Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
ontvankelijkheidvan het cassatieberoep vraagt voorafgaand aan de bespreking van het middel de aandacht. Het bestreden arrest is op 8 oktober 2020 bij verstek gewezen. Het cassatieberoep is op 27 oktober 2020 ingesteld, op basis van een schriftelijke bijzondere volmacht die de raadsman van de verdachte die dag als bijlage bij een e-mailbericht aan de strafgriffie van het hof heeft verzonden.
NJ2008/18 geconstateerd dat in art. 588 (oud) Sv niet was voorzien ‘in een bepaling die de weigering van de verdachte om een gerechtelijk stuk in ontvangst te nemen gelijkstelt met uitreiking van dat stuk in persoon’ (rov. 3.4). Dat is in het ten tijde van de betekening geldende art. 36e Sv niet anders. [2] Uit HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5251 volgt dat een handtekening voor ontvangst geen vereiste is voor een uitreiking in persoon. In HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1160,
NJ2017/354 m.nt. Kooijmans had het hof vastgesteld dat een verbalisant had getracht de dagvaarding aan de verdachte uit te reiken ‘doch dat dit niet is gelukt omdat de verdachte weigerde het stuk in ontvangst te nemen waarna de verbalisant de inhoud daarvan heeft medegedeeld aan de verdachte’. ’s Hofs oordeel dat zich aldus een omstandigheid had voorgedaan waaruit voortvloeide dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, getuigde niet van een onjuiste rechtsopvatting. [3] In de conclusie voorafgaand aan HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:380 neemt A-G Spronken aan dat aan de vereisten voor een rechtsgeldige betekening in persoon is voldaan als ‘het stuk door de verdachte in ontvangst is genomen, al is dat maar voor een korte tijd’ (randnummer 3.11). [4] Uw Raad deed het cassatieberoep af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
dagvaarding verdachte in hoger beroeper van uit mocht gaan dat hij (…) op de rolzitting van 8 oktober niet behoefde te verschijnen’. Ik begrijp de cassatieschriftuur evenwel aldus dat de naam ‘ [verdachte] ’ zowel de verdachte als diens raadsman aanduidt. Zo geeft de steller van het middel iets verderop aan dat ‘ [verdachte] in de brief van 21 augustus 2020 heeft voldaan’ aan het verzoek verhinderdata op te geven. In cassatie wordt gesteld dat de raadsman die brief heeft verzonden. Mede in dat licht meen ik dat uit de cassatieschriftuur niet kan worden afgeleid dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting in hoger beroep de verdachte tevoren bekend was.
middelklaagt over schending van art. 410 Sv Pro, omdat het hof ondanks het feit dat een appelmemorie was ingediend de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep heeft uitgesproken. Derhalve zou het hof het arrest ook onjuist hebben gemotiveerd.
ROLZITTINGbij het gerechtshof Amsterdam, zal plaatsvinden IJdok 20 te Amsterdam, tegen uw cliënt:
ROLZITTINGvan het hof omdat door of namens uw cliënt hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de kantonrechter/politierechter/meervoudige kamer van de rechtbank. Omdat geen grieven zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld zal de zaak van uw cliënt op de in de dagvaarding aangegeven datum en tijdstip worden behandeld op een zogenoemde
ROLZITTING. Deze zitting is bedoeld om u en/of uw cliënt in de gelegenheid te stellen de bezwaren tegen het vonnis op te geven, waarna de behandeling van de strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop de strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden. Tijdens de behandeling bestaat niet de mogelijkheid om inhoudelijk op de strafzaak in te gaan of om onderzoekswensen op te geven. U en/of uw cliënt zijn immers reeds in de gelegenheid gesteld om onderzoekwensen op te geven van welke mogelijkheid geen gebruik is gemaakt. De behandeling is uitsluitend bedoeld om te inventariseren of en zo ja, wat de bezwaren zijn tegen het vonnis waartegen door of namens uw cliënt hoger beroep is ingesteld. Indien u of uw cliënt niet verschijnt en ook niet voorafgaand aan de zitting of tijdens de zitting bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld, dan dient u er rekening mee te houden dat het hof uw cliënt, conform artikel 416 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering, niet ontvankelijk verklaart in het door of namens uw cliënt ingestelde hoger beroep. Indien u voorafgaand aan de zitting uw bezwaren opgeeft en er voor kiest om niet ter zitting te verschijnen, is het verzoek om tevens uw verhinderdata op te geven, opdat de strafzaak kan worden aangehouden tot een nadere datum. Opgave van verhinderdata vanaf 4 weken tot 18 weken na de datum van de
ROLZITTINGis afdoende.’
APPÈL MEMORIE’ gevoegd.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep