Conclusie
1.Uitgangspunten
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Iover het oordeel in rov. 3.12 dat de post voor waardedaling van de auto niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Onderdeel IIbevat een louter op onderdeel I voortbouwende klacht.
onderdeel Iis rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk dat het hof het redelijk acht deze schadepost voor rekening van [eiser] te laten komen op de grond dat [eiser] en/of zijn echtgenote de auto onder zich hebben gehad en zij met de auto een aanzienlijk aantal kilometers zouden hebben gereden.
eerste klachtis die laatste stelling weliswaar door [verweerster] (voor het eerst) ingenomen in de antwoordmemorie na verwijzing sub 2.15, 60 en 61, maar aangezien dat het laatste processtuk was dat in de verwijzingsprocedure mocht worden genomen, had het hof zulks niet (als onbestreden) voor waar mogen aannemen, aangezien [eiser] daarop niet meer heeft kunnen reageren.
tweede klachtvalt zonder nadere redengeving (die ontbreekt) niet in te zien, waarom het feit dat [eiser] en/of zijn echtgenote de auto tot de verkoop in de tweede helft van 2013 onder zich hebben gehad, voor rekening van [eiser] dient te komen, nu dat immers een omstandigheid is die aansluitend aan [verweerster] is toe te rekenen, nu zij deze personenauto ten onrechte (in 2009) niet van [eiser] heeft willen afnemen (en [eiser] om die reden terecht de overeenkomst met betrekking tot de Mercedes op 1 maart 2010 buitengerechtelijk heeft ontbonden).
geredenkilometers. [6] De brief gaat uit van veronderstelde kilometrages (‘
angenommen Laufleistung’), per 30 april 2013 van 50.000 kilometer.
eerste klachtvan onderdeel I niet op. Deze klacht verwijst op zichzelf terecht naar de rechtspraak van de Hoge Raad waaruit volgt, kort gezegd, dat de omstandigheid dat een appellant niet meer op de memorie van antwoord heeft gereageerd, in het algemeen ten gevolge heeft dat hetgeen in die memorie is opgemerkt door het hof niet als onweersproken mag worden aangemerkt. [7] De memorie van antwoord na verwijzing was het laatste processtuk van [verweerster] , waarin zij de vorderingen van [eiser] bestreed.
tweede klachtberust naar mijn mening op een onjuiste lezing van de bestreden overweging en kan daarom niet slagen. Het hof baseert zijn oordeel niet op de (enkele) omstandigheid dat [eiser] en/of zijn echtgenote de auto tot de verkoop in de tweede helft van 2013 onder zich hebben gehad. Het gaat erom, zoals blijkt uit rov. 3.12, dat [eiser] en/of zijn echtgenote de auto in die periode ook hebben gebruikt door daarmee een aanzienlijk aantal kilometers te rijden. Anders dan de klacht aanvoert, gaat het dus niet om een omstandigheid die uitsluitend aan [verweerster] is toe te rekenen. Aangenomen mag immers worden dat het bij een auto als de onderhavige niet gaat om een zaak die gebruikt moet worden om te voorkomen dat haar functionaliteit of waarde verloren gaat (zoals bijvoorbeeld wanneer een verkoper een rijpaard, dat door de koper niet is afgenomen, laat berijden om het in conditie te houden). Gezien het voorgaande slaagt
onderdeel IIevenmin.