Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Hospital Standarised Mortality Ratiovan het ziekenhuis (hierna: de HSMR) – de werkelijke sterfte in het ziekenhuis afgezet tegen de op grond van de patiëntkenmerken verwachte sterfte – over 2010 erop duidde dat het aantal sterfgevallen in het ziekenhuis, ook op de afdeling cardiologie, aanmerkelijk hoger was dan het aantal sterfgevallen in vergelijkbare ziekenhuizen. De raad van bestuur van het ziekenhuis (hierna: de RvB) had naar aanleiding van de uitkomsten van die berekening in november 2011 opdracht gegeven aan het onderzoeksbureau Medirede (hierna: Medirede) om dossiers van patiënten die in 2010 zijn overleden en vallen onder de diagnosegroep acuut myocardinfarct en hartfalen te onderzoeken op potentieel vermijdbare schade. In het verslag van een tijdens het bezoek van de Inspectie op 11 juni 2012 gevoerd gesprek met de RvB is onder meer het volgende opgenomen:
adverse eventser twee niet vermijdbaar, acht mogelijk vermijdbaar en negen waarschijnlijk vermijdbaar zijn geweest, alsmede dat bij vier patiënten de
adverse eventsgeen bijdrage aan het overlijden hebben gehad, bij tien patiënten de
adverse eventseen bijdrage aan het overlijden hebben gehad en bij één patiënt een
adverse eventde waarschijnlijke oorzaak van het overlijden is geweest. De onderzoekers hadden in het kader van hun onderzoek de behandelaars om een reactie gevraagd die in het overgrote deel van de gevallen ook gegeven is.
adverse eventsin 12 dossiers. De cardiologen hebben hun zienswijze daarop gegeven. Medirede concludeerde uiteindelijk tot waarschijnlijk vermijdbare
adverse eventsin vijf dossiers en mogelijk vermijdbare
adverse eventsin 3 dossiers. Van deze (vijf plus drie is) acht
adverse eventsis er volgens Medirede één die de waarschijnlijke oorzaak van het overlijden is en hebben er vijf mogelijk bijgedragen aan het overlijden.
nietde gedachte ten grondslag dat het uit oogpunt van patiëntveiligheid verantwoord was dat de cardiologen vanaf 17 december 2012 weer (zelfstandig) aan het werk zouden gaan (rov. 5.38). Het ligt bovendien niet voor de hand, mede gezien het feit dat inmiddels - in januari 2013 - Medirede II was uitgebracht, met voor de cardiologen ongunstige bevindingen, en het feit dat in februari 2013 nog steeds verscherpt toezicht bestond, dat de RvB de cardiologen zou hebben toegelaten tot het werk voordat het rapport van de NVVC was uitgebracht (rov. 5.39). De situatie werd (mogelijk) pas anders toen de NVVC zich medio maart 2013 op verzoek van de cardiologen bereid verklaarde om hen onder haar toezicht weer aan het werk te laten gaan (rov. 5.40). Alles afwegend neemt het hof aan dat de RvB ermee zou hebben ingestemd dat de cardiologen hun werk in de polikliniek onder toezicht zouden hebben hervat (rov. 5.41-5.44). De cardiologen zouden dan op zijn vroegst begin april 2013 aan het werk hebben kunnen gaan (rov. 5.44).
3.Bespreking van beide cassatieberoepen
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof daarmee heeft miskend dat de Afdeling in zijn uitspraak heeft geoordeeld dat de Staat zijn bevoegdheid heeft ingezet voor een oneigenlijk doel, namelijk om de cardiologen voor onbepaalde tijd uit hun beroep te zetten terwijl de Staat daartoe andere middelen ter beschikking staan (rov. 19.3 van de uitspraak van de Afdeling).
subonderdeel 2.1heeft het hof bij dit oordeel de terugwerkende kracht miskend die de uitspraak van de Afdeling heeft met betrekking tot de onrechtmatigheid van het verlengingsbesluit. De uitspraak van de Afdeling brengt volgens het subonderdeel met zich dat het hof ervan had moeten uitgaan dat het verlengingsbesluit van meet af aan als onrechtmatig heeft te gelden, voor zover het ziet op de periode na 17 december 2012. Dit betekent dat de beslissing van de Inspectie in maart 2013 om geen medewerking te verlenen aan de voorgestelde beroepsstage wel degelijk als afzonderlijk onrechtmatig handelen kan worden beschouwd. Het hof miskent althans dat de omstandigheid dat het bevel feitelijk heeft voortgeduurd tot 24 juni 2013 niet afdoet aan de ongeldigheid van het verlengingsbesluit vanaf 17 december 2012 en derhalve niet in de weg staat aan de afzonderlijke onrechtmatigheid van de beslissing van de Inspectie in maart 2013 om geen medewerking te verlenen aan de voorgestelde beroepsstage van de cardiologen.
Subonderdeel 3.2voert aan dat de door het hof gebezigde kansbepaling niet te rijmen is met zijn verwerping van de kansschade-benadering in rov. 5.35 en dat de oordeelsvorming van het hof daarom innerlijk tegenstrijdig is.
Subonderdeel 3.3klaagt dat deze oordeelsvorming in elk geval in zoverre ontoereikend gemotiveerd is, dat het hof bij de bepaling van deze kansschade niet is ingegaan op de essentiële stellingen van [cardioloog 2] en [cardioloog 1] daarover en het door hen ingebrachte memo kansberekening en inkomensschade.
mogelijkeen bijdrage geleverd, welke bijdrage in de door het hof in rov. 5.56 opgesomde omstandigheden te schatten valt – door het hof is geschat – op 10% c.q. 5%.
in die situatie. Het hof gaat niet in op de vraag hoe groot die kans was ten tijde van het onrechtmatige handelen van de Inspectie, wat het in beginsel te hanteren beoordelingsmoment is. Het gaat er immers bij het vergoeden van kansschade om welke kans door het onrechtmatige handelen ontnomen is. Bij een zuivere benadering zou dus moeten worden gekeken hoe groot
op dat tijdstipde kans was dat de cardiologen eerst hun werk zouden kwijtraken en vervolgens door het onrechtmatige verlengingsbesluit verder zonder werk zouden komen te zitten. Dat is immers is de kans die hen door het verlengingsbesluit is ontnomen.