Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdelen 1 t/m 2bestrijden het oordeel in rov. 4.7-4.10 dat Aegon niet heeft voldaan aan het vereiste van art. 7:929 lid 1 BW Pro om
de verzekeringnemerte wijzen op de niet-nakoming van de mededelingsplicht en de gevolgen daarvan. De
onderdelen 3 t/m 7bestrijden het oordeel in rov. 4.7 en 4.11 dat Aegon onvoldoende heeft onderbouwd dat zij
tijdigeen beroep op art. 7:929 lid 1 BW Pro heeft gedaan, waarbij ook de stelplicht en bewijslast aan de orde worden gesteld.
Onderdeel 8ten slotte betreft de door het hof bepaalde ingangsdatum voor de berekening van de wettelijke rente.
onderdelen 1 en 2bestrijden rov. 4.7 t/m 4.10, waarin het hof overwoog:
Onderdeel 2werpt de vraag op of aan art. 7:929 lid 1 BW Pro is voldaan indien de mededeling niet aan de verzekeringnemer is gedaan, maar wel de onherroepelijk begunstigde heeft bereikt.
dat hij zich zijn rechten dienaangaande voorbehoudt”. Bij Nota van wijziging is dit veranderd in de huidige bepaling, dat de verzekeraar de verzekeringnemer tijdig op zijn ontdekking wijst “
onder vermelding van de mogelijke gevolgen”. Deze wijziging werd als volgt toegelicht: [6]
.
onderdeel 1.Agetuigt het oordeel dat Aegon [betrokkene 1] zelf op zijn adres had moeten aanschrijven van een te formalistische uitleg dan wel toepassing van art. 7:929 lid 1 BW Pro, omdat de vaststelling van het hof dat [betrokkene 1] op 1 november 2007 reeds was overleden, impliceert dat Aegon [betrokkene 1] feitelijk niet kon informeren.
onderdeel 1.Bmiskent het oordeel dat Aegon [betrokkene 1] zelf had moeten aanschrijven, dat in dit geval het door art. 7:929 lid 1 BW Pro beoogde doel niet kon worden gediend, omdat aan het belang van de verzekeringnemer (of de begunstigde) om, na geïnformeerd te zijn door de verzekeraar, desgewenst maatregelen te nemen hier niet tegemoet zou zijn gekomen met een brief aan [betrokkene 1] Wegens diens afwezigheid en overlijden vóór 1 november 2007 kon geen nieuwe verzekering worden afgesloten of andere hier relevante maatregelen worden getroffen.
onderdeel 2.Ageeft het oordeel dat Aegon niet heeft voldaan aan het vereiste van art. 7:929 lid 1 BW Pro, ongeacht of de curator de brief van 1 november 2007 direct aan de echtgenote van [betrokkene 1] heeft doorgestuurd en deze brief met haar heeft besproken (rov. 4.9), blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Nu ten tijde van de brief van 1 november 2007 [betrokkene 1] reeds was overleden en zijn echtgenote daardoor onherroepelijk de eerste begunstigde van de verzekering was geworden (art. 7:968 onder Pro b BW), zou zijn voldaan aan (de bedoeling van) art. 7:929 lid 1 BW Pro als de echtgenote de brief via de curator heeft ontvangen (en deze met hem heeft besproken). De waarschuwing van art. 7:929 lid 1 BW Pro kan, althans onder omstandigheden als hier aan de orde ook bevrijdend worden gedaan aan een derde wiens of wier belang is verzekerd, zoals een derde-verzekerde of begunstigde. Aegon heeft ook gesteld dat zij, als zij destijds zou hebben geweten dat [betrokkene 1] was overleden, de brief rechtstreeks aan de door hem aangewezen eerste begunstigde zou hebben gezonden. [50]
onderdeel 2.B, waarin wordt geklaagd over de verwerping in rov. 4.9 van het bewijsaanbod van Aegon.
onderdelen 3 t/m 7bestrijden rov. 4.7 en rov. 4.11, waarin het hof overwoog:
kan de gevolgen daarvan slechts inroepen”) dat de verzekeraar zich wenst te beroepen op het rechtsgevolg van de voorgeschreven waarschuwing, te weten het kunnen inroepen van de gevolgen van schending van de mededelingsplicht. Daarom volgt uit de hoofdregel van art. 150 Rv Pro, dat de stelplicht en bewijslast ter zake de stelling dat de verzekeraar de verzekeringnemer binnen twee maanden na ontdekking heeft gewezen op de niet-nakoming van de mededelingsplicht en de mogelijke gevolgen daarvan, rusten op de verzekeraar. Deze bewijslastverdeling is ook redelijk omdat de benodigde feiten, zowel wat betreft het moment van ontdekking als wat betreft het wijzen op de niet-nakoming en de gevolgen daarvan, zich zullen bevinden in de sfeer van de verzekeraar. Ik sluit mij hierbij aan.
Onderdeel 6stelt dat ook als de tweemaandentermijn van art. 7:929 lid 1 BW Pro wel zou zijn aangevangen op 5 september 2007, deze niet op maar na 5 november 2007 zou zijn afgelopen.
onderdeel 7.Aheeft het hof te hoge eisen gesteld aan de stelplicht van Aegon ter zake het voldaan zijn aan de tweemaandentermijn van art. 7:929 lid 1 BW Pro en volgens
onderdeel 7.Book aan haar bewijsaanbod ter zake.
onderdeel 8, samengevat, miskent de toewijzing conform de vordering van [verweerders] van de wettelijke rente vanaf 6 maart 2006 dat voor verschuldigdheid van de wettelijke rente is vereist dat de schuldenaar in verzuim verkeert, althans heeft het hof zijn impliciete oordeel dat reeds vanaf 6 maart 2006 sprake was van verzuim ontoereikend gemotiveerd.
de wettelijke rente eerst kan worden toegewezen vanaf 27 april 2011, de datum waarop vast kwam te staan, dat [betrokkene 1] niet meer in leven was” (conclusie van antwoord nr. 10).
Onderdeel 8slaagt daarom niet.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
subonderdelen 1.1 en 1.2bestrijden de overweging in rov. 4.6, dat “
[n]iet ter discussie staat dat in de brief melding is gemaakt van schending van de mededelingsplicht en de gevolgen die Aegon daaraan wenst te verbinden.“
Subonderdeel 1.3verbindt hieraan een klacht over de uitleg van grief 3 in rov. 4.4.
Subonderdeel 1.4bevat een louter voortbouwende klacht.
subonderdeel 1.1heeft het hof miskend dat bij beantwoording van de vraag of in een gegeven geval de vereisten van art. 7:929 lid 1 BW Pro zijn vervuld, doorslaggevend is of de verzekeraar heeft gewezen op de niet-nakoming onder vermelding van de
mogelijkegevolgen daarvan en dus niet slechts, zoals het hof overweegt, de door de verzekeraar
gewenstegevolgen. Art. 7:929 lid 1 BW Pro kan niet anders worden gelezen, dan dat de verzekeraar melding dient te maken van de door hem aan de niet-nakoming van de mededelingsplicht te verbinden gevolgen, een en ander voor zover toelaatbaar door de wet. Aansluitend voert
subonderdeel 1.2aan dat Aegon met haar brief op deze gevolgen geen beroep heeft gedaan nu zij slechts de vernietiging van de verzekering inriep, een rechtsgevolg dat naar het sinds 1 januari 2006 geldende recht niet meer bestaat.
onder vermelding van de mogelijke gevolgen“.
dit mogelijke gevolg” en van “
welke gevolgen de verzekeraar aan de niet-nakoming van de mededelingsplicht wil verbinden” (zie in 3.7.2-3.7.3). Op de vraag van de leden van de CDA-fractie wat de consequentie is indien de verzekeraar niet op de mogelijke gevolgen duidt of dit niet volledig of in onduidelijke bewoordingen doet, antwoordde de minister:
onderdeel 1.2dient te falen. Indien de verzekeraar zich in zijn waarschuwing op het standpunt heeft gesteld dat de overeenkomst als gevolg van de schending van de mededelingsplicht vernietigbaar is – een rechtsgevolg dat de huidige wet daaraan niet meer verbindt − dan zal door uitleg moeten worden vastgesteld hoe de verzekeringnemer deze waarschuwing heeft mogen opvatten. In cassatie kan deze uitlegvraag niet voor het eerst aan de orde worden gesteld, omdat de beantwoording ervan afhangt van feitelijke omstandigheden.
Onderdeel 1.3stelt dit aan de orde. Nu de behandeling van de
onderdelen 1.3 en 1.4bij gebrek aan belang niet nodig is en zij ook geen vragen aan de orde stellen over de betekenis van art. 7:929 lid 1 BW Pro, zal ik deze onderdelen niet bespreken.