Conclusie
Nummer20/02580
Inleiding
Het eerste middel
Article 31. Refugees unlawfully in the Country of Refuge
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het opzettelijk gebruik van een vals identiteitsbewijs. In hoger beroep voerde de verdediging een niet-ontvankelijkheidsverweer op grond van artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag, dat het opleggen van straf aan vluchtelingen die onrechtmatig het land binnenkomen verbiedt, mits zij zich onverwijld melden en goede redenen hebben voor hun illegale verblijf.
Het hof verwierp dit verweer met de summiere motivering dat een situatie als bedoeld in artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro zich in casu niet voordeed. De verdediging klaagde dat het hof niet volgens de wettelijke eisen was ingegaan op dit verweer en dat de motivering ontoereikend was. De Hoge Raad oordeelt dat het hof het verweer slechts mocht verwerpen indien zonder nader onderzoek vaststond dat de verdachte geen vluchteling was in de zin van het verdrag.
Gezien de verklaringen van de verdachte over zijn vluchtverhaal en het verblijf in een asielzoekerscentrum, is de motivering van het hof onvoldoende begrijpelijk. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling, waarbij het hof het beroep op artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro adequaat moet motiveren.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beoordeling met correcte motivering van het beroep op artikel 31 Vluchtelingenverdrag.