch) is meegelopen naar de fietsenstalling met het groepje kan volgens de steller van het middel nog niet worden afgeleid dat de verdachte zich willens en wetens heeft begeven in een situatie waarin een agressieve reactie te verwachten was. Voor zover het hof tot uitdrukking heeft willen brengen dat voornoemde situatie ertoe heeft geleid dat op een later moment niet of in verminderde mate van een noodweersituatie sprake was, heeft het hof dat standpunt ‘niet voldoende geschraagd met deugdelijke – en op het leerstuk noodweer en noodweerexces van toepassing zijnde – argumenten’.
Overwegingen hof t.a.v. rennen verzoeker achter aangever kan vaststelling dat sprake is van 'aanvallende gedraging' eveneens niet dragen’ dat uit de omstandigheid dat de verdachte zelf niet werd achtervolgd (en hij diegene was die zelf de achtervolging inzette) inderdaad kan worden afgeleid dat de verdachte – nadat hij in zijn arm was gestoken – de kans had om zich te onttrekken aan het geheel. Volgens de steller van het middel dient voornoemde omstandigheid evenwel in de juiste context te worden bezien. Uit de overwegingen van het hof zou weliswaar blijken dat de verdachte achter aangever [benadeelde ] aanrende, maar uit die overwegingen zou evengoed blijken dat laatstgenoemde zelf met een baksteen in zijn hand achter medeverdachte [betrokkene 1] aanrende. Dat de verdachte de mogelijkheid had zich te onttrekken aan deze situatie zou onverlet laten dat het bestaan van een noodweersituatie ook van toepassing is wanneer de (noodzaak tot) verdediging is gestoeld op de verdediging van andermans lijf. En dat medeverdachte [betrokkene 1] in gevaar was, zou al volgen uit het feit dat aangever achter hem aanrende met een baksteen in zijn hand. Bezien vanuit dat perspectief kan de gedraging van de verdachte volgens de steller van het middel niet als (louter) aanvallend worden gekwalificeerd. In dit verband wordt opgemerkt dat de door het hof gebezigde opmerking dat de verdachte ‘niet door [benadeelde ] is gestoken’ niet toereikend is voor de stelling dat ‘het gevaar was geweken’, nu het hof er wel van uitgaat dat [benadeelde ] tot hetzelfde groepje behoorde als de (onbekend gebleven) persoon die de verdachte heeft gestoken. Op zijn minst had het hof in het licht van het gedrag van aangever, nu deze met een baksteen achter de medeverdachte aanrende, beter moeten toelichten waarom het gedrag van de verdachte zonder meer als aanvallend en niet (ook) als verdedigend dient te worden beschouwd. Dit zou te meer gelden omdat het hof er zonder meer van uitgaat dat [slachtoffer] wél daadwerkelijk de intentie had om [benadeelde ] tegen de verdachte en de medeverdachte te verdedigen. Er blijkt volgens de steller van het middel – behalve dat wordt overwogen dat de verdachte ‘grof geweld toepaste’ – uit het arrest niet waarom het helpen van de medeverdachte door de verdachte (anders dan bij [slachtoffer] ) als ‘aanvallend’ moet worden gezien.
moetenonttrekken. [8] In de door het hof vastgestelde omstandigheden is voorts niet zonder meer begrijpelijk dat onttrekking aan de aanranding van de verdachte kon worden gevergd. Ik wijs er hierbij op dat ook bij een aanranding van een ander – in casu [betrokkene 1] – zich het geval kan voordoen dat de verdachte zich niet behoeft te onttrekken aan de aanranding (vgl. rov. 3.5.2 van het overzichtsarrest).
Bespreking van het tweede cassatiemiddel
tweedemiddel klaagt dat het hof het door de verdediging gevoerde verweer en uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat sprake is van noodweerexces heeft verworpen op gronden welke die beslissing niet kunnen dragen omdat het hof onvoldoende heeft uitgelegd waarom geen sprake is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding.
eerdereaanranding. Hiervoor kan in de stukken en het verhandelde ter terechtzitting geen concreet aanknopingspunt worden gevonden (…)’.
eerdereaanranding’ doelt het hof, zo begrijp ik, op het feit dat de verdachte met een mes in zijn arm is gestoken. Daarmee was, zo overwoog het hof eerder, op dat moment sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. In de overwegingen van het hof ligt aldus besloten dat het hof slechts het steken met het mes heeft aangemerkt als een wederrechtelijke aanranding die voor de beoordeling van het beroep op noodweerexces van belang is. Het hof heeft evenwel ook vastgesteld dat [benadeelde ] met een baksteen of een daarop gelijkend voorwerp [betrokkene 1] heeft achtervolgd, in welk verband het hof spreekt van een ‘aanval’ door [benadeelde ] . Gelet op hetgeen bij de bespreking van het eerste middel aan de orde kwam, is niet zonder meer begrijpelijk waarom het door [benadeelde ] met een baksteen of een daarop gelijkend voorwerp achtervolgen van [betrokkene 1] niet ook kan worden aangemerkt als een wederrechtelijke aanranding die bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces in aanmerking dient te worden genomen. [11] Het hof heeft er evenwel geen blijk van gegeven te hebben onderzocht of het handelen van de verdachte het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging – de gestelde paniek – die (mede) door die ‘aanval’ werd veroorzaakt. Ik merk hierbij op dat het beroep op noodweerexces niet los kan worden gezien van het beroep op noodweer, in welk verband de raadsman onder meer heeft aangevoerd dat [benadeelde ] een baksteen heeft gegooid en met een baksteen [betrokkene 1] heeft achtervolgd. Met de verwijzing naar de ‘aanhoudende aanvallen’ vanuit [benadeelde ] in het kader van het beroep op noodweerexces doelt de raadsman kennelijk mede op het door [benadeelde ] met een baksteen achtervolgen van [betrokkene 1] , nadat de verdachte kort tevoren met een mes was gestoken. Ik roep in dit verband nog in herinnering dat het hof in zijn overwegingen in het midden heeft gelaten of [benadeelde ] tevens een baksteen heeft gegooid.