Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Aan de bespreking van het middel voorafgaande beschouwing.
De beoordeling van de vordering
De beoordeling
a) voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen (lid1);
b) voorwerpen die kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoel in art. 36e Sr aan te tonen (lid 1);
c) voorwerpen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen (lid 2).
3.De procesgang in onderhavige zaak
4.De standpunten van de klaagster en het openbaar ministerie
De raadsman van klaagster heeft kort samengevat het volgende aangevoerd. Het hebben van een verborgen ruimte in een auto is geen strafbaar feit. Er is geen strafvorderlijk belang het beslag op de auto te handhaven. Ook komt de auto niet in aanmerking voor onttrekking aan het verkeer. De auto is niet verkregen uit baten van een strafbaar feit. Noch is met “betrekking tot de auto een strafbaar feit begaan” of is “het feit” begaan of voorbereid met behulp van de auto. Opsporing van “het feit” is niet belemmerd en de auto is niet vervaardigd of bestemd tot het begaan van “het feit”. Er is geen strafbaar feit gepleegd noch sprake van een onderzoek naar een misdrijf waarvan klaagster wordt verdacht. Er kan dan ook geen sprake zijn van vrees voor het begaan van “soortgelijke misdrijven”. Dat verborgen ruimtes doorgaans gebruikt worden voor criminele doeleinden en dat veelvuldig illegale goederen in verborgen ruimtes worden aangetroffen geldt niet in dit concrete geval.”
De officier van justitie heeft verder kenbaar gemaakt dal hij volhardt in de vordering. Het is een feit van algemene bekendheid dat voertuigen die zijn voorzien van dergelijke verborgen ruimtes, doorgaans voor criminele doeleinden plegen te worden gebruikt.
Het ongecontroleerde bezit van dergelijke voertuigen doet afbreuk aan een effectieve bestrijding van die criminele doeleinden (vgl. HR 12 november 2002, NJ 2003/595).
De verborgen ruimte maakt dat de desbetreffende auto kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijke toezicht te onttrekken en het ongecontroleerde bezit van een dergelijke auto is in strijd met het algemene belang (Rechtbank Amsterdam, 11 december 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:9467).
5.De beschikking
Beslagene heeft afstand gedaan van het voertuig.
In geval van een beklag tegen een op de voet van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.
In het onderhavig geval is sprake van een voorwerp dat volgens het Openbaar Ministerie vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer en dit wordt ook gevorderd.
De rechtbank acht het volgende van belang. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke speciaal in een auto aangebrachte voorzieningen veelal worden gebruikt voor criminele doeleinden zoals bijvoorbeeld het vervoer van drugs, geld en/of vuurwapens. Het feit dat er in dit geval niets in de verborgen ruimtes is aangetroffen en dat in dit kader geen strafrechtelijk onderzoek meer zou plaatsvinden volgens klaagster, maakt dit niet anders.
De verborgen ruimtes maken dat de auto kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijke toezicht te onttrekken. Door de auto terug te geven, zouden criminele activiteiten in stand worden gehouden, dan wel gestimuleerd. Het ongecontroleerde bezit van een auto met een verborgen ruimte doet dan ook afbreuk aan een effectieve voorkoming en bestrijding van die criminele doeleinden en is daarom in strijd met het algemeen belang in de zin van artikel 36c Sr.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag en tegen teruggave van het voertuig. Het voorgaande rechtvaardigt bovendien de conclusie dat de vordering ex artikel 552f Sv kan worden toegewezen. De auto zal worden onttrokken aan het verkeer.
Niet geoordeeld kan worden dat de belanghebbende onevenredig wordt getroffen door de onttrekking aan het verkeer van de auto. De auto zal worden vernietigd zodat er ook geen opbrengst zal zijn. De rechtbank ziet daarom ook geen belang voor compensatie.”
6.Het middel
(a) bij de beoordeling van het beklag een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd en/of
(b)het oordeel dat de klaagster niet onevenredig wordt getroffen door de onttrekking aan het verkeer en geen belang heeft bij compensatie blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of
(c) de auto ten onrechte heeft onttrokken aan het verkeer,
althans dat deze beslissingen onbegrijpelijk zijn en/of onvoldoende met redenen zijn omkleed. Ten slotte wordt geklaagd dat
(d) de rechtbank heeft verzuimd de beschikkingen in het openbaar uit te spreken.