Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Aan de bespreking van het middel voorafgaande beschouwing.
De beoordeling van de vordering
De beoordeling
a) voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen (lid 1);
b) voorwerpen die kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoel in art. 36e Sr aan te tonen (lid 1);
c) voorwerpen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen (lid 2).
3.De procesgang in onderhavige zaak
4.De standpunten van de beslagene en het openbaar ministerie
Het teruggeven van een voertuig met (een) verborgen ruimte(n) kan niet aan de orde zijn, omdat deze voertuigen (opnieuw) gebruikt kunnen (en zullen) worden om ernstige strafbare feiten mee te plegen. Derhalve dient het voertuig ook te worden onttrokken aan het verkeer. De officier van justitie verwijst verder in zijn requisitoir naar een aantal uitspraken van de rechtbank Rotterdam ECLI:NL:RBROT:2020:9493 van 13 maart 2020, de rechtbank Amsterdam onder ECLI:NL:RBAMS:2020:4758 van 11 december 2019, het arrest van het gerechtshof Den Haag onder ECLI:NL:GHDHA:2020:2080 van 28 oktober 2020 en het arrest van de Hoge Raad onder ECLI:NL:HR:2003:AL6178 van 11 maart 2003.
Ten aanzien van de mogelijkheid om een vorm van financiële compensatie toe te kennen aan beslagene, heeft de officier van justitie aangegeven dat het voertuig zal worden vernietigd na het uitspreken van de onttrekking aan het verkeer. Er zal dus voor de Staat geen opbrengst zijn. Het aanwezig hebben van het voertuig met een verborgen ruimte komt voor rekening en risico van de beslagene. Gelet op de hiervoor omschreven functie van een verborgen ruimte in een voertuig is er geen reden voor een geldelijke tegemoetkoming en wordt de rechtbank verzocht dit bedrag op nihil te stellen.”
5.De beschikking
Uit de stukken leidt de rechtbank het volgende af. De auto is in beslag genomen op grond van artikel 94 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Uit de bevindingen van de verbalisanten en de bij het proces-verbaal gevoegde foto’s volgt dat de auto kennelijk was ingericht om (illegale) goederen/gelden aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. In de auto is onder de middenconsole een verborgen ruimte aangetroffen van ongeveer 16 x 80 cm. De verborgen ruimte werd zichtbaar na het onder de middenconsole indrukken van een knop. In de verborgen ruimte werd tevens een losse bodemplaat aangetroffen. De aangetroffen verborgen ruimte is geen standaardvoorziening in een auto en moet dus achterafzijn ingebouwd, en wel op zeer professionele wijze. Het beslag op de auto voldoet hiermee aan de wettelijke vereisten voor een beslag op grond van artikel 94 lid 2 van Pro het Wetboek van strafvordering.
Bovendien volgt uit artikel 1:37 van Pro de Algemene Douanewet dat auto’s met een dergelijke verborgen ruimte in beslag genomen moeten worden, en in beginsel vervallen aan de Staat.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36d van het Wetboek van strafrecht is de auto onder andere vatbaar voor onttrekking aan het verkeer indien de auto van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Daarvan is sprake indien de auto door de aanwezige verborgen ruimte kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van misdrijven, dan wel de opsporing daarvan kan belemmeren. Een dergelijke verborgen ruimte in de auto is aangelegd met het doel te zorgen dat criminele activiteiten onontdekt -en dus mogelijk- blijven en/of om er voor te zorgen dat de feitelijke uitvoering ervan minder risico’s voor de daders oplevert en aldus wordt vergemakkelijkt.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de auto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer en zal de vordering dus toewijzen.
Geldelijke tegemoetkomingBij een beslissing tot onttrekking aan het verkeer is op grond van artikel 36b lid 2 van het Wetboek van strafrecht is artikel 33 lid 2 van Pro dat wetboek van overeenkomstige toepassing. Artikel 33c lid 2 luidt: “De rechter kent een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid, of een geldelijke tegemoetkoming toe wanneer dit nodig is om te voorkomen dat de verdachte, of een ander aan wie de verbeurd verklaarde voorwerpen toebehoren, onevenredig zou worden getroffen”.
De rechtbank leest de bepaling zo dat daarbij (met name) gedoeld wordt op het vermogen van beslagene/rechthebbende van het te onttrekken voorwerp.
Voor een antwoord op de vraag of een geldelijke vergoeding behoort te worden toegekend, zijn steeds de feiten en omstandigheden in de concrete zaak bepalend. De auto is voorzien van een verborgen ruimte en behoort daardoor, gelet op het bovenstaande, geen onderdeel uit te maken van het maatschappelijk verkeer. Reeds daaruit volgt dat een dergelijke auto in beginsel geen of maar zeer beperkte waarde heeft.
De rechtbank kent bij dit alles ook, en in het nadeel van beslagene, gewicht toe aan de omstandigheid dat dergelijke professioneel aangelegde geheime bergplaatsen, behoudens duidelijke aanwijzingen voor het -onschuldige- tegendeel, in de realiteit van 2021 veelal blijken te worden gebruikt voor het heimelijk (kunnen) vervoeren van strafbare voorwerpen (wapens, drugs) en/of van (crimineel) geld. In deze zaak zijn van de zijde van beslagene geen feiten of omstandigheden gesteld (of anderszins aannemelijk geworden) die wijzen op een onschuldig ander gebruik van de verborgen ruimte. Dat anderen die ruimte zouden hebben aangebracht in de auto buiten medeweten van de beslagene, is niet aannemelijk geworden.
Dit alles maakt dat beslagene niet onevenredig is getroffen in zijn vermogen door de beslissing tot onttrekking aan het verkeer.
De rechtbank ziet op grond van het bovenstaande geen reden om aan de beslagene een vergoeding toe te kennen.”