Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
De betrokkenheid van de verdachte bij de overval kan worden bewezen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier is gebleken dat de daders kennelijk beschikten over essentiële informatie om te komen tot het plegen van de overval. Zo is de overval gepleegd in de nacht nadat de zeer kostbare zending van Audemars Piguet was geleverd (waarbij van belang is dat binnen [benadeelde] bekend was dat deze levering slechts éénmaal per maand werd geleverd, op een dinsdag), wisten de daders hoe zij het pand konden betreden en - eenmaal binnen - naar welke pakketten zij moesten zoeken. Ook wisten de daders kennelijk dat zij de DECT-telefoon nodig hadden om het hek weer te openen bij het verlaten van het pand en waren zij ervan op de hoogte dat de laatste chauffeur van die nacht al was vertrokken. De rechtbank stelt hiermee vast dat het niet anders kan dan dat de daders informatie hebben gehad van iemand binnen [benadeelde]. Uit de bewijsmiddelen blijkt evident dat de verdachte de (veiligheids)regels die op dat moment golden bij [benadeelde], niet heeft nageleefd. De verdachte heeft verklaard dat hij op de hoogte was van deze regels. Desondanks heeft hij de regels, zonder aannemelijke verklaring of aanleiding daartoe, op meerdere fronten overtreden. In een tijdsbestek van enkele minuten heeft de verdachte eerst de roldeur opengezet en vervolgens het toegangshek geopend, waardoor de daders uiteindelijk zonder enige moeite het pand hebben kunnen betreden. (...)”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Het nationaal vervoer van goederen over de weg (waarop de CMR dus niet van toepassing is) is in Nederland aanvankelijk geregeld in Wet Overeenkomst Wegvervoer, als voortrein van Boek 8 BW, en sinds 1991 in de art. 8:1080-8:1138 BW. Voor die regeling heeft de CMR model gestaan, zij het dat die regeling op een aantal punten van de CMR afwijkt. Omdat de CMR goeddeels van dwingend recht is (art. 41 CMR Pro), gelden die afwijkingen slechts voor zover de CMR niet van toepassing is, met andere woorden geen sprake is van internationaal vervoer. Vandaar dat rechtbank en hof in deze zaak een onderscheid hebben gemaakt tussen (de vervoersovereenkomsten met betrekking tot) pakketten die bestemd waren voor Nederlandse en voor buitenlandse geadresseerden. Op laatstgenoemde overeenkomsten is de CMR van toepassing, op eerstgenoemde overeenkomsten niet; daarvoor geldt de regeling van Boek 8 BW. Dat maakt in deze zaak, waarin TSM een beroep heeft gedaan op opzet van de werknemer, verschil omdat opzet en daarmee gelijk te stellen schuld van ondergeschikten en hulppersonen op grond van art. 29 lid 2 eerste Pro volzin CMR een uitzonderling oplevert op de beperkte aansprakelijkheid van de vervoerder ingevolge de CMR, terwijl dat in de regeling van het BW alleen geldt voor opzet of bewuste roekeloosheid van de vervoerder zélf (art. 8:1108 BW Pro).
in de zin van art. 154 Rv Prosprake zou zijn, laat staan dat onderbouwd door aan te voeren dat aan de hiervoor in 3.16 genoemde eisen daarvoor is voldaan. Het onderdeel voert dat althans niet aan, laat staan dat het daarvoor een vindplaats noemt. Voor zover het onderdeel daarop betrekking heeft dat sprake zou zijn van een door de rechtsbank vastgestelde erkenning – dat betreft dus een deel van alle drie de subonderdelen –, is het om deze redenen ongegrond.
en in dat geval valt alles wat er gebeurt met de pakketten gedurende dit vervoer onder het vervoerrecht” (enz.). Hetzelfde geldt voor derde volzin onder 39, waar TSM kennelijk (mede) bedoeld heeft te zeggen dat de rechtbank verschillende maatstaven (‘regimes’ is het woord dat TSM gebruikt) heeft gehanteerd voor de vraag of de opslag onder de vervoersovereenkomst valt en de vraag of de werknemer bij de uitvoering van de vervoersverbintenis was betrokken. De redenering herhaalt TSM denk ik nog een keer in omgekeerde zin onder 42 en 43 van de memorie van grieven (als de werknemer niet was betrokken bij het vervoer dan was er vervoersrechtelijk geen vervoer, zo begrijp ik die passage).