Conclusie
Inleiding
1) Een in wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] opgemaakt proces-verbaal, genummerd 2017110312.48, gesloten en getekend op 3 november 2017, als bijlage (pagina's 228 t/m 229) gevoegd bij het stamproces-verbaal, voor zover inhoudendede bevindingen van deze verbalisant, inhoudende, zakelijk weergegeven:
het hof begrijpt: [verdachte]).
Wat is nu precies de reden dat jij met hen naar Amsterdam gaat?
Pagina 807 en 808: Op 29 oktober 2017 vindt er een chatgesprek plaats tussen [betrokkene 1] ( [telefoonnummer 3] ) en [betrokkene 2] ( [telefoonnummer 1] ).
Vrijwillige terugtred bij feit 1?
NJ2012/517 aan de formulering van de maatstaf als zodanig. Hij meent dat de gebruikte formule geen deugdelijk criterium inhoudt waarmee de poging kan worden onderscheiden van de voorbereiding, omdat ook een typische voorbereidingshandeling zoals het vervaardigen van een geheime bergplaats in een vrachtauto naar haar uiterlijke verschijningsvorm te beschouwen is als gericht op de voltooiing van het misdrijf van (waren)smokkel. De vraag is hoe ver op de weg naar de voltooiing van het misdrijf (Keijzer spreekt van de ‘iter criminis’) moet zijn voortgeschreden voordat de gedraging kan gelden als strafbare poging en juist die vraag beantwoordt de formule niet. Rozemond onderschrijft in zijn noot onder HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769,
NJ2015/403 de kritiek van Keijzer op het gebrek aan onderscheidend vermogen van het criterium, zoals dat in de rechtspraak wordt toegepast. Ook Rozemond vindt het van belang hoe ver de gedragingen van de verdachte af liggen van voltooiing van het misdrijf. Naast deze nabijheid van de gedraging ten opzichte van het voltooide delict (de gedraging moet volgens Rozemond op “directe aanvang” van het misdrijf zijn gericht), noemt hij als relevante factoren het onderscheidende karakter van de bewezenverklaarde gedraging ten opzichte van alledaagse gedragingen, de ‘acuutheid’ van het gevaar voor het beschermde belang, de noodzaak om tot politie-ingrijpen over te kunnen gaan en het ontbreken van strafrechtelijke alternatieven. Dat iets een typische voorbereidingshandeling oplevert, acht Rozemond in zijn noot onder HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575,
NJ2016/318 eveneens een argument om geen poging aan te nemen. [17] De Hullu duidt de afgrenzing ten opzichte van de voorbereiding als “niet erg prominent” en beschouwt dat als een gevaar waartegen bij de toepassing van het criterium in het concrete geval moet worden gewaakt. [18] De Hullu stipt aan dat de door Rozemond genoemde factoren lijken door te klinken in HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575,
NJ2016/318. De Hoge Raad vernietigde in die zaak de veroordeling wegens poging tot invoer van drugs omdat het hof het begin van uitvoering had gesitueerd op het moment dat de verdachte met een speciaal daartoe geprepareerde auto naar Marokko vertrok. Dat was zonder nadere motivering, die ontbrak, niet begrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat ook van de overige bewezenverklaarde gedragingen niet kon worden gezegd dat deze naar hun uiterlijke verschijningsvorm “reeds in voldoende concrete mate” gericht waren op de voltooiing van de invoer in Nederland. Met deze laatste zinsnede lijkt het criterium inderdaad (wat) te zijn aangescherpt.
tweede middel(opzettelijk in bezit hebben van dierenpornografische afbeeldingen)