Conclusie
(hierna: de moeder)
advocaat: mr. K. Aantjes
(hierna: de vader)
advocaat: mr. N.C. van Steijn
(hierna: de GI)
niet verschenen
niet verschenen
- [de dochter] , hierna: [de dochter] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , en
- [de zoon] , hierna: [de zoon] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .
De ouders oefenden tot 6 december 2019 gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
- de vader geschorst in de uitoefening van het gezag over [de dochter] en [de zoon] tot de voortgezette behandeling van de zaak, uitvoerbaar bij voorraad (5.3-5.4);
- de beslissing over het gezag aangehouden (5.5), en
- de Raad voor de Kinderbescherming verzocht onderzoek in te stellen naar de vraag of er reden is om aan te nemen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag niet in stand kan blijven en, indien dat zo is, wie van de ouders alleen met het gezag over de kinderen moet worden bekleed of dat anderszins in het gezag moet worden voorzien (5.6). [6] In zijn beschikking van 18 juli 2019 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak ten aanzien van onder meer het ouderlijk gezag aangehouden. [7]
- het gezag van beide ouders over [de dochter] en [de zoon] voor de duur van één jaar, dus tot 6 december 2020, beëindigd;
- de definitieve beslissing over het gezag pro forma aangehouden tot 30 oktober 2020, met het verzoek aan de advocaten en de GI om de rechtbank uiterlijk die datum te informeren over het verloop van het afgelopen jaar en hun standpunt over het gezag (gezamenlijk of eenhoofdig of geen) te geven;
- de GI tot tijdelijke voogd benoemd; en
- de ondertoezichtstelling van [de dochter] en [de zoon] met ingang van de datum van haar beschikking beëindigd.
De rechtbank heeft met betrekking tot het gezag, kort samengevat, als volgt overwogen.
Beide ouders hebben verzocht eenhoofdig gezag over beide kinderen te krijgen, met andere woorden om het gezag van de ander te beëindigen (rov. 4.2). De rechter is het met beide ouders en de GI en de Raad voor de Kinderbescherming eens dat beide kinderen klem en verloren zijn geraakt (rov. 4.3). De Raad adviseert de moeder het eenhoofdig gezag te verlenen. De rechtbank is er niet van overtuigd dat het toekennen van eenhoofdig gezag aan de moeder voor rust en duidelijkheid gaat zorgen en de huidige neerwaartse spiraal doorbreekt (rov. 4.4). De artikelen 1:266 lid 1 (en 1:267) BW, op grond waarvan de rechtbank het gezag van een ouder kan beëindigen, zijn op zich niet aan de orde omdat niemand van de in deze artikelen genoemde mogelijke verzoekers een verzoek hiertoe heeft ingediend. Indien de rechter echter de verzoeken van de ouders over het gezag beide zou toewijzen, zou dit leiden tot beëindiging van het gezag van beide ouders. Omdat dit een zeer vergaande maatregel is, zal de rechter ook toetsen aan de criteria van art. 1:266 BW Pro (rov. 4.5). De rechtbank is van oordeel dat aan beide criteria is voldaan. De kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd doordat de ouders het elkaar onmogelijk maken de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding voor de kinderen te dragen. De ouders misbruiken daarom in dit opzicht hun gezag (rov. 4.6). Ofwel de ouders krijgen alle ruimte om hun gezag ten volle te benutten en om te gaan met hun kinderen zoals het hun goeddunkt waar dan geen ondertoezichtstelling meer bij past. Het gevolg zal ongetwijfeld zijn dat [de dochter] bij haar moeder opgroeit en [de zoon] bij zijn vader. Het is twijfelachtig of de ouders het andere kind nog zullen zien. Voor de kinderen is dit scenario erg beschadigend. De andere optie is dat de ouders het gezag niet meer houden, waardoor de onderlinge strijd minder waarde heeft. De rechter kiest voor dit laatste. De rechter zal daarom beide verzoeken van de ouders toewijzen voor zover dit gaat over de beëindiging van het gezag van de andere ouder (rov. 4.8-4.9). De rechter zal het gezag tijdelijk, d.w.z. voor een jaar, beëindigen. Een schorsing (die ‘slechts’ drie maanden duurt) is niet op haar plaats (rov. 4.10).
De vader heeft dit hoger beroep later ingetrokken. [9]
De GI heeft daarbij o.m. gerefereerd aan de pro forma aanhouding tot 30 oktober 2020 van de definitieve beslissing over het gezag in de beschikking van de rechtbank van 6 december 2019, en heeft het, gelet op de wijze waarop de uitvoering van de voogdij over de kinderen verloopt, noodzakelijk geacht de rechtbank reeds nu te informeren over het verloop van de uitvoering van de voogdij en haar standpunt ten aanzien van het gezag. De GI acht het aangewezen dat de ouders of een van hen het gezag over [de dochter] en [de zoon] weer zelf gaan uitoefenen nu de GI door het handelen van de ouders niet in staat is om deskundigheid en gezag in te zetten om de kinderen te beschermen en te laten helpen en de tijdelijke voogdij dan ook niet het effect heeft gehad dat door de kinderrechter was beoogd. [11]
Van beide mondelinge behandelingen is proces-verbaal opgemaakt. [13]
a. Het incidenteel hoger beroep richt zich tegen een voorlopige beslissing in een tussenbeschikking. Ondanks het feit dat het een voorlopige beslissing betreft, staat tegen de beschikking van de rechtbank hoger beroep open, omdat voor de duur van de procedure bij de rechtbank sprake is van een definitieve beslissing, zij het dat deze in tijd is beperkt. (5.1)
b. De werking van de bestreden beslissing is inmiddels geëindigd, doordat de rechtbank op 29 mei 2020 een definitieve beslissing over het gezag over de kinderen heeft gegeven. De beschikking van 29 mei 2020 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Gelet daarop kan een beslissing van het hof over het gezag over de kinderen voor de duur van de procedure bij de rechtbank materieel geen effect meer hebben. De duur waarvoor de beslissing was uitgesproken is verstreken en het gezag kan niet met terugwerkende kracht bij de ouders of bij één van hen terugkomen. Gelet op het door art. 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de beslissing te laten toetsen en behoort aan haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken. Dit betekent wel dat het hof het hoger beroep beperkt tot een rechtmatigheidstoets. (5.2)
c. De verzoeken die aan de rechtbank zijn voorgelegd, betroffen een verzoek van de vader om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen en een verzoek van de moeder om haar te belasten met het eenhoofdig gezag over de kinderen. (5.3)
d. De rechtbank heeft uit de verzoeken van beide partijen – niet onbegrijpelijk – de conclusie getrokken dat beide partijen zich op het standpunt stelden dat een wijziging van het gezag noodzakelijk was in het belang van de kinderen. Beide ouders waren en zijn van mening dat gezamenlijk gezag over de kinderen in strijd is met het belang van de kinderen. Het hof onderschrijft dat standpunt en het oordeel van de rechtbank hierover. (5.8)
e. De rechtbank heeft overwogen dat zij
ookaan art. 1:266 BW Pro toetst, maar heeft zich daartoe klaarblijkelijk niet beperkt. Het hof ziet een voldoende juridische grondslag voor de beslissing van de rechtbank in art. 1:253a BW en gaat ervan uit dat de rechtbank ook dat artikel in ogenschouw heeft genomen. De rechtbank heeft een tijdelijke maatregel uitgesproken die zij in het belang van de kinderen wenselijk (of zelfs noodzakelijk) achtte ter zake van de gezamenlijke uitoefening van het gezag door partijen. De motivering hiervan acht het hof ruimschoots voldoende. De motivering van de rechtbank dat eenhoofdig gezag van de moeder over de kinderen de strijd niet zou verminderen, acht het hof eveneens voldoende. (5.9)
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Iis gericht tegen rov. 5.2 van de bestreden beschikking, waarin het hof als volgt heeft overwogen (mijn onderstreping, A-G):
De duur waarvoor de beslissing was uitgesproken is verstreken en het gezag kan niet met terugwerkende kracht bij de ouders of bij één van hen terugkomen.Gelet op het door artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, heeft de moeder een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de beslissing te laten toetsen en behoort aan haar niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken. Dit betekent wel dat het hof het hoger beroep beperkt tot een rechtmatigheidstoets en dat het hof zal beoordelen of de rechtbank heeft kunnen komen tot de uitspraak die zij heeft gedaan.’
Het onderdeel wijst op het belang dat de moeder heeft bij toetsing in verband met eventuele aansprakelijkheid voor schade als gevolg van, kort gezegd, onrechtmatige beëindiging van het gezag, maar hiertoe dient nu juist de door het hof uitgevoerde ‘rechtmatigheidstoets’ mede (zie hiervoor onder 2.3).
onderdeel III.
Dit onderdeel is gericht tegen rov. 5.9 van de bestreden beschikking, waarin het hof als volgt heeft overwogen (voor de leesbaarheid citeer ik ook een deel van rov. 5.8):
5.9 De rechtbank heeft onder ogen gezien dat artikel 1:266 BW Pro niet rechtstreeks van toepassing was omdat een verzoek op basis van dat artikel niet was gedaan. De rechtbank heeft overwogen dat zij
ookaan dit artikel toetst, maar heeft zich daartoe klaarblijkelijk niet beperkt. Het hof ziet een voldoende juridische grondslag voor de beslissing van de rechtbank in artikel 1:253a BW. Het hof gaat ervan uit dat de rechtbank ook dat artikel in ogenschouw heeft genomen. De rechtbank heeft een tijdelijke maatregel uitgesproken die zij in het belang van de kinderen wenselijk (of zelfs noodzakelijk) achtte ter zake van de gezamenlijke uitoefening van het gezag door partijen. De motivering hiervan acht het hof ruimschoots voldoende. (…)’
Op grond van art. 1:251a lid 1 BW kan de rechter echter op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien is voldaan aan het zogeheten ‘klemcriterium’ [22] of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Voor toewijzing van eenhoofdig gezag na echtscheiding is dus een verzoek nodig; de rechter kan – afgezien van de in lid 3 en 4 van art. 1:251a BW omschreven gevallen van ambtshalve aanvulling en de informele rechtsingang van de minderjarige – niet ambtshalve daartoe beslissen. De rechter is in zoverre gebonden aan de grenzen van de rechtsstrijd dat hij niet het eenhoofdig gezag kan opdragen aan een ouder die heeft verzocht de andere ouder daarmee te belasten. [23] Als het gezamenlijk ouderlijk gezag op de voet van art. 1:251 lid 2 BW Pro is blijven doorlopen na echtscheiding, dan kan het gezamenlijk gezag op verzoek van de ouders of een van hen door de rechtbank worden beëindigd op grond van art. 1:253n BW. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder van de minderjarige kinderen toekomt.
Indien de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, wordt na de beëindiging van het gezag van een van hen voortaan het gezag door de andere ouder alleen uitgeoefend (art. 1:274 lid 1 BW Pro). Indien de andere ouder het gezag niet voortaan alleen uitoefent, benoemt de rechtbank een voogd over de minderjarige (art. 1:275 lid 1 BW Pro).
Art. 1:267 lid 1 BW Pro regelt wie bevoegd zijn een verzoek te doen tot beëindiging van het gezag, te weten de Raad voor de Kinderbescherming en het openbaar ministerie, en tevens, indien de Raad voor de Kinderbescherming niet tot een verzoek overgaat, de pleegouder. [25] De rechtbank kan voorts op grond van lid 2 van art. 1:267 BW Pro de beëindiging van het gezag ambtshalve uitspreken in geval van, kort gezegd, verschil van mening tussen de raad en de gecertificeerde instelling over de noodzaak van beëindiging van het gezag.
Een verzoek tot beëindiging van het gezag kan niet door de ouder(s) zelf worden gedaan. [26]
Op grond van lid 4 is bij schorsing in de uitoefening van het gezag art. 1:267 BW Pro van overeenkomstige toepassing. Ook deze schorsing kan derhalve slechts worden uitgesproken op verzoek van die in die bepaling genoemde mogelijke verzoekers, en (dus) niet van de ouder(s) zelf.
De schorsing in de uitoefening van het gezag vervalt op grond van lid 5 van art. 1:268 BW Pro na verloop van drie maanden na de dag van de beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn beëindiging van het gezag is verzocht.
Onderdeel III slaagt dan ook.
De voortbouwklacht van onderdeel V slaagt in het verlengde van onderdeel III.
Dit betekent dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.
De grief van de moeder in incidenteel hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank om ook het gezag van haar over de kinderen te beëindigen [36] slaagt, zodat de beschikking waarvan beroep (van de rechtbank Midden-Nederland van 6 december 2019) dient te worden vernietigd. Op de in eerste aanleg voorliggende verzoeken tot toekenning van eenhoofdig gezag is inmiddels beslist bij beschikking van de rechtbank van 29 mei 2020, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.