Conclusie
Partijen zijn overeengekomen dat direct bij het tekenen van de LOI $ 500.000 zal worden verstrekt als voorschot op de totale financiering (in eerste instantie middels een lening aan
2.Bespreking van het cassatieberoep
Biek Holdings [9] dat uit het feit dat met een maatschap is gecontracteerd niet volgt dat voor een schadevergoedingsvergoeding wegens beroepsfouten de maatschap in rechte moet worden betrokken. Biek kon er volgens Uw Raad ook voor kiezen (mede) de individuele maten (als maat of uit anderen hoofde) persoonlijk aan te spreken. Als sprake zou zijn van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, dan had de vordering moeten worden ingesteld tegen de maatschap en alle maten tezamen. In 2015 lag bij Uw Raad een zaak voor waarin een maatschap en twee van de drie maten hoger beroep hadden ingesteld tegen een vonnis waarbij de maatschap en haar drie maten hoofdelijk waren veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. Uitgemaakt werd dat de veroordeling ten opzichte van de niet-appellerende maat kracht van gewijsde heeft, maar dat de andere hoofdelijk veroordeelde schuldenaren de vordering in hun eigen relatie tot de schuldeiser in appel mochten bestrijden [10] . Als sprake zou zijn van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, dan had ook de niet-appellerende maat in dit hoger beroep moeten worden betrokken.
eerste onderdeel, dat uiteen valt in zes subonderdelen, is gericht tegen hetgeen het hof in rov. 3.24 en 3.25 heeft overwogen in het kader van het oordeel dat de Maatschap tekort is geschoten in de nakoming van de LoI.
subonderdeel I.1zou het hof hebben miskend dat art. 11 van Pro de LoI geen verplichtingen voor de Maatschap in het leven riep (maar voor [C] en/of [A] [11] die op grond van art. 11 LoI Pro een aandeelhoudersovereenkomst met Sevilla moest(en) sluiten waarin zou worden vastgelegd dat de zeggenschap van Sevilla in [A] 51% is) [12] .
subonderdeel I.4wordt betoogd dat het hof niet voldoende heeft gerespondeerd op een aantal stellingen. De Maatschap c.s. heeft niet alleen gesteld dat zij slechts verplichtingen op zich had genomen ingevolge art. 32 en Pro 37 LoI, betrekking hebbend op het omzetten van de kapitaalinbreng (in twee stappen van elk USD 6,5 miljoen [14] ) van Sevilla in de Maatschap in een vordering van Sevilla op [A] [15] en dat zij geen verplichtingen op zich had genomen ingevolge art. 11 LoI Pro [16] . Zij heeft tevens aangevoerd dat de voorwaarden waaronder zij ingevolge art. 32 LoI Pro mee moest werken aan het omzetten van de eerste 50% van de kapitaalinbreng van Sevilla in de Maatschap (USD 6,5 miljoen) naar een vordering van Sevilla op [A] [17] – te weten dat Sevilla een participatie van 15% in [A] zou hebben verkregen [18] en de eerste projectfinanciering (van USD 2 miljoen) zou zijn verstrekt [19] – niet zijn vervuld [20] , zodat zij nog niet hoefde mee te werken aan die omzetting [21] . Uit deze stellingen kan volgen dat de Maatschap niet tekort is geschoten in de uitvoering van de LoI waar haar verplichtingen slechts uit art. 32 en Pro 37 voortvloeiden en er voor haar nog niets uit te voeren viel zolang er niet aan de daarin genoemde voorwaarden was voldaan.
subonderdeel I.6gaat het om het oordeel van het hof dat het de Maatschap valt te verwijten dat zij niet heeft gehandeld, terwijl zij ermee bekend was dat Sevilla niet in de positie werd gebracht zoals die in de LoI was voorzien. Volgens het subonderdeel bestaat geen rechtsgrond voor het oordeel dat de Maatschap ervoor had moeten zorgen dat art. 11 van Pro de LoI jegens Sevilla correct werd nagekomen en legt het hof ook niet uit waarop deze verplichting zou berusten. Bovendien zou niet zijn in te zien dat een protest van de Maatschap tot een ander resultaat had geleid, omdat niet is vastgesteld dat de Maatschap zeggenschap had over de partijen die de verplichtingen onder art. 11 van Pro de LoI moesten nakomen. Gegrondbevinding van het eerste onderdeel raakt ook het oordeel in rov. 3.27 dat de Maatschap in verzuim is.
Subonderdelen I.1-I.4 en I.6berusten op het onjuiste uitgangspunt dat uit (art. 11 van Pro) de LoI uitsluitend de verplichtingen voortvloeien die uitdrukkelijk zijn overeengekomen. Daarmee wordt eraan voorbij gezien dat de rechten en verplichtingen van contractspartijen ook worden bepaald door de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding beheerst. Het hof is kennelijk van oordeel dat op de Maatschap een verplichting rustte met betrekking tot de correcte nakoming van art. 11 van Pro de LoI en dat de Maatschap hierin tekort is geschoten. Onbegrijpelijk acht ik dat oordeel niet (zie hiervoor 2.22-2.24). Ook
subonderdeel I.5acht ik ongegrond. Een verklaring van een partij kan mede zijn gelegen in een zwijgen of nalaten (vgl. art. 3:37 BW Pro) [32] . Het hof mocht bij zijn beoordeling van de opstelling van de Maatschap daarom meewegen dat zij zich niet van het standpunt van [C] over de zeggenschapsregeling heeft gedistantieerd. De stelling aan het slot van
subonderdeel I.6dat niet valt in te zien waarom protest van de Maatschap tot een ander resultaat zou hebben geleid, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De stelling is niet voorzien van verwijzingen naar vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties. Overigens is dit een causaal argument dat niet relevant is voor de vraag of sprake is van een tekortkoming van de Maatschap.
eerste onderdeelnaar mijn mening faalt.
tweede onderdeel, bestaande uit vier subonderdelen, is gericht tegen hetgeen het hof in rov. 3.24 en 3.25 heeft overwogen over de tekortkoming van de Maatschap in de nakoming van de LoI en het passeren van het bewijsaanbod in rov. 3.70.
subonderdeel II.3heeft het hof ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting als rov. 3.70 zo moet worden begrepen dat het hof het bewijsaanbod heeft gepasseerd omdat [eiser 19] en [eiser 18] al verklaringen bij het pleidooi in hoger beroep hebben afgelegd. In de eerste plaats mag de rechter volgens het subonderdeel niet op grond van zijn waardering van ter zitting afgelegde verklaringen aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte vooruitloopt op het resultaat van een bewijsvoering die nog plaats moet vinden. In de tweede plaats hebben alleen [eiser 19] en [eiser 18] verklaringen afgelegd tijdens de zitting en niet [eiser 17] die door de Maatschap c.s. ook als getuige is genoemd.
subonderdelen II.1 en II.2falen. De
subonderdelen II.3 en II.4gaan ervan uit dat het hof het bewijsaanbod op andere gronden heeft gepasseerd en missen dus feitelijke grondslag. Het
tweede onderdeelacht ik daarom ongegrond.
derde onderdeelis gericht tegen rov. 3.25, 3.26 en 3.30. Het onderdeel, dat één klacht bevat, wijst op de stelling van de Maatschap dat zij alleen verplichtingen had onder art. 32 en Pro 37 van de LoI [52] . Verder zou uit de overgelegde producties en processtukken blijken dat de conceptovereenkomst als bedoeld in art. 32 en Pro 37 van de LoI reeds was opgesteld en ook (door [betrokkene 2] ) was verstuurd aan Sevilla [53] en dat Sevilla heeft verklaard zich te kunnen vinden in de stukken van [betrokkene 2] die betrekking hadden op de (rechts)handelingen die de Maatschap moest verrichten [54] . In dat licht zou zonder nadere motivering niet zijn in te zien wat de Maatschap nog meer had moeten doen ter uitvoering van haar verplichtingen onder de LoI dan zij heeft gedaan. Het onderdeel acht het andersluidende oordeel niet voldoende gemotiveerd. Gegrondbevinding van het onderdeel zou meebrengen dat het oordeel in rov. 3.27 dat sprake is van verzuim van de Maatschap niet in stand kan blijven.
eerste onderdeelkomt met twee subonderdelen op tegen het oordeel in rov. 3.61 dat op de Maatschap c.s. geen ongedaanmakingsverplichting rust voor het door Sevilla als voorschot op de financiering betaalde bedrag van USD 500.000.
subonderdeel 1.2is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.61 heeft geoordeeld dat de ongedaanmakingsverbintenis na ontbinding van de LoI niet (ook) op de Maatschap rust. Het subonderdeel wijst daartoe op vier omstandigheden:
“bereid (…) om, buiten de Maatschap om, USD 6 mio te investeren waarbij Sevilla 51% zeggenschap zou verkrijgen.”Daartegenover hebben, zie rov. 3.3,
“de diverse betrokken partijen stappen ondernomen (…) om tot afspraken te komen (…). Uiteindelijk zijn de daartoe gemaakte afspraken neergelegd in een Letter of Intent (…) die door de volgende partijen [57] (…) is ondertekend (…).”Het doel van de LoI, dat Sevilla USD 6 miljoen in het Project investeerde tegen verkrijging van 51% van de zeggenschap en omzetting van de schuld van de Maatschap aan Sevilla in een schuld van [A] aan Sevilla (rov. 3.2-3.4) [58] , diende in een aantal stappen te worden verwezenlijkt (rov. 3.4-3.5). De structuur waarin het project (ten minste economisch) geheel in handen van de Maatschap was [59] , werd daarmee gewijzigd in een
joint venturetussen de Maatschap (indirect, via [C] ) en Sevilla [60] . De verschillende stappen van deze transactie zijn, met vermelding van de bij elke stap specifiek betrokken partijen, uitgewerkt in de LoI (zie rov. 3.5). Aan de kant van Sevilla staat slechts Sevilla; overal waar van haar kant handelen vereist is doet zij dat zelf. Aan de andere kant, van de Maatschap, [C] , [A] , [B] en [D] is steeds van één of meer van hen handelen vereist, afhankelijk van het niveau in de structuur waar de participatie en zeggenschap van Sevilla moest worden geïmplementeerd en dat alles steeds onder regie van de Maatschap [61] . Sevilla had onder de LoI ook de nodige verplichtingen, om te beginnen tot betaling van USD 500.000, nog voordat de wijziging in de zeggenschap zou plaatsvinden.
peircing the corporate veil) [78] . Op dit leerstuk is echter geen uitdrukkelijk beroep gedaan; de stelling dat de Maatschap, [C] , [A] , [B] en [D] gezamenlijk optrokken is, lijkt mij, onvoldoende hiervoor. Verder dient te worden bedacht dat Sevilla als oorspronkelijke maat direct betrokken was bij de inrichting van de vennootschapsrechtelijke structuur van het Project. Overigens maakt het faillissementsverslag van de curator van [B] van 5 augustus 2020 ook geen melding van verwijtbaar handelen van de Maatschap [79] . Dit betekent dat een vereenzelviging tussen de Maatschap en [C] / [B] hier niet aan de orde is.
eerste onderdeelacht ik daarom ongegrond.
tweede onderdeelis gericht tegen rov. 3.62 waarin het subsidiaire betoog is verworpen dat de Maatschap door de betaling van USD 500.000 ongerechtvaardigd is verrijkt. Naar het oordeel van het hof heeft Sevilla onvoldoende toegelicht en onderbouwd waaruit de verrijking heeft bestaan. Volgens het onderdeel is dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk in het licht van de volgende omstandigheden waarvan in cassatie moet worden uitgegaan:
tweede onderdeelnaar mijn mening geen doel treft.
derde onderdeelkomt met twee subonderdelen op tegen de beoordeling in rov. 3.63 van het meer subsidiaire beroep op onrechtmatig handelen van de Maatschap.
derde onderdeel.
vierde onderdeel, dat uiteenvalt in drie subonderdelen, betreft passages uit rov. 3.48 en 3.55 met betrekking tot de schade en het deskundigenrapport van Sman.
“Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de gemotiveerde betwisting die is gebaseerd op de fundamentele kritiek van Hermes op het Sman-rapport, niet zonder meer worden uitgegaan van de rapportage van Sman. Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hierover in r.o. 8.60 heeft geoordeeld en neemt dat over.”In rov. 8.59-8.60 heeft de rechtbank de kritiek van Hermes op het Sman-rapport weergegeven. De rechtbank is daarna inderdaad gekomen tot een verderstrekkende slotsom over het rapport van Sman dan het hof in rov. 3.48 en 3.55 heeft bereikt. Met zijn verwijzing naar het vonnis zal het hof naar mijn mening dus het oog hebben gehad op de weergave van de kritiek op het Sman-rapport.
subonderdeel 4.2is het oordeel van het hof onbegrijpelijk voor zover dit is gebaseerd op het overnemen van rov. 8.60 van het vonnis van de rechtbank. Sevilla wijst erop dat zij heeft aangevoerd (i) dat de rechtbank in rov. 2.13 van haar vonnis van 6 april 2016 is teruggekomen van haar eindbeslissing in rov. 8.59 – de onderbouwing van het oordeel in rov. 8.60 – dat rekening moest worden gehouden met het risico dat Sevilla de overeengekomen USD 4 miljoen niet zou verstrekken [86] ; en (ii) dat en waarom rov. 8.59 van het vonnis niet in stand kan blijven, juist omdat er geen aanleiding was te veronderstellen dat Sevilla de overeengekomen USD 4 miljoen niet zou verstrekken [87] . Het hof heeft het vonnis van 6 april 2016, dat door Sevilla is overgelegd (productie 8 bij MvG), in rov. 3.49 van zijn arrest genoemd. Verder richten de kritiekpunten van de rechtbank zich volgens Sevilla slechts op de berekening van het Soll-scenario en niet op andere punten van het rapport.
business milestonesniet zouden worden gerealiseerd doordat de financiering van het eerste hotel (waarvoor een bedrag van USD 10 miljoen was begroot) niet rond zou komen (vonnis 21 oktober 2015, rov 8.59). Het daarop volgende tussenvonnis van 6 april 2016 betreft de verhouding tussen Sevilla en [C] (volgens de rechtbank was alleen [C] schadeplichtig). In dat vonnis van 6 april 2016 is de rechtbank teruggekomen van haar overweging over de financiering van USD 4 miljoen (rov. 2.13) en heeft zij haar overweging ten aanzien van de financiering van USD 10 miljoen gehandhaafd (rov. 2.14).
subonderdeel 4.2zodoende niet tot cassatie leiden.
vierde onderdeelin mijn ogen ook tevergeefs is voorgesteld.
3.Conclusie
principaal cassatieberoepconcludeer ik tot niet-ontvankelijk verklaring van het beroep tegen verweersters sub 2 en 3 en tot verwerping van het beroep tegen verweerster sub 1. In het
incidenteel cassatieberoepconcludeer ik tot verwerping.