Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het procesverloop
3.Het middel
materiëleinhoud van de mail. In meer – in mijn woorden –
formeelopzicht wordt betwist dat er sprake is van een volmacht tot intrekking omdat niet zeker is wie de mail heeft verzonden, de mail niet is ondertekend en de intrekking per mail niet voldoet aan de vereisten van schriftelijkheid. Daarnaast wordt erover geklaagd dat de strafgriffie naar aanleiding van de mail niet heeft geïnformeerd bij het kantoor van de raadsman en dat het hof naar aanleiding van een tweede mail van de verdachte geen nader onderzoek heeft gedaan.
verdachte- zakelijk weergegeven - als volgt:
raadsvrouwvan verdachte brengt - zakelijk weergegeven - het volgende naar voren:
verdachte– zakelijk weergegeven –:
advocaat-generaalbrengt haar standpunt naar voren, dat – zakelijk weergeven – luidt:
raadsvrouwreageert – zakelijk weergegeven – als volgt:
“(…) dat wij afstand doen van de inbeslaggenomen auto, (…). Deze was in hoger beroep, maar ook hoger beroep trek ik hierbij in”.Ter terechtzitting was door de verdachte aangevoerd dat zijn partner op advies van de raadsman een brief had opgesteld met de mededeling dat de verdachte afstand zou doen van de inbeslaggenomen auto, dat de verdachte de brief ook zo had gelezen en dat het niet zijn bedoeling was om het gehele hoger beroep in te trekken. De raadsman heeft een en ander bevestigd. Het hof oordeelde echter dat de in de brief gedane mededeling dusdanig duidelijk is verwoord dat de strafgriffie van de rechtbank deze mededeling kon en mocht verstaan als een bijzondere volmacht tot het intrekken van het hoger beroep, dat de verdachte ter zitting heeft bevestigd dat hij de brief heeft ondertekend en dat de verdachte, gelet op zijn uittreksel justitiële documentatie, geacht moet worden voldoende op de hoogte te zijn met de regels van het strafproces. De Hoge Raad oordeelde dat het kennelijke oordeel van het hof dat de inhoud van de brief in dit geval als een duidelijke en ondubbelzinnige intrekking kan gelden, mede gelet op hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk is.
NJ2021/201 m.nt. Vellinga. In die zaak werd in cassatie geklaagd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet als ingetrokken geldt. De Hoge Raad oordeelde als volgt:
NJ2021/200 m.nt. Vellinga. De Hoge Raad oordeelde daarin als volgt:
moet worden geachtaan een griffieambtenaar een bijzondere schriftelijke volmacht te hebben gegeven tot het instellen van een rechtsmiddel als bedoeld in art. 450 lid 3 Sv Pro. [6] Het ligt voor de hand dat diezelfde soepelheid ook wordt betracht wanneer de verdachte de strafgriffie per e-mail laat weten een rechtsmiddel te willen instellen of intrekken. Het lijkt mij sterk dat de op 1 december 2016 in werking getreden Wet digitale processtukken Strafvordering [7] hierin verandering heeft gebracht. [8]
3.3. Het aanwenden van rechtsmiddelen
de wet:het Wetboek van Strafvordering;
elektronische voorziening:een webportaal of andere internetdienst ten behoeve van de overdracht van de stukken, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, aan of door de bevoegde instanties;