ECLI:NL:PHR:2021:1111

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2021
Publicatiedatum
26 november 2021
Zaaknummer
21/00729
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253a BWArt. 1:253n BWArt. 1:266 BWArt. 1:267 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid tijdelijke beëindiging gezamenlijk gezag ouders

In deze zaak hebben beide ouders afzonderlijk verzocht om eenhoofdig gezag over hun kinderen, waarna de rechtbank het gezamenlijk gezag tijdelijk voor een jaar heeft beëindigd. Later werd het gezag verdeeld: vader kreeg gezag over zoon, moeder over dochter. Het hof bekrachtigde de tijdelijke beëindiging en baseerde zich op art. 1:253a BW. De moeder stelde cassatie in tegen dit oordeel.

De Hoge Raad overweegt dat art. 1:253a BW uitsluitend een geschillenregeling betreft omtrent de feitelijke uitoefening van het gezag en niet de bevoegdheid geeft om het gezag zelf te beëindigen. Beëindiging van het gezag kan slechts op grond van art. 1:266 BW Pro plaatsvinden, waarvoor een verzoek van bevoegde instanties vereist is. Omdat de rechtbank beide verzoeken van ouders toewijst, leidde dit feitelijk tot beëindiging van het gezag van beide ouders, wat niet mogelijk is zonder een dergelijk verzoek.

De Hoge Raad concludeert dat het hof ten onrechte art. 1:253a BW als grondslag voor de tijdelijke beëindiging heeft gezien en vernietigt het arrest. De procedure wordt afgedaan met verwijzing naar de definitieve beschikking van de rechtbank die het gezag aan vader en moeder toekent over respectievelijk zoon en dochter. Tevens wordt bevestigd dat de moeder een rechtens relevant belang heeft bij toetsing van de rechtmatigheid van de tijdelijke maatregel, ook al is de termijn verstreken.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd omdat art. 1:253a BW geen grondslag biedt voor beëindiging van het gezag; de zaak wordt afgedaan met verwijzing naar de definitieve beschikking van de rechtbank.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/00729
Zitting26 november 2021
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[de moeder]
(hierna: de moeder)
advocaat: mr. K. Aantjes
tegen
1. [de vader]
(hierna: de vader)
advocaat: mr. N.C. van Steijn
2. Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering
(hierna: de GI)
niet verschenen
3. De Raad voor de Kinderbescherming
niet verschenen
In deze zaak hebben de vader en de moeder ieder voor zich verzocht hem respectievelijk haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen. De rechtbank heeft daarop het gezag van beide ouders voor de duur van een jaar beëindigd, onder aanhouding van de definitieve beslissing over het gezag. Vervolgens heeft de rechtbank (overigens ruim voor het einde van de genoemde periode van een jaar) de vader belast met het ouderlijk gezag over de zoon en de moeder met het ouderlijk gezag over de dochter.
Het hof heeft de beslissing van de rechtbank om het gezag tijdelijk te beëindigen aan een rechtmatigheidstoets onderworpen, en heeft voor die beslissing een voldoende juridische grondslag gezien in art. 1:253a BW. Dit oordeel kan mijns inziens geen stand houden.
1.
Feiten [1] en procesverloop [2]
1.1 Het huwelijk van de vader en de moeder is op 28 mei 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 17 december 2014 in de registers van de burgerlijke stand.
1.2 De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de dochter] , hierna: [de dochter] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , en
- [de zoon] , hierna: [de zoon] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .
De ouders oefenden tot 6 december 2019 gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
1.3 De kinderen zijn vanaf 15 november 2016 onder toezicht gesteld geweest, aanvankelijk van de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers en met ingang van 8 november 2018 van de GI.
1.4 Bij verzoekschrift, op 5 juli 2018 ingekomen bij de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft de vader onder meer verzocht te bepalen dat hij wordt belast met het eenhoofdig gezag over [de zoon] en [de dochter] . [3]
1.5 De voormalige GI de Jeugd- en Gezinsbeschermers heeft een verweerschrift ingediend. [4]
1.6 De moeder heeft een verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken ingediend. Daarbij heeft de moeder onder meer verzocht het gezamenlijk gezag van partijen over de kinderen te wijzigen en te bepalen dat de moeder voortaan alleen met het gezag over de kinderen wordt belast. [5]
1.7 Bij beschikking van 7 maart 2019 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang en kort weergegeven:
- de vader geschorst in de uitoefening van het gezag over [de dochter] en [de zoon] tot de voortgezette behandeling van de zaak, uitvoerbaar bij voorraad (5.3-5.4);
- de beslissing over het gezag aangehouden (5.5), en
- de Raad voor de Kinderbescherming verzocht onderzoek in te stellen naar de vraag of er reden is om aan te nemen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag niet in stand kan blijven en, indien dat zo is, wie van de ouders alleen met het gezag over de kinderen moet worden bekleed of dat anderszins in het gezag moet worden voorzien (5.6). [6] In zijn beschikking van 18 juli 2019 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak ten aanzien van onder meer het ouderlijk gezag aangehouden. [7]
1.8 Op 31 juli 2019 heeft de Raad voor de Kinderbescherming zijn rapport uitgebracht. [8]
1.9 Bij beschikking van 6 december 2019 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang en kort weergegeven:
- het gezag van beide ouders over [de dochter] en [de zoon] voor de duur van één jaar, dus tot 6 december 2020, beëindigd;
- de definitieve beslissing over het gezag pro forma aangehouden tot 30 oktober 2020, met het verzoek aan de advocaten en de GI om de rechtbank uiterlijk die datum te informeren over het verloop van het afgelopen jaar en hun standpunt over het gezag (gezamenlijk of eenhoofdig of geen) te geven;
- de GI tot tijdelijke voogd benoemd; en
- de ondertoezichtstelling van [de dochter] en [de zoon] met ingang van de datum van haar beschikking beëindigd.
De rechtbank heeft met betrekking tot het gezag, kort samengevat, als volgt overwogen.
Beide ouders hebben verzocht eenhoofdig gezag over beide kinderen te krijgen, met andere woorden om het gezag van de ander te beëindigen (rov. 4.2). De rechter is het met beide ouders en de GI en de Raad voor de Kinderbescherming eens dat beide kinderen klem en verloren zijn geraakt (rov. 4.3). De Raad adviseert de moeder het eenhoofdig gezag te verlenen. De rechtbank is er niet van overtuigd dat het toekennen van eenhoofdig gezag aan de moeder voor rust en duidelijkheid gaat zorgen en de huidige neerwaartse spiraal doorbreekt (rov. 4.4). De artikelen 1:266 lid 1 (en 1:267) BW, op grond waarvan de rechtbank het gezag van een ouder kan beëindigen, zijn op zich niet aan de orde omdat niemand van de in deze artikelen genoemde mogelijke verzoekers een verzoek hiertoe heeft ingediend. Indien de rechter echter de verzoeken van de ouders over het gezag beide zou toewijzen, zou dit leiden tot beëindiging van het gezag van beide ouders. Omdat dit een zeer vergaande maatregel is, zal de rechter ook toetsen aan de criteria van art. 1:266 BW Pro (rov. 4.5). De rechtbank is van oordeel dat aan beide criteria is voldaan. De kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd doordat de ouders het elkaar onmogelijk maken de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding voor de kinderen te dragen. De ouders misbruiken daarom in dit opzicht hun gezag (rov. 4.6). Ofwel de ouders krijgen alle ruimte om hun gezag ten volle te benutten en om te gaan met hun kinderen zoals het hun goeddunkt waar dan geen ondertoezichtstelling meer bij past. Het gevolg zal ongetwijfeld zijn dat [de dochter] bij haar moeder opgroeit en [de zoon] bij zijn vader. Het is twijfelachtig of de ouders het andere kind nog zullen zien. Voor de kinderen is dit scenario erg beschadigend. De andere optie is dat de ouders het gezag niet meer houden, waardoor de onderlinge strijd minder waarde heeft. De rechter kiest voor dit laatste. De rechter zal daarom beide verzoeken van de ouders toewijzen voor zover dit gaat over de beëindiging van het gezag van de andere ouder (rov. 4.8-4.9). De rechter zal het gezag tijdelijk, d.w.z. voor een jaar, beëindigen. Een schorsing (die ‘slechts’ drie maanden duurt) is niet op haar plaats (rov. 4.10).
1.10 De vader is bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep gekomen van de beschikking van 6 december 2019. De vader heeft daarbij onder meer op de voet van art. 223 Rv Pro verzocht dat ‘het ouderlijk gezag over [de zoon] (voorlopig) gezamenlijk blijft, althans dat de man (voorlopig) éénhoofdig met het ouderlijk gezag over [de zoon] belast wordt’.
De vader heeft dit hoger beroep later ingetrokken. [9]
1.11 Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) heeft bij beschikking van 13 februari 2020 de verzoeken op de voet van art. 223 Rv Pro, alsmede verzoeken tot schorsing van de beschikking van 6 december 2019 en tot benoeming van een bijzondere curator afgewezen.
1.12 De moeder heeft een verweerschrift, tevens houdende beroepschrift in incidenteel appel ingediend. Zij heeft in incidenteel appel het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat zij voortaan alleen met het gezag over de kinderen zal zijn belast. [10]
1.13 Bij beschikking van 16 april 2020 heeft het hof nieuwe verzoeken van de vader tot het treffen van voorlopige voorzieningen, tot schorsing van de werking van de in hoger beroep bestreden beschikking, althans tot opheffing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die beschikking en tot benoeming van een bijzondere curator, alsmede het zelfstandig (tegen)verzoek van de moeder tot het treffen van een voorlopige voorzieningen, afgewezen.
1.14 [de zoon] was in de periode van augustus 2019 tot 14 februari 2020 afwisselend bij de vader en de moeder. Van 14 februari 2020 tot 1 april 2020 verbleef hij bij de moeder. [de zoon] is verschillende keren weggelopen in de tijd dat hij bij de moeder verbleef. Op 31 maart 2020 heeft de GI ermee ingestemd dat [de zoon] voorlopig weer bij de vader zou verblijven. Sindsdien verblijft [de zoon] bij de vader.
Verwikkelingen hangende hoger beroep
1.15 In april 2020 heeft de GI de rechtbank verzocht om haar op grond van art. 1:322 lid 1 sub c BW Pro te ontslaan van de voogdij over [de dochter] en [de zoon] en een of beide ouders met het gezag over [de dochter] en [de zoon] te belasten, en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft daarbij o.m. gerefereerd aan de pro forma aanhouding tot 30 oktober 2020 van de definitieve beslissing over het gezag in de beschikking van de rechtbank van 6 december 2019, en heeft het, gelet op de wijze waarop de uitvoering van de voogdij over de kinderen verloopt, noodzakelijk geacht de rechtbank reeds nu te informeren over het verloop van de uitvoering van de voogdij en haar standpunt ten aanzien van het gezag. De GI acht het aangewezen dat de ouders of een van hen het gezag over [de dochter] en [de zoon] weer zelf gaan uitoefenen nu de GI door het handelen van de ouders niet in staat is om deskundigheid en gezag in te zetten om de kinderen te beschermen en te laten helpen en de tijdelijke voogdij dan ook niet het effect heeft gehad dat door de kinderrechter was beoogd. [11]
1.16 Bij beschikking van 29 mei 2020 heeft de rechtbank – voor zover hier van belang – de voogdij van de GI over de kinderen beëindigd, de vader belast met het ouderlijk gezag over [de zoon] , de moeder belast met het ouderlijk gezag over [de dochter] en vastgesteld dat er geen omgang is tussen [de dochter] en de vader totdat [de dochter] zelf te kennen geeft weer behoefte aan contact te hebben. [12] Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Vervolg procesverloop in hoger beroep
1.17 De eerste mondelinge behandeling bij het hof heeft op 4 juni 2020 plaatsgevonden. De tweede mondelinge behandeling heeft op 7 oktober 2020 plaatsgevonden.
Van beide mondelinge behandelingen is proces-verbaal opgemaakt. [13]
1.18 Bij beschikking van 19 november 2020 (hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof in het incidenteel hoger beroep de beschikking van de rechtbank van 6 december 2019 bekrachtigd, de kosten gecompenseerd en het meer of anders verzochte afgewezen. De dragende overwegingen van de beschikking van het hof laten zich als volgt samenvatten:
a. Het incidenteel hoger beroep richt zich tegen een voorlopige beslissing in een tussenbeschikking. Ondanks het feit dat het een voorlopige beslissing betreft, staat tegen de beschikking van de rechtbank hoger beroep open, omdat voor de duur van de procedure bij de rechtbank sprake is van een definitieve beslissing, zij het dat deze in tijd is beperkt. (5.1)
b. De werking van de bestreden beslissing is inmiddels geëindigd, doordat de rechtbank op 29 mei 2020 een definitieve beslissing over het gezag over de kinderen heeft gegeven. De beschikking van 29 mei 2020 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Gelet daarop kan een beslissing van het hof over het gezag over de kinderen voor de duur van de procedure bij de rechtbank materieel geen effect meer hebben. De duur waarvoor de beslissing was uitgesproken is verstreken en het gezag kan niet met terugwerkende kracht bij de ouders of bij één van hen terugkomen. Gelet op het door art. 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de beslissing te laten toetsen en behoort aan haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken. Dit betekent wel dat het hof het hoger beroep beperkt tot een rechtmatigheidstoets. (5.2)
c. De verzoeken die aan de rechtbank zijn voorgelegd, betroffen een verzoek van de vader om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen en een verzoek van de moeder om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen. (5.3)
d. De rechtbank heeft uit de verzoeken van beide partijen – niet onbegrijpelijk – de conclusie getrokken dat beide partijen zich op het standpunt stelden dat een wijziging van het gezag noodzakelijk was in het belang van de kinderen. Beide ouders waren en zijn van mening dat gezamenlijk gezag over de kinderen in strijd is met het belang van de kinderen. Het hof onderschrijft dat standpunt en het oordeel van de rechtbank hierover. (5.8)
e. De rechtbank heeft overwogen dat zij
ookaan art. 1:266 BW Pro toetst, maar heeft zich daartoe klaarblijkelijk niet beperkt. Het hof ziet een voldoende juridische grondslag voor de beslissing van de rechtbank in art. 1:253a BW en gaat ervan uit dat de rechtbank ook dat artikel in ogenschouw heeft genomen. De rechtbank heeft een tijdelijke maatregel uitgesproken die zij in het belang van de kinderen wenselijk (of zelfs noodzakelijk) achtte ter zake van de gezamenlijke uitoefening van het gezag door partijen. De motivering hiervan acht het hof ruimschoots voldoende. De motivering van de rechtbank dat eenhoofdig gezag van de moeder over de kinderen de strijd niet zou verminderen, acht het hof eveneens voldoende. (5.9)
1.19 De moeder heeft tegen deze beschikking tijdig [14] beroep in cassatie ingesteld. De vader heeft een verweerschrift ingediend. [15]

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vijf onderdelen.
Onderdeel Iis gericht tegen rov. 5.2 van de bestreden beschikking, waarin het hof als volgt heeft overwogen (mijn onderstreping, A-G):
‘De werking van de bestreden beslissing is inmiddels geëindigd, doordat de rechtbank op 29 mei 2020 een definitieve beslissing over het gezag over de kinderen heeft gegeven. De beschikking van 29 mei 2020 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en werkt dus al, ondanks het hiertegen ingestelde hoger beroep. Gelet daarop kan een beslissing van het hof over het gezag over de kinderen voor de duur van de procedure bij de rechtbank materieel geen effect meer hebben.
De duur waarvoor de beslissing was uitgesproken is verstreken en het gezag kan niet met terugwerkende kracht bij de ouders of bij één van hen terugkomen.Gelet op het door artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de beslissing te laten toetsen en behoort aan haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken. Dit betekent wel dat het hof het hoger beroep beperkt tot een rechtmatigheidstoets en dat het hof zal beoordelen of de rechtbank heeft kunnen komen tot de uitspraak die zij heeft gedaan.’
2.2
Het onderdeel klaagt, kort weergegeven, dat deze – hierboven onderstreept weergegeven – beslissing blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de gevolgen van de vernietiging van een in eerste aanleg gegeven uitspraak. Vernietiging van een uitspraak waarbij het gezag is beëindigd, heeft tot gevolg dat het gezag bij de betreffende ouder of ouders is blijven rusten, tenzij de rechter in hoger beroep anders bepaalt. Het onderscheid is volgens het onderdeel van belang in verband met de aansprakelijkheid voor de tenuitvoerlegging van de beslissing. Beslissingen die zonder toestemming van de ouder zijn genomen van wie het gezag is beëindigd, zullen als gevolg van de vernietiging van de beslissing tot beëindiging van het gezag op zich (in beginsel) niet hun geldigheid verliezen, maar dat laat onverlet de aansprakelijkheid voor de schade die als gevolg daarvan geleden kan worden door de ouder van wie ten onrechte het gezag was beëindigd, aldus het onderdeel.
2.3
In oudere vaste rechtspraak werd aangenomen dat het belang komt te ontvallen aan een rechtsmiddel tegen een tijdelijke kinderbeschermingsmaatregel als een machtiging gesloten plaatsing of een machtiging uithuisplaatsing, wanneer de periode waarvoor die maatregel is gegeven, is verstreken. [16] In zijn beschikking van 24 juni 2011 is de Hoge Raad in zoverre van deze rechtspraak teruggekomen dat aan degene die een rechtsmiddel instelt tegen een tijdelijke maatregel als gevolg waarvan hem zijn vrijheid is ontnomen, zijn procesbelang niet behoort te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor die maatregel gold inmiddels is verstreken. [17] Aanleiding voor deze nieuwe lijn was de uitspraak van het EHRM in de zaak S.T.S./Nederland [18] , waarin het EHRM o.m. heeft overwogen dat iemand die van zijn vrijheid is beroofd (in casu betrof het een machtiging gesloten plaatsing van een minderjarige) een rechtens relevant belang erbij heeft om, ook nadat hij weer op vrije voeten is gesteld, de rechtmatigheid van zijn vrijheidsbeneming te laten toetsen teneinde, bijvoorbeeld, zijn in art. 5 lid 5 EVRM Pro gewaarborgde recht op schadevergoeding te kunnen verwerkelijken. Deze lijn is doorgetrokken naar het geval van een machtiging tot uithuisplaatsing waarvan de looptijd is verstreken waartegen door de ouder(s) wordt opgekomen. In dat geval is het het door art. 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn of haar gezinsleven dat maakt dat een rechtens relevant belang bestaat om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen. [19] Deze jurisprudentie over wat ook wel bekend is komen te staan als de ‘rechtmatigheidstoets’ heeft zich aldus ontwikkeld van een toetsing van een verlopen machtiging gesloten plaatsing (art. 5 EVRM Pro) tot een verlopen machtiging uithuisplaatsing (art. 8 EVRM Pro). Wortmann merkt in haar annotatie onder HR 14 oktober 2011 op dat nu niet meer nodig is dan dat het familie- en gezinsleven van ouder (en kind) in het geding is, het aannemelijk is dat ook de rechtmatigheid van een ondertoezichtstelling zelf, los van een uithuisplaatsing, na het verstrijken van de termijn nog op rechtmatigheid kan worden getoetst. [20] Het procesbelang bij een rechtsmiddel tegen een verstreken maatregel zoals in casu de tijdelijke beëindiging van het gezag wordt ontleend aan de inbreuk die is gemaakt op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven.
2.4
In een recente beschikking heeft de Hoge Raad met betrekking tot de zogeheten ‘rechtmatigheidstoets’ als volgt overwogen:
‘(…) Indien de periode waarvoor een machtiging (tot uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling) is gegeven ten tijde van de uitspraak in hoger beroep is verstreken, dient het hof aan de hand van de aangevoerde grieven te beoordelen of de bestreden beslissing terecht is gegeven. Die beoordeling kan ertoe leiden dat de uitspraak waarvan beroep wordt vernietigd en het inleidende verzoek alsnog wordt afgewezen. De omstandigheid dat de uitvoering van de in eerste aanleg gegeven machtiging niet ongedaan kan worden gemaakt, staat daaraan niet in de weg.’ [21]
2.5
Gelet op het voorgaande is van een (inhoudelijk) beperkte toets (vgl. rov. 5.2-slot en rov. 5.8-slot van de bestreden beschikking) overigens m.i. geen sprake.
2.6
Het hof heeft klaarblijkelijk in rov. 5.2 voor dit geval, waarin de beslissing waarvan beroep ertoe strekte dat het gezag tijdelijk werd beëindigd, bij de hiervoor genoemde rechtspraak aansluiting gezocht.
2.7
Zoals het onderdeel m.i. op zichzelf terecht betoogt en het hof in de bestreden volzin in rov. 5.2 lijkt te hebben miskend, heeft vernietiging van de beschikking waarvan beroep in dit geval het gevolg dat achteraf gezien geen gezagsbeëindiging heeft plaatsgevonden. Voor de vraag of de hiervoor genoemde rechtspraak toepassing vindt, is dit gegeven m.i. echter niet van belang. M.i. strekt de bestreden volzin in rov. 5.2 niet verder dan dat het hof daarmee (nader) tot uitdrukking heeft willen brengen dat een beslissing van het hof materieel geen effect meer kan hebben (dat de gevolgen van de in eerste aanleg uitgesproken tijdelijke beëindiging, in de praktijk, niet ongedaan kunnen worden gemaakt). Dit lijkt het onderdeel op zichzelf niet te bestrijden. In het onderdeel wordt er (juist) van uitgegaan dat beslissingen die zonder toestemming van de ouder zijn genomen van wie het gezag is beëindigd op zich (in beginsel) niet hun geldigheid zullen verliezen als gevolg van de vernietiging van de beslissing tot beëindiging van het gezag.
Het onderdeel wijst op het belang dat de moeder heeft bij toetsing in verband met eventuele aansprakelijkheid voor schade als gevolg van, kort gezegd, onrechtmatige beëindiging van het gezag, maar hiertoe dient nu juist de door het hof uitgevoerde ‘rechtmatigheidstoets’ mede (zie hiervoor onder 2.3).
2.8
Het onderdeel bestrijdt (verder) niet het oordeel dat in hoger beroep een rechtmatigheidstoets voorlag. Onderdeel I faalt gelet op het voorgaande.
2.9
Ik vervolg met de bespreking van
onderdeel III.
Dit onderdeel is gericht tegen rov. 5.9 van de bestreden beschikking, waarin het hof als volgt heeft overwogen (voor de leesbaarheid citeer ik ook een deel van rov. 5.8):
‘5.8 Het hof oordeelt als volgt. De rechtbank heeft uit de verzoeken van beide partijen - niet onbegrijpelijk - de conclusie getrokken dat beide partijen zich op het standpunt stelden dat een wijziging van het gezag noodzakelijk was in het belang van de kinderen. Die noodzaak is onder meer aanwezig als een kind klem of verloren raakt of dreigt te raken, maar de mogelijkheid om het gezamenlijk gezag te beëindigen is daartoe niet beperkt. Beide ouders waren en zijn van mening dat gezamenlijk gezag over de kinderen in strijd is met het belang van de kinderen. Het hof onderschrijft dat standpunt en het oordeel van de rechtbank hierover. (…)
5.9 De rechtbank heeft onder ogen gezien dat artikel 1:266 BW Pro niet rechtstreeks van toepassing was omdat een verzoek op basis van dat artikel niet was gedaan. De rechtbank heeft overwogen dat zij
ookaan dit artikel toetst, maar heeft zich daartoe klaarblijkelijk niet beperkt. Het hof ziet een voldoende juridische grondslag voor de beslissing van de rechtbank in artikel 1:253a BW. Het hof gaat ervan uit dat de rechtbank ook dat artikel in ogenschouw heeft genomen. De rechtbank heeft een tijdelijke maatregel uitgesproken die zij in het belang van de kinderen wenselijk (of zelfs noodzakelijk) achtte ter zake van de gezamenlijke uitoefening van het gezag door partijen. De motivering hiervan acht het hof ruimschoots voldoende. (…)’
Het onderdeel klaagt dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de reikwijdte van art. 1:253a BW. Dit artikel regelt de bevoegdheid van de rechter om geschillen omtrent de feitelijke uitoefening van het gezag te beslechten, maar geeft volgens het onderdeel de rechter niet de bevoegdheid het gezag van een of beide ouders tijdelijk te beëindigen. Het onderdeel wijst er daarbij op dat de beëindiging van het gezamenlijk gezag na ontbinding van het huwelijks is geregeld in art. 1:251a BW, dat ook deze regeling er niet in voorziet dat het gezag van beide ouders door de rechter kan worden beëindigd. Beëindiging van het gezag van beide ouders over een minderjarige kan enkel op de voet van art. 1:266 BW Pro worden uitgesproken, en het hof heeft met juistheid geconstateerd dat een verzoek als in dit artikel bedoeld niet voorlag, aldus het onderdeel.
2.1
Als uitgangspunt blijven ouders die gezamenlijk het gezag hebben dit gezag na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding gezamenlijk uitoefenen (zie art. 1:251 lid 2 BW Pro).
Op grond van art. 1:251a lid 1 BW kan de rechter echter op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien is voldaan aan het zogeheten ‘klemcriterium’ [22] of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Voor toewijzing van eenhoofdig gezag na echtscheiding is dus een verzoek nodig; de rechter kan – afgezien van de in lid 3 en 4 van art. 1:251a BW omschreven gevallen van ambtshalve aanvulling en de informele rechtsingang van de minderjarige – niet ambtshalve daartoe beslissen. De rechter is in zoverre gebonden aan de grenzen van de rechtsstrijd dat hij niet het eenhoofdig gezag kan opdragen aan een ouder die heeft verzocht de andere ouder daarmee te belasten. [23] Als het gezamenlijk ouderlijk gezag op de voet van art. 1:251 lid 2 BW Pro is blijven doorlopen na echtscheiding, dan kan het gezamenlijk gezag op verzoek van de ouders of een van hen door de rechtbank worden beëindigd op grond van art. 1:253n BW. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder van de minderjarige kinderen toekomt.
2.11
Per 1 januari 2015 kan bij wege van kinderbeschermingsmaatregel het gezag worden beëindigd. [24] Op grond van art. 1:266 lid 1 BW Pro kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien aan de aldaar genoemde voorwaarden is voldaan.
Indien de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, wordt na de beëindiging van het gezag van een van hen voortaan het gezag door de andere ouder alleen uitgeoefend (art. 1:274 lid 1 BW Pro). Indien de andere ouder het gezag niet voortaan alleen uitoefent, benoemt de rechtbank een voogd over de minderjarige (art. 1:275 lid 1 BW Pro).
Art. 1:267 lid 1 BW Pro regelt wie bevoegd zijn een verzoek te doen tot beëindiging van het gezag, te weten de Raad voor de Kinderbescherming en het openbaar ministerie, en tevens, indien de Raad voor de Kinderbescherming niet tot een verzoek overgaat, de pleegouder. [25] De rechtbank kan voorts op grond van lid 2 van art. 1:267 BW Pro de beëindiging van het gezag ambtshalve uitspreken in geval van, kort gezegd, verschil van mening tussen de raad en de gecertificeerde instelling over de noodzaak van beëindiging van het gezag.
Een verzoek tot beëindiging van het gezag kan niet door de ouder(s) zelf worden gedaan. [26]
2.12
De rechter kan op de voet van art. 1:268 lid 1 BW Pro voorts een ouder geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag schorsen, o.m. indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in art. 1:266 lid Pro 1, aanhef en onder a of b BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
Op grond van lid 4 is bij schorsing in de uitoefening van het gezag art. 1:267 BW Pro van overeenkomstige toepassing. Ook deze schorsing kan derhalve slechts worden uitgesproken op verzoek van die in die bepaling genoemde mogelijke verzoekers, en (dus) niet van de ouder(s) zelf.
De schorsing in de uitoefening van het gezag vervalt op grond van lid 5 van art. 1:268 BW Pro na verloop van drie maanden na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn beëindiging van het gezag is verzocht.
2.13
In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen geschillen hieromtrent op grond van art. 1:253a lid 1 BW op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd, en neemt de rechtbank een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. [27] De rechter kan op grond van het tweede lid een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, bijvoorbeeld met betrekking tot toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken of de hoofdverblijfplaats van het kind. [28] De geschillenregeling van art. 1:253a lid 1 BW wordt in de praktijk onder meer gebruikt als de basis voor beslissingen met betrekking tot geschillen over de hoofdverblijfplaats of over de zorgregeling, maar ook over bijvoorbeeld een schoolinschrijving, het al of niet uitvoeren van medische behandelingen of een voorgenomen verhuizing van een ouder met de kinderen. [29]
2.14
De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. [30] De rechter heeft daarbij de vrijheid de wens van een van de ouders te volgen, dan wel naar eigen goeddunken een beslissing te geven. [31] De rechter heeft aldus een ruime bevoegdheid [32] om in het voorliggende geschil een passende beslissing te nemen. Het bepaalde in art. 1:253a BW (thans: art. 1:253a lid 1 BW) biedt evenwel geen grond om de beslissing inzake het gezag zelf te wijzigen, zo is in de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling tot uitdrukking gebracht:
‘Indien het geschil tussen de ouders niet door een vergelijk kan worden opgelost, neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. In de beslissing van de rechter kan de mening van de vader dan wel de moeder met betrekking tot het geschil weerspiegeld worden. Dit behoeft niet altijd het geval te zijn. De rechter kan het geschil op andere wijze tot een oplossing brengen. Het bepaalde in artikel 253a biedt evenwel geen grond om de beslissing inzake het gezag zelf te wijzigen in die zin dat alsnog een van de ouders met het gezag wordt belast.’ [33]
M.i. heeft dit a fortiori te gelden voor een beslissing tot beëindiging van het gezag dan wel schorsing in de uitoefening van het gezag. [34] Daarmee zou er bovendien aan voorbij worden gezien dat ouders op grond van art. 1:267 BW Pro (in verbinding met art. 1:268 BW Pro) niet bevoegd zijn tot het doen van een verzoek tot beëindiging dan wel schorsing.
2.15
Bij de rechtbank lagen een verzoek voor van de vader om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen en een verzoek van de moeder om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen. [35] De rechtbank is er in haar beschikking van 6 december 2019 van uitgegaan dat zij tegelijk beide verzoeken kon toewijzen, en dat dit ertoe leidde dat het gezag van zowel de vader als van de moeder wordt beëindigd (zij het tijdelijk); zie rov. 4.2 van die beschikking. Daarbij is de rechtbank er ten onrechte van uit gegaan dat van de verzoeken een gedeelte valt af te splitsen dat ertoe strekt dat het gezag van de andere ouder wordt beëindigd (zie rov. 4.2, eerste volzin). Aldus geïnterpreteerd en gecombineerd, leveren de verzoeken van de ouders in wezen een (eenstemmig) verzoek op tot beëindiging van hun beider ouderlijk gezag. Een dergelijk verzoek kan echter niet door de ouders worden gedaan (zie hiervoor onder 2.11).
2.16
Voor de beslissing van de rechtbank bood art. 1:253n in verbinding met art. 1:251a BW geen grondslag, omdat de beslissing er niet één is als in die bepalingen bedoeld, nu de rechtbank niet aan een van de beide ouders het eenhoofdig gezag heeft toegekend. Art. 1:266 BW Pro bood die grondslag evenmin, zoals de rechtbank onder ogen heeft gezien, nu geen van de daartoe (wél) bevoegde personen een verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag heeft ingediend (art. 1:267 lid 1 BW Pro), en ook niet het in art. 1:267 lid 2 BW Pro bedoelde geval aan de orde is waarin de rechter ambtshalve de beëindiging van het gezag kan uitspreken.
2.17
Het oordeel van het hof dat een voldoende juridische grondslag voor de beslissing van de rechtbank kan worden gevonden in art. 1:253a BW is, gelet op wat hiervoor is opgemerkt (in het bijzonder onder 2.14), m.i. onjuist.
Onderdeel III slaagt dan ook.
2.18
Nu onderdeel III slaagt, kunnen de onderdelen II en IV m.i. onbesproken blijven.
De voortbouwklacht van onderdeel V slaagt in het verlengde van onderdeel III.
Dit betekent dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.
2.19
M.i. kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen.
De grief van de moeder in incidenteel hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank om ook het gezag van haar over de kinderen te beëindigen [36] slaagt, zodat de beschikking waarvan beroep (van de rechtbank Midden-Nederland van 6 december 2019) dient te worden vernietigd. Op de in eerste aanleg voorliggende verzoeken tot toekenning van eenhoofdig gezag is inmiddels beslist bij beschikking van de rechtbank van 29 mei 2020, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden van 19 november 2020 en tot afdoening als hiervoor onder 2.19 vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie de beschikking van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem , van 19 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9610,
2.Voor zover thans van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 7 maart 2019 en 18 juli 2019 en van 6 december 2019, ECLI:NL:HRBMNE:2019:5776, steeds rov. 1. Zie voor het procesverloop in hoger beroep de beschikking van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem , van 13 februari 2020, rov. 1 en de bestreden beschikking, rov. 2.
3.Zie rov. 3.1 van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 7 maart 2019.
4.Van dit verweerschrift ontbreken de laatste twee pagina’s (p. 7-8); processtuk 3 in het A-dossier.
5.Zie rov. (1.1 in verbinding met) 3.2 van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 7 maart 2019. Het verweerschrift ontbreekt in het A-dossier. Overigens ontbreken vele stukken in het dossier. Zie ook de opmerking in voetnoot 15.
6.De vader is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Zie de beschikking van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden van 13 juni 2019, overgelegd bij brief van mr. Liefting aan de rechtbank van 17 juni 2019; processtuk 18 in het A-dossier. De beschikking in de hoofdzaak heb ik niet aangetroffen in het A-dossier.
7.In deze beschikking heeft de rechtbank overigens ook opgemerkt dat partijen gezamenlijk het gezag hebben over de kinderen. De schorsing van het gezag van de vader is inmiddels voorbij, aldus de rechtbank, gelet op de wettelijke termijn van drie maanden voor een schorsing van het ouderlijk gezag. Zie rov. 3.4.
8.Zie processtuk 27 in het A-dossier.
9.Zie de brief van mr. Liefting aan het hof van 15 juli 2020; processtuk 104 in het A-dossier. Zie ook rov. 4.2 van de bestreden beschikking.
10.Zie het verweerschrift in principaal appel, tevens houdende beroepschrift in incidenteel appel; processtuk 91 in het A-dossier. Zie ook rov. 4.2 van de bestreden beschikking.
11.Zie het verzoek tot ontslag van de voogdij (art. 1:322 BW Pro) ten gunste van de juridische ouder(s) van 28 april 2020, p. 9-10; bijlage 6 bij de brief van mr. De Vries-Veringa aan het hof van 25 mei 2020; processtuk 94 in het A-dossier.
12.Zie de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 29 mei 2020, bijlage bij de brief van mr. Liefting aan het hof van 29 mei 2020; processtuk 100 in het A-dossier. Zie ook rov. 3.7 van de bestreden beschikking.
13.Zie – in die volgorde – processtukken 103 en 95 in het A-dossier.
14.Het verzoekschrift tot cassatie is op 19 februari 2021 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.
15.De vader heeft bij brief van 28 april 2021 de Hoge Raad verzocht uitspraak te doen op basis van het procesdossier van de moeder (het A-dossier). Hoewel vele stukken incompleet zijn of ontbreken in het dossier, zijn zij voor de beslissing in deze zaak niet nodig. Opvragen van deze stukken zou bovendien tot vertraging leiden, hetgeen in deze zaak niet wenselijk is.
16.Zie o.m. HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1978,
17.HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292,
18.EHRM 7 juni 2011, nr. 277/05, ECLI:NL:XX:2011:BS1119,
19.Zie o.m. HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5151,
20.Zie de noot bij
21.HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1112,
22.Art. 1:251a lid 1 aanhef en onder a BW: indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen. Dit criterium heeft zijn herkomst in de rechtspraak van de Hoge Raad: HR 10 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2963,
23.Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/334.
24.Met de inwerkingtreding per 1 januari 2015 van de Wet tot herziening van de maatregelen van kinderbescherming (
25.Zie over de (proces)positie van de ouders bij een procedure over beëindiging van het gezag, in het bijzonder over de vraag of, in het geval het gezag van beide ouders is beëindigd en slechts één van de ouders in hoger beroep komt van de beslissing tot beëindiging van zijn of haar gezag, de andere ouder als belanghebbende moet worden aangemerkt: HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463,
26.Zie o.m. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/443; J.I. Huijer, GS Personen- en familierecht, art. 1:267 BW Pro, aant. 9 en M.R. Bruning, T&C BW, art. 1:267 BW Pro, aant. 1, allen met verwijzing naar HR 9 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AO6675,
27.Zie over art. 1:253a BW nader o.m. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/328-331; P. Vlaardingerbroek e.a., Hedendaagse personen- en familierecht, 2020/9.2.1.B (onder het kopje geschillenregeling); S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, Compendium personen- en familierecht, 2021/131a; E.C.C. Punselie, GS Personen- en familierecht, art. 1:253a BW; M.J.C. Koens, T&C BW, art. 1:253a BW; M.J. de Klerk en C.G. Jeppesen de Boer, Sdu Commentaar, art. 1:253a BW.
28.Deze bepaling is per 1 maart 2009 aan art. 1:253a BW toegevoegd bij de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding van 27 november 2008,
29.Zie voor voorbeelden uit de (lagere) rechtspraak o.m. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-I 2020/328; P. Vlaardingerbroek e.a., a.w., 2020/9.2.1.B (onder het kopje geschillenregeling); S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, a.w., 2021/131a; E.C.C. Punselie, t.a.p., aant. 1 en 10; M.J.C. Koens, t.a.p., aant. 2; M.J. de Klerk en C.G. Jeppesen de Boer, t.a.p., aant. 5.
30.Uit deze bewoordingen van art. 1:253a lid 1 BW mag overigens niet worden afgeleid dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen; zie HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901,
31.Zie
32.Zie aldus S.F.M. Wortmann en J. van Duijvendijk-Brand, a.w., 2021/131a.
34.Vgl. ook
35.Zie rov. 3.1 en 3.2 van de beschikking van de rechtbank van 6 december 2019 en zie ook rov. 5.3 van de bestreden beschikking.
36.Zie het verweerschrift in principaal appel, tevens houdende beroepschrift in incidenteel appel onder 51-52; processtuk 91 in het A-dossier.