Conclusie
niethet zogenoemde ‘schuurgedeelte’ in de boerderij en heeft zij het schuurgedeelte dus
niethoeven ontdoen van de spullen die zij daar opslaat. Volgens [de man] hoort het schuurgedeelte
welbij het bedrijfsruimtegedeelte en heeft [de vrouw] niet aan de veroordeling in het arrest van 4 februari 2020 voldaan door haar spullen in het schuurgedeelte te laten staan. [de man] meent dat [de vrouw] daarom dwangsommen heeft verbeurd.
1.Feiten
de bedrijfsruimte”.
nietde bedrijfsruimte omvat. Wél is volgens de kantonrechter met betrekking tot die ruimte (de bedrijfsruimte) tussen [de vrouw] en [de man] een afzonderlijke (mondelinge) huurovereenkomst tot stand gekomen.
gedoogvordering” van [de man] (randnummer 1.8, onder (i), hiervoor) geclausuleerd toegewezen, onder twee voorwaarden:
Grief 2is gericht tegen de afwijzing van de vorderingen om te gedogen dat [de man] en derden namens hem de bedrijfsruimte kunnen betreden en daarin ongehinderd werkzaamheden kunnen uitvoeren. Ook is het gericht tegen de afwijzing van de vordering tot ontruiming door [de vrouw] van dat bedrijfsgedeelte en van de tuin en de parkeerplaatsen behorend bij het perceel [a-straat 2].
zaak 3opgelegde verboden zouden rechtvaardigen.
in de zaak met nummer 200.240.950/01 (zaak 2)
openslaande deuren” naar het terras aan [de man] overhandigd.
2.Procesverloop
Eerste aanleg
de schuurruimte in de boerderij, die is gelegen achter de toegangsdeur aan de zijkant van de boerderij [a-straat 2], óók als onderdeel van de bedrijfsruimte moet worden aangemerkt.” De voorzieningenrechter heeft deze vraag voorshands ontkennend beantwoord (rov. 6.4.).
een schuurruimte” bevindt (door [de man] “
gedeelde doorgang” of “
werkplaats” genoemd), die naar een inpandige, niet-afsluitbare deur leidt die toegang verschaft tot de door [de vrouw] gehuurde woonruimte. Volgens de voorzieningenrechter is links van de schuurruimte de bedrijfsruimte gesitueerd en bevond zich tussen de bedrijfsruimte en de schuurruimte een onafgebouwde muur. De voorzieningenrechter heeft tevens een plattegrond van de boerderij weergegeven die [de man] in de procedure heeft overgelegd (rov. 2.11.):
gedeelte doorgang” genoemd) (rov. 6.5.). De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat ook het hof in het arrest van 4 februari 2020 van een “
uitdrukkelijk onderscheid” tussen de bedrijfsruimte en de schuurruimte is uitgegaan. Volgens de voorzieningenrechter zijn de twee voorwaarden die het hof aan de toewijzing van de “
gedoogvordering” heeft verbonden daarvoor redengevend:
nietals onderdeel van de bedrijfsruimte heeft gezien. Immers, als de schuurruimte onderdeel uitmaakte van de bedrijfsruimte, dan had het opleggen aan [de man] van de verplichtingen om een eigen toegangsdeur tot de bedrijfsruimte en een afscheidingswand tussen de bedrijfsruimte en de woonruimte aan te brengen, op de plek van de scheiding tussen de bedrijfsruimte en de schuurruimte, geen zin. Opvallend is dat het gerechtshof in het dictum van zijn arrest onder b) uitdrukkelijk spreekt over de verplichting tot het aanbrengen van een afscheiding tussen
de bedrijfsruimte en de woonruimte van [de vrouw]. Voorshands kan dit redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan dat het gerechtshof daarbij de schuurruimte als onderdeel van de woonruimte van [de vrouw] heeft beschouwd. (…).”
nietals onderdeel van de in het arrest van 4 februari 2020 bedoelde bedrijfsruimte kan worden beschouwd (rov. 6.7.). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [de vrouw] voldaan aan de inhoud van de veroordelingen van het arrest van 4 februari 2020 (rov. 6.9.) en heeft [de vrouw] uit dien hoofde dus géén dwangsommen aan [de man] verbeurd (rov. 6.11.).
gedoogveroordeling” verbonden twee voorwaarden niet kan worden afgeleid dat het schuurgedeelte tot de door [de vrouw] gehuurde woonruimte behoort:
3.De uitleg van de veroordeling in het arrest van 4 februari 2020
Inleiding: de uitleg van een dictum/veroordeling
redelijke voorwaarden”, [18] een algemeen verbod tot “
merkinbreuk”, [19] een verbod om zich zodanig uit te laten dat bij derden “
twijfel kan worden gewekt” over de integriteit en objectiviteit van bepaalde personen, [20] en een verbod om een woordmerk te gebruiken waardoor “
bij het publiek verwarring omtrent de herkomst der waren zou kunnen ontstaan”. [21] Het is vaste rechtspraak van Uw Raad dat de executierechter een dergelijk, algemeen geformuleerd (met een dwangsom gesanctioneerd), rechterlijk bevel aldus moet uitleggen dat de draagwijdte van het bevel beperkt is tot handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op de gronden waarop het bevel werd gegeven, inbreuken opleveren als door de rechter verboden. [22]
niettot taak de door de (bodem)rechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. De rechter dient zich te beperken tot het toetsen van de handelingen die ter uitvoering van het veroordelend vonnis zijn verricht aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld (randnummer 3.3 hiervoor). [24] Het staat de rechter vrij om bij de uitleg van de veroordeling de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hanteren. [25]
nietgaat om een algemeen geformuleerd gebod, vergelijkbaar met de voorbeelden genoemd in randnummer 3.6 hiervoor. Het gaat om een concreet geformuleerd verbod, op grond waarvan [de vrouw] is gehouden “
de bedrijfsruimte te ontruimen”.
niethad hoeven ontruimen. Het hof heeft echter in rov. 7.16 van het bestreden arrest geoordeeld dat de veroordeling tot ontruiming tevens op het schuurgedeelte zag en dat [de vrouw] dit ook had behoren te begrijpen. Het hof heeft zijn oordeel als volgt gemotiveerd.
een zo genoemde bedrijfsruimte en een woonruimte” (randnummer 1.9 hiervoor). De woorden ‘schuurruimte’ of ‘schuurgedeelte’ komen in het arrest van 4 februari 2020 in het geheel niet voor.
bedrijfsruimteheeft ingedeeld door er muren te plaatsen en de
bedrijfsruimteals opslagplaats bij haar woning gebruikt. Vast staat dat [de vrouw] het
schuurgedeeltealtijd heeft gebruikt voor de opslag van goederen en daar nog steeds goederen in heeft opgeslagen (rov. 7.6, randnummer 2.10 hiervoor). Uit de eigen stellingen van [de vrouw] volgt dan ook dat zij het schuurgedeelte, dat zij als opslagplaats gebruikt,
zelfals een onderdeel zag/ziet van de bedrijfsruimte en dus
nietvan haar woongedeelte.
gedoogveroordeling” verbonden twee voorwaarden, zoals geformuleerd in het dictum van het arrest van 4 februari 2020 (randnummer 1.11 hiervoor), ook niet valt af te leiden dat het schuurgedeelte onderdeel uitmaakt van de woonruimte van [de vrouw]. Volgens het hof ziet de voorwaarde onder b) – “
het aanbrengen van een volledige en dichte afscheidingswand tussen het bedrijfsruimtegedeelte en het woongedeelte van [de vrouw]” – op het aanbrengen van een afscheiding tussen een slaapkamer (in het woongedeelte) en de bedrijfsruimte en
nietop de onafgebouwde muur tussen het schuurgedeelte en de bedrijfsruimte. Dat kan ook niet anders, want de (voorheen) onafgebouwde muur tussen het schuurgedeelte en de bedrijfsruimte komt in het arrest van 4 februari 2020 in het geheel niet voor (randnummers 1.9 en 1.10 hiervoor). Op die muur kan de door het hof geformuleerde voorwaarde dus onmogelijk zien. Bovendien heeft het hof in rov. 2.3 van het arrest van 4 februari 2020 vastgesteld dat de bedrijfsruimte niet volledig van de woonruimte is afgescheiden, omdat een slaapkamer in de woonruimte zich in open verbinding met de bedrijfsruimte bevindt (randnummer 1.9 hiervoor). Ook gelet op dit door het hof vastgestelde feit is het duidelijk dat de voorwaarde onder b) zag op het bouwen van een muur tussen de slaapkamer en de bedrijfsruimte en niet op een muur tussen het schuurgedeelte en de bedrijfsruimte. Met betrekking tot de voorwaarde onder a) – “
het aanbrengen van een voordeur die direct toegang tot de bedrijfsruimte verschaft” – heeft het hof in het bestreden arrest overwogen dat die voorwaarde kan worden begrepen in het licht van de omstandigheid dat [de man] de bedrijfsruimte anders wilde gaan indelen en dat hinder daarvan voor [de vrouw] in haar persoonlijke levenssfeer zoveel mogelijk moet worden beperkt/voorkomen en dat zij de bedrijfsruimte in elk geval moest kunnen blijven gebruiken voor de toegang tot haar woonruimte. Deze uitleg van het hof is in lijn met rov. 4.25 van het arrest van 4 februari 2020, waarin het hof de twee voorwaarden heeft geformuleerd om “
de persoonlijke levenssfeer van [de vrouw] zoveel mogelijk te waarborgen” (randnummer 1.10 hiervoor). De voorwaarde een afzonderlijke deur aan te brengen, zodat [de man] minder vaak (of in het geheel niet meer) van de gezamenlijke toegangsdeur gebruik hoeft te maken, kan bezwaarlijk worden gezien als een argument dat het schuurgedeelte van de boerderij onderdeel uitmaakt van de woonruimte van [de vrouw].
wetendedat het schuurgedeelte onderdeel uitmaakt van de bedrijfsruimte (randnummer 3.14 hiervoor). Voor zover bij de voorzieningenrechter dus twijfel heeft bestaan over de reikwijdte van de veroordeling in het arrest van 4 februari 2020, als gevolg waarvan de voorzieningenrechter deze veroordeling beperkt heeft uitgelegd (in het voordeel van [de vrouw]), bestond dergelijke twijfel in elk geval niet bij [de vrouw] zelf. Ook heeft de voorzieningenrechter (in het begin van rov. 6.6.) geoordeeld dat het hof in het arrest van 4 februari 2020 is uitgegaan van een “
uitdrukkelijk onderscheid” tussen de bedrijfsruimte en de schuurruimte, terwijl de woorden ‘schuurruimte’ of ‘schuurgedeelte’ in het arrest van 4 februari 2020 niet voorkomen en het arrest alleen een onderscheid maakt tussen “
een zo genoemde bedrijfsruime en een woonruimte” (randnummer 3.13 hiervoor). Daarnaast heeft de voorzieningenrechter een onbegrijpelijke betekenis toegekend aan de twee voorwaarden waaronder het hof in het arrest van 4 februari 2020 de “
gedoogveroordeling” heeft toegewezen (randnummer 3.15 hiervoor). Dit geldt met name ten aanzien van de voorwaarde onder b) – het plaatsen van de scheidingswand tussen de bedrijfsruimte en de woonruimte – waar de voorzieningenrechter ook nog eens de meeste waarde aan lijkt te hebben gehecht. Dit alles maakt dat het vonnis van de voorzieningenrechter onvoldoende is om te concluderen dat de veroordeling in het arrest van 4 februari 2020 ruimte laat voor verschillende interpretaties en het hof dus niet had mogen oordelen dat [de vrouw] had behoren te begrijpen dat zij ook het schuurgedeelte had behoren te ontruimen.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
randnummers 5., 5.1 en 5.2 van de procesinleidingdat het hof in rov. 7.9 tot en met 7.12 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven inzake de wettelijke begrippen ‘woonruimte’ (art. 7:233 BW Pro) en/of ‘bedrijfsruimte’ (art. 7:290 BW Pro). Volgens [de vrouw] is sprake van een ‘zelfstandige woonruimte’ in de zin van art. 7:234 BW Pro en valt (zonder nadere motivering) niet in te zien waarom de schuurruimte niet tot de woonruimte behoort. Indien géén sprake is van een zelfstandige woonruimte, valt volgens [de vrouw] (zonder nadere motivering) niet in te zien waarom de schuurruimte niet als ‘onroerende aanhorigheid’ moet worden aangemerkt als bedoeld in art. 7:233 BW Pro.
randnummer 5.3 van de procesinleidingdat het oordeel van het hof in rov. 7.9 tot en met 7.12 van het bestreden arrest onjuist of onbegrijpelijk is, omdat – als de schuurruimte onderdeel uitmaakt van de bedrijfsruimte (en dus niet van de woonruimte) – niet duidelijk is op grond waarvan [de vrouw] gebruik mag maken van de schuurruimte om van de voordeur naar de inpandige toegang tot haar woning te gaan.
mits hij er zorg voor draagt dat hij het aan [de vrouw] toekomende ongestoord woongenot niet aantast” (randnummer 1.10 hiervoor). Het ongestoorde woongenot van [de vrouw] wordt uiteraard wél aangetast als zij het schuurgedeelte niet meer als doorloop naar haar woonruimte mag gebruiken. Zij kan dan namelijk haar woonruimte niet meer bereiken. Dit laatste staat niet uitdrukkelijk in het arrest van 4 februari 2020, maar zo kan en moet het arrest in redelijkheid wel worden begrepen, te meer omdat uit de stellingen van [de vrouw] ook niet blijkt dat [de man] [de vrouw] (op grond van het arrest van 4 februari 2020) verbiedt om het schuurgedeelte als doorloop naar haar woonruimte te gebruiken. Het is dus niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 7.11 van het bestreden arrest heeft overwogen dat het arrest van 4 februari 2020 erop neerkomt dat [de man] als eigenaar van de boerderij weer de bevoegdheid moet krijgen om gebruik te kunnen maken van de bedrijfsruimte en dat daarin niet past dat ook [de vrouw] gebruik blijft maken van die ruimte “
(anders dan om van de voordeur naar de inpandige toegang tot haar woonruimte te gaan)”.
randnummer 6. van de procesinleidingdat het hof bij zijn oordeel in rov. 7.12 e.v. van het bestreden arrest van een verkeerde maatstaf is uitgegaan. Het hof heeft bij de afbakeningsvraag (de vraag of de schuurruimte onderdeel uitmaakt van het woongedeelte) niet, of onvoldoende gemotiveerd, acht geslagen op alle omstandigheden van het geval, waaronder het gebruik dat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst voor ogen heeft gestaan, het gebruik dat thans van het gehuurde wordt gemaakt, de inrichting van het gehuurde in relatie tot het gebruik en de gevolgen van een eventuele splitsing voor het gebruik voor de huurder. Het hof had volgens [de vrouw] daarnaast moeten ingaan op de omstandigheden dat (i) de schuurruimte als een eigen toegang naar de woonruimte fungeert, (ii) de voordeur van [de vrouw] een eigen huisnummer heeft, (iii) [de vrouw] in het bezit is van de sleutels van de voordeur, (iv) de schuurruimte met de woonruimte is verweven en (v) de bedrijfsruimte thans een eigen voordeur heeft.
randnummer 7. van de procesinleidingdat het hof in rov. 7.9 tot en met 7.15 en rov. 7.18 van het bestreden arrest een onjuiste en/of onbegrijpelijke uitleg aan het arrest van 4 februari 2020 heeft gegeven. Die onjuiste en/of onbegrijpelijke uitleg komt er volgens [de vrouw] op neer dat het hof in het bestreden arrest heeft geoordeeld dat [de vrouw] – op grond van het arrest van 4 februari 2020 – de bedrijfsruimte/schuurruimte wél moest ontruimen “
qua goederen”, maar níet “
qua gebruik als toegang tot de woning.” [26] Volgens [de vrouw] had zij deze nuance in het arrest van 4 februari 2020 in redelijkheid niet kunnen of hoeven begrijpen.
randnummers 8., 9. en 10. van de procesinleidingdat het arrest van 4 februari 2020 niet spreekt van een gebruiksrecht van [de vrouw] van de schuurruimte. Het is volgens [de vrouw] daarom onjuist of onbegrijpelijk dat het hof in het bestreden arrest (i) in rov. 7.11 heeft overwogen dat [de vrouw] géén gebruik mag maken van de schuurruimte “
anders dan om van de voordeur naar de inpandige toegang tot haar woonruimte te gaan” en vervolgens (ii) in rov. 7.16 heeft geoordeeld dat [de vrouw] had behoren te begrijpen dat zij óók het schuurgedeelte had moeten ontruimen. [de vrouw] stelt dat de onder (ii) genoemde veroordeling tot ontruiming zich niet verhoudt met het onder (i) genoemde gebruiksrecht op het schuurgedeelte voor de toegang tot het woongedeelte. Volgens [de vrouw] is het bestreden arrest bovendien innerlijk tegenstrijdig, omdat het hof enerzijds (in rov. 7.14 en 7.15) heeft overwogen dat uit niets blijkt dat [de vrouw] het recht op gebruik van een gedeelte van de bedrijfsruimte is blijven behouden en het hof anderzijds (in rov. 7.11 en 7.15) heeft geoordeeld dat [de vrouw] de bedrijfsruimte moet kunnen blijven gebruiken voor toegang naar haar woonruimte.
dezelfde toegangsdeur” (randnummer 1.9 hiervoor). Gelet op dit vastgestelde feit, heeft het hof met de veroordeling in het arrest van 4 februari 2020 de “
bedrijfsruimte te ontruimen en ontruimd te houden” vanzelfsprekend
nietbedoeld dat [de vrouw] de bedrijfsruimte óók niet meer mocht gebruiken als doorgang naar haar woonruimte. Dat had er immers toe geleid dat [de vrouw] geen gebruik meer had kunnen maken van haar woonruimte, terwijl het hof nu juist in rov. 4.24 van het arrest van 4 februari 2020 heeft overwogen dat [de man] er zorg voor moest dragen dat hij het aan [de vrouw] toekomende ongestoord woongenot niet zou aantasten (randnummer 4.5 hiervoor). Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof in het bestreden arrest de veroordeling in het arrest van 4 februari 2020 aldus heeft uitgelegd dat [de vrouw] op grond daarvan wél de bedrijfsruimte diende te ontruimen (anders gezegd: de bedrijfsruimte niet meer als opslag van haar spullen mocht gebruiken), maar dat deze veroordeling
nietinhield dat [de vrouw] de bedrijfsruimte niet meer als doorloop mocht gebruiken. Van innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake; deze soorten ‘gebruik’ zijn van een verschillende orde.
past niet dat ook [de vrouw] gebruik blijft maken van die ruimte (anders dan om van de voordeur naar de inpandige toegang tot haar woonruimte te gaan).” Dat het hof vervolgens in rov. 7.14 en 7.15 van het bestreden arrest kortweg heeft overwogen dat [de vrouw] ‘geen gebruiksrecht’ op de schuurruimte heeft, doet hieraan niet af. Het hof heeft dit immers overwogen in het kader van de stelling van [de vrouw] dat zij op grond van het arrest van 4 februari 2020 het schuurgedeelte mag blijven gebruiken
als opslag voor haar spullen. In die overwegingen kan dan ook niet worden gelezen dat [de vrouw], ondanks de explicitering in rov. 7.11, ineens toch géén recht heeft om het schuurgedeelte als doorgang naar haar woonruimte te blijven gebruiken.
randnummers 8. (slotzin), 10. (slotzin), 11. en 12. van de procesinleidingdat het onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig is dat het hof in rov. 7.18 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de veroordeling van [de vrouw] in het arrest van 4 februari 2020, om “
de sleutels ter hand te stellen van de deuren die toegang geven tot de bedrijfsruimte”, ertoe strekt dat [de vrouw] de sleutels van “
haar eigen voordeur” aan [de man] zou moeten overhandigen. Volgens [de vrouw] valt haar eigen voordeur niet onder de deuren die toegang geven tot de bedrijfsruimte.
de sleutels ter hand te stellen van de deuren die toegang geven tot de bedrijfsruimte”, vallen daaronder dus óók de sleutels van de gezamenlijke toegangsdeur, althans een set van deze sleutels omdat [de vrouw] uiteraard zelf ook gebruik moet kunnen blijven maken van de deur. Het oordeel van het hof in rov. 7.18 van het bestreden arrest, inhoudende dat [de vrouw] de veroordeling niet naleeft door niet ook de sleutels van de voordeur te overhandigen, is dan ook niet onbegrijpelijk of innerlijk tegenstrijdig.
binnen één week na de betekening van deze uitspraak” de sleutels ter hand te stellen van de deuren die toegang geven tot de bedrijfsruimte. [de man] was op zijn beurt gehouden om “
binnen drie maanden na het arrest” een eigen toegangsdeur tot de bedrijfsruimte aan te brengen (randnummer 1.11 hiervoor). Reeds uit het verschil in termijnen (één week ten opzichte van drie maanden) had [de vrouw] kunnen en moeten begrijpen dat zij, in elk geval in de periode dat [de man] nog géén nieuwe deur naar de bedrijfsruimte had geplaatst, de sleutels van de gezamenlijke toegangsdeur (althans een set van die sleutels) aan [de man] had moeten overhandigen. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 7.18 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat [de vrouw] op grond van het arrest van 4 februari 2020 gehouden was de sleutels van de (gezamenlijke) voordeur aan [de man] te overhandigen.
qua goederen, maar dat zij het schuurgedeelte mocht blijven gebruiken
als toegang tot de woning. De uitleg die het hof in het bestreden arrest aan de veroordeling in het arrest van 4 februari 2020 heeft gegeven, is dan ook niet onbegrijpelijk.
randnummer 13. van de procesinleidingdat het hof in rov. 7.10 e.v. van het bestreden arrest van een onjuiste of onvolledige maatstaf is uitgegaan bij de uitleg van het arrest van 4 februari 2020. Volgens [de vrouw] heeft het hof miskend dat een in algemene bewoordingen geformuleerd verbod met dwangsomsanctie beperkt is tot handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op de gronden waarop het werd gegeven, onder het verbod vallen. De veroordeling in het arrest van 4 februari 2020 spreekt in algemene termen van het ontruimen en ontruimd houden van de bedrijfsruimte en – mede gelet op het oordeel van de voorzieningenrechter in eerste aanleg – is redelijkerwijs discussie mogelijk over de uitleg van de veroordeling. [de vrouw] stelt dat het hof daarom niet in rov. 7.16 van het bestreden arrest had mogen oordelen dat [de vrouw] (had behoren te begrijpen dat zij) ook het schuurgedeelte had moeten ontruimen. Indien het hof wél van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan, is het oordeel van het hof volgens [de vrouw] onbegrijpelijk. Het hof heeft namelijk niet gemotiveerd waarom in alle ernst niet eraan kan worden getwijfeld dat de schuurruimte onder de te ontruimen bedrijfsruimte valt.
de bedrijfsruimte te ontruimen” betreft géén algemeen geformuleerd gebod, vergelijkbaar met de voorbeelden genoemd in randnummer 3.6 hiervoor. Het gaat om een concreet geformuleerd verbod, waardoor de door [de vrouw] in dit onderdeel aangehaalde maatstaf, die Uw Raad heeft geformuleerd voor gevallen waarin het om een verbod in algemene termen gaat, niet van toepassing is (randnummer 3.11 hiervoor). Het hof heeft dit niet miskend. De uitleg die het hof aan de veroordeling in het arrest van 4 februari 2020 heeft gegeven, is wat mij betreft evenmin onbegrijpelijk (randnummers 3.13 tot en met 3.16 hiervoor). Het andersluidende oordeel van de voorzieningenrechter maakt dit niet anders (randnummer 3.17 hiervoor).
randnummer 14. van de procesinleidingdat het slagen van één of meer van de klachten in de onderdelen 1 tot en met 3 tot gevolg heeft dat daarmee samenhangende of voortbouwende overwegingen niet in stand kunnen blijven, waaronder rov. 7.16, 7.17, 7.18, 8. en 9. van het bestreden arrest.
randnummer 15. van de procesinleidingdat het onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 7.18 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat [de vrouw] de veroordeling niet naleeft door “
de sleutels van de voordeur” niet te overhandigen. In rov. 4.2, 7.11 en 7.15 heeft het hof namelijk overwogen dat [de vrouw] de schuurruimte (en dus de voordeur) moet kunnen blijven gebruiken om toegang te krijgen tot haar woonruimte. Bovendien betoogt [de vrouw] dat de inpandige deur naar haar woonruimte niet op slot kan en zij niet is gehouden de sleutels van haar eigen voordeur aan [de man] af te geven.
de sleutels van de voordeur” aan [de man] had moeten overhandigen, heeft bedoeld dat [de vrouw] was gehouden om
een setvan de sleutels van de voordeur aan [de man] te overhandigen. Zo zou [de man] via de voordeur toegang krijgen tot de bedrijfsruimte en kon [de vrouw] (met een andere set sleutels) via de voordeur de inpandige deur naar haar woonruimte blijven bereiken. Dat de inpandige deur naar de woonruimte van [de vrouw] niet op slot kan, is geen bezwaar: een dergelijk slot kan [de vrouw], indien zij dat wenst, betrekkelijk eenvoudig op de inpandige deur (laten) monteren.