ECLI:NL:HR:2013:BZ3462
Hoge Raad
- Raadkamer
- G.J.M. Corstens
- J.C. van Oven
- V. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van uitleg kinderrechter aan Raad voor de Kinderbescherming over onderzoeksvragen
In deze zaak betreft het een klachtprocedure ex artikel 13a van de Wet op de rechterlijke organisatie tegen een kinderrechter die een nadere uitleg gaf over een tussenbeschikking van 2 maart 2011. Deze beschikking betrof een verzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming om een onderzoek in te stellen naar de omgangsregeling en informatieplicht tussen klager en zijn dochter.
De Raad voor de Kinderbescherming had onderzoeksvragen geformuleerd, waarvan klager vond dat een van de vragen niet in overeenstemming was met de beschikking. De kinderrechter liet via een brief van de gerechtssecretaris weten dat de onderzoeksvragen wel in overeenstemming waren met de beschikking. Klager was het hier niet mee eens en diende een klacht in.
De Hoge Raad stelde vast dat een rechter zijn vonnis of beschikking als kenbron van zijn beslissing laat spreken en dat het niet gebruikelijk is dat een rechter zijn beslissing nader toelicht. Echter, in dit geval gaf de kinderrechter geen uitleg aan een eindbeschikking, maar antwoordde op een vraag van de Raad over het te verrichten onderzoek. Dit is toegestaan en bevordert een doelmatige rechtspleging.
De Hoge Raad oordeelde dat de gedraging van de kinderrechter niet onbehoorlijk was en dat de klacht ongegrond is. De kinderrechter handelde behoorlijk door de brief te laten uitgaan waarin de onderzoeksvragen werden bevestigd als in overeenstemming met de beschikking.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart dat de kinderrechter behoorlijk heeft gehandeld en verklaart de klacht ongegrond.