ECLI:NL:PHR:2021:1250

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2021
Publicatiedatum
6 januari 2022
Zaaknummer
20/03450
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416.2 SvArt. 9.5 WVW 1994Art. 432.1.a SvArt. 36e.1.b SvArt. 2 Regeling modellen van akte gerechtelijke mededelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep bij niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep wegens ontbreken grieven

De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam op 8 oktober 2020 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet indienen van een schriftuur houdende grieven en het niet verschijnen op de terechtzitting. De verdachte was veroordeeld voor het rijden terwijl zijn rijbewijs was geschorst. Het cassatieberoep werd ingesteld op 27 oktober 2020, wat later was dan de vereiste termijn van veertien dagen na de einduitspraak van het hof.

De kern van het geschil betrof de vraag of de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig aan de verdachte in persoon was betekend, ondanks dat de verdachte vanwege Covid-19 niet had getekend voor ontvangst. De Hoge Raad overwoog dat een handtekening voor ontvangst niet vereist is voor een geldige betekening en dat de dagvaarding conform de wettelijke voorschriften was betekend. Hierdoor begon de termijn voor het instellen van cassatieberoep te lopen vanaf de datum van het arrest van het hof.

De verdediging stelde dat er wel degelijk een appelmemorie was ingediend en dat de verdachte niet behoefde te verschijnen op de rolzitting, maar het hof had dit niet onderzocht en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk. De Hoge Raad oordeelde dat het op de raadsman van de verdachte rust om zich ervan te vergewissen dat de schriftuur tijdig is ingediend en dat het hof niet verplicht was nader onderzoek te doen naar de ontvangst van de appelmemorie.

Het cassatieberoep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn na rechtsgeldige betekening van de dagvaarding in hoger beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/03450
Zitting16 november 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
Bij arrest van 8 oktober 2020 heeft het Gerechtshof Amsterdam de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 10 maart 2020 waarbij de verdachte wegens ‘overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
De
ontvankelijkheidvan het cassatieberoep vraagt voorafgaand aan de bespreking van het middel de aandacht. Het bestreden arrest is op 8 oktober 2020 bij verstek gewezen. Het cassatieberoep is op 27 oktober 2020 ingesteld, op basis van een schriftelijke bijzondere volmacht die de raadsman van de verdachte die dag als bijlage bij een e-mailbericht aan de strafgriffie van het hof heeft verzonden.
Ingevolge art. 432, eerste lid, onder a, Sv dient het beroep in cassatie binnen veertien dagen na de einduitspraak te worden ingesteld indien de dagvaarding (of oproeping) om op de terechtzitting te verschijnen in persoon aan de verdachte is betekend. In het onderhavige geval is in de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep vermeld dat de brief met parketnummer 23-001071-20 op 7 september 2020 aan de geadresseerde is uitgereikt. Een ‘Aanvulling op de akte van uitreiking’ bevat informatie over de feitelijke gang van zaken bij de uitreiking. De ontvanger heeft aan de betreffende medewerker IPKD [1] desgevraagd de naam en geboortedatum van de geadresseerde opgegeven. De aanvulling vermeldt voorts dat de medewerker IPKD nadat hij of zij ‘de ontvanger had gesproken en dit aan hem/haar had aangekondigd, de gerechtelijke mededeling in de bij zijn/haar woning behorende brievenbus (heeft) gedaan’.
5. Het is de vraag of dit als een betekening in persoon kan worden aangemerkt. Uw Raad heeft in HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7912,
NJ2008/18 geconstateerd dat in art. 588 (oud) Sv niet was voorzien ‘in een bepaling die de weigering van de verdachte om een gerechtelijk stuk in ontvangst te nemen gelijkstelt met uitreiking van dat stuk in persoon’ (rov. 3.4). Dat is in het ten tijde van de betekening geldende art. 36e Sv niet anders. [2] Uit HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5251 volgt dat een handtekening voor ontvangst geen vereiste is voor een uitreiking in persoon. In HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1160,
NJ2017/354 m.nt. Kooijmans had het hof vastgesteld dat een verbalisant had getracht de dagvaarding aan de verdachte uit te reiken ‘doch dat dit niet is gelukt omdat de verdachte weigerde het stuk in ontvangst te nemen waarna de verbalisant de inhoud daarvan heeft medegedeeld aan de verdachte’. ’s Hofs oordeel dat zich aldus een omstandigheid had voorgedaan waaruit voortvloeide dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, getuigde niet van een onjuiste rechtsopvatting. [3] In de conclusie voorafgaand aan HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:380 neemt A-G Spronken aan dat aan de vereisten voor een rechtsgeldige betekening in persoon is voldaan als ‘het stuk door de verdachte in ontvangst is genomen, al is dat maar voor een korte tijd’ (randnummer 3.11). [4] Uw Raad deed het cassatieberoep af met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering.
6. Mij komt het voor dat de betekening van de appeldagvaarding in het licht van hetgeen in de aanvulling op de akte van uitreiking is vermeld niet als een betekening in persoon kan worden aangemerkt. Uit genoemde aanvulling kan worden afgeleid dat de medewerker IPKD de gerechtelijke mededeling na de ontvanger te hebben gesproken in de bij de woning behorende brievenbus heeft gedaan. Dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, kan uit de aanvulling evenmin worden afgeleid. Daaruit volgt dat de medewerker IPKD heeft aangekondigd de gerechtelijke mededeling in de brievenbus te zullen doen, niet dat de inhoud daarvan aan de verdachte is medegedeeld. [5] Dat de gang van zaken uit een – door de medewerker IPKD ondertekende – aanvulling op de akte blijkt en niet uit de akte zelf, staat er niet aan in de weg daaraan betekenis te hechten. Ik neem daarbij in aanmerking dat Uw Raad ook betekenis hecht aan opmerkingen over de feitelijke gang van zaken die op de akte zelf aanvullend zijn vermeld. [6]
7. Enkele passages uit de cassatieschriftuur roepen nog de vraag op of daaruit mag worden afgeleid dat de verdachte tevoren met de dag van de terechtzitting in hoger beroep bekend was. De steller van het middel meent dat [verdachte] ‘gezien het reeds geciteerde uit de tekst op de
dagvaarding verdachte in hoger beroeper van uit mocht gaan dat hij (…) op de rolzitting van 8 oktober niet behoefde te verschijnen’. Ik begrijp de cassatieschriftuur evenwel aldus dat de naam ‘ [verdachte] ’ zowel de verdachte als diens raadsman aanduidt. Zo geeft de steller van het middel iets verderop aan dat ‘ [verdachte] in de brief van 21 augustus 2020 heeft voldaan’ aan het verzoek verhinderdata op te geven. In cassatie wordt gesteld dat de raadsman die brief heeft verzonden. Mede in dat licht meen ik dat uit de cassatieschriftuur niet kan worden afgeleid dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting in hoger beroep de verdachte tevoren bekend was.
8. Nu niet blijkt van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat het bestreden arrest de verdachte meer dan veertien dagen voor 27 oktober 2020 bekend was, is het cassatieberoep ontvankelijk.
9. Het
middelklaagt over schending van art. 410 Sv Pro, omdat het hof ondanks het feit dat een appelmemorie was ingediend de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep heeft uitgesproken. Derhalve zou het hof het arrest ook onjuist hebben gemotiveerd.
10. De steller van het middel heeft aan de cassatieschriftuur een kopie gehecht van een bericht met als opschrift ‘Dagvaarding van verdachte in hoger beroep’, dat gedateerd is op 11 augustus 2020 en gericht is aan mr. Doornbos, en onder meer het volgende inhoudt:
‘De advocaat-generaal deelt u mede dat op donderdag 8 oktober 2020 te 09:30 uur, de
ROLZITTINGbij het gerechtshof Amsterdam, zal plaatsvinden IJdok 20 te Amsterdam, tegen uw cliënt:
(…)
Uw cliënt is gedagvaard om te verschijnen op een
ROLZITTINGvan het hof omdat door of namens uw cliënt hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de kantonrechter/politierechter/meervoudige kamer van de rechtbank. Omdat geen grieven zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld zal de zaak van uw cliënt op de in de dagvaarding aangegeven datum en tijdstip worden behandeld op een zogenoemde
ROLZITTING. Deze zitting is bedoeld om u en/of uw cliënt in de gelegenheid te stellen de bezwaren tegen het vonnis op te geven, waarna de behandeling van de strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop de strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden. Tijdens de behandeling bestaat niet de mogelijkheid om inhoudelijk op de strafzaak in te gaan of om onderzoekswensen op te geven. U en/of uw cliënt zijn immers reeds in de gelegenheid gesteld om onderzoekwensen op te geven van welke mogelijkheid geen gebruik is gemaakt. De behandeling is uitsluitend bedoeld om te inventariseren of en zo ja, wat de bezwaren zijn tegen het vonnis waartegen door of namens uw cliënt hoger beroep is ingesteld. Indien u of uw cliënt niet verschijnt en ook niet voorafgaand aan de zitting of tijdens de zitting bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld, dan dient u er rekening mee te houden dat het hof uw cliënt, conform artikel 416 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering, niet ontvankelijk verklaart in het door of namens uw cliënt ingestelde hoger beroep. Indien u voorafgaand aan de zitting uw bezwaren opgeeft en er voor kiest om niet ter zitting te verschijnen, is het verzoek om tevens uw verhinderdata op te geven, opdat de strafzaak kan worden aangehouden tot een nadere datum. Opgave van verhinderdata vanaf 4 weken tot 18 weken na de datum van de
ROLZITTINGis afdoende.’
11. Aan de cassatieschriftuur is voorts een brief gehecht die gedateerd is op 21 augustus 2020 en door de raadsman is gericht aan het hof. Daarop zijn als adresgegevens vermeldt: Gerechtshof Amsterdam, Afdeling strafrecht, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam’. Achter ‘Uw ref’ is het (parket)nummer 23/001071/20 vermeld. Deze brief houdt onder meer het volgende in:
‘Edelgrootachtbare,
Hierbij zend ik u de appelmemorie in bovengenoemde kwestie.’
Verder vermeldt de brief verhinderdata. Bij de cassatieschriftuur is tevens een stuk getiteld ‘
APPÈL MEMORIE’ gevoegd.
12. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 oktober 2020 blijkt dat de verdachte noch de raadsman is verschenen. Dit proces-verbaal houdt het volgende in:
‘Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De voorzitter deelt mede dat in de onderhavige zaak door de verdediging geen appelschriftuur houdende grieven is ingediend.
De advocaat-generaal voert het woord, leest zijn vordering voor en legt die aan het gerechtshof over. Hij vordert dat nu de verdachte noch bij schriftuur, noch mondeling, het namens hem ingestelde hoger beroep heeft toegelicht of heeft doen toelichten en de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, het hof de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk zal verklaren in het namens hem ingestelde hoger beroep.
Na beraad sluit de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting en deelt mede dat terstond uitspraak zal worden gedaan.
De voorzitter spreekt het arrest uit.’
13. Het hof heeft op diezelfde datum uitspraak gedaan. Het arrest houdt onder meer in:

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.’
14. De steller van het middel meent dat – gezien de in cassatie overgelegde stukken – het hof ‘op onjuiste gronden heeft geoordeeld dat geen schriftuur houdende grieven of mondeling bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven’. De verdachte mocht ervan uitgaan dat hij op de terechtzitting van het hof van 8 oktober 2020 niet behoefde te verschijnen, omdat dit een rolzitting betrof waarop de zaak zou worden aangehouden tot een nadere datum voor een inhoudelijke behandeling, nu de raadsman op 21 augustus 2020 een appelmemorie had ingediend en zijn verhinderdata had opgegeven.
15. Art. 410 , eerste lid, Sv luidt als volgt:
‘ ‘De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen. De schriftuur van de verdachte kan langs elektronische weg worden ingediend met behulp van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen elektronische voorziening. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het gebruik van de elektronische voorziening.’
16. Art. 416, tweede lid, Sv luidt als volgt:
‘Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.’
17. Uit art. 452, eerste lid, Sv volgt dat art. 450 Sv Pro op de indiening van appelschrifturen van overeenkomstige toepassing is. Uit dat artikel volgt dat schrifturen kunnen worden ingediend door een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. De appelschriftuur dient ingevolge art. 410, eerste lid, Sv te worden ingediend ‘op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen’. De schriftuur behoeft evenwel niet in persoon te worden ingediend. [7] Uw Raad heeft in een arrest van 2 maart 2010 aangenomen dat ‘een bij appelschriftuur gedane opgave van te horen getuigen’ per fax kan worden gedaan. [8] Daarbij wees Uw Raad erop dat de opgave in de zin van art. 263, tweede lid, Sv ook per fax kan worden gedaan. Het in art. 416, tweede lid, Sv bedoelde geval dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, doet zich niet voor indien de schriftuur buiten de in art. 410, eerste lid, Sv genoemde termijn maar wel voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep is ingediend. [9] En dat geval doet zich ook niet voor indien een dergelijke schriftuur kennelijk met het oog op de naderende terechtzitting in hoger beroep niet op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen is ingediend, maar op de griffie van het hof waar de zaak in hoger beroep dient. [10]
18. Ter onderbouwing van het standpunt dat een appelschriftuur is ingediend, heeft de steller van het middel bij de cassatieschriftuur de brief van 21 augustus 2020 en de appelmemorie gevoegd. Uit die door de raadsman overgelegde brief dan wel de andere bij de cassatieschriftuur gevoegde stukken blijkt evenwel niet dat en wanneer die daadwerkelijk zouden zijn verstuurd of door het hof zijn ontvangen. Onder de door het hof aan de Hoge Raad toegezonden stukken zijn de brief en de appelmemorie niet te vinden.
19. Bij de cassatieakte is een uitdraai van een e-mailwisseling gevoegd. De raadsman van de verdachte stuurt op 27 oktober 2020 een e-mail aan het hof, inhoudend: ‘Edelgrootachtbare, U stuurt mij een arrest stellende dat er geen grieven zijn ingediend, Evenwel heb ik op 21 augustus mijn appelmemorie gestuurd en verhinder data opgegeven waar naar gevraagd werd. Graag verneem ik van u.’ Deze mail is doorgestuurd naar (onder meer) de voorzitter van de strafkamer die het bestreden arrest gewezen heeft. Deze heeft de betreffende medewerker van de strafgriffie daarop gemaild: ‘(…), wil je de advocaat laten weten dat hij dan beroep in cassatie kan instellen?’ Vervolgens is aldus geschied. De steller van het middel geeft naar aanleiding van deze e-mailwisseling in zijn stelbrief bij de Hoge Raad aan, voor zover van belang: ‘Op 26 oktober 2020 mailt de griffier het arrest, waarin wordt gesteld dat er geen grieven zijn ingediend. Op 27 oktober 2020 wijs ik er op dat er wel grieven zijn ingediend. Per kerende post wordt op 27 oktober geantwoord dat ik dan maar cassatie moet instellen. Er wordt niet geantwoord dat de appel memorie niet zou zijn ontvangen.’
20. Een ongeluk komt nooit alleen, zegt het spreekwoord. Daarin had het hof (extra) aanleiding kunnen vinden om na te gaan of daadwerkelijk een appelschriftuur is verzonden en bij het hof in het ongerede is geraakt. Uit bij de cassatieschriftuur en bij de akte hoger beroep gevoegde stukken kan worden afgeleid dat de raadsman in een eerder stadium van de procedure, op 18 maart 2020, per brief een schriftelijke bijzondere volmacht om hoger beroep in te stellen had verzonden. In een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de griffier van de rechtbank is nadien vastgesteld ‘dat de originele volmacht per post d.d. 18 maart 2020 in ongerede is geraakt. De originele volmacht is gevonden. Hierdoor is de datum van instellen hoger beroep van 01 mei 2020 gewijzigd in 20 maart 2020’. Dat het hof een dergelijk onderzoek heeft ingesteld naar de appelschriftuur blijkt niet.
21. Denkbaar zou in beginsel zijn het hof op de voet van art. 120, tweede lid, RO jo. art. 83 RO Pro om inlichtingen te verzoeken. Ik meen evenwel dat dit niet in de rede ligt. Het ligt op de weg van de raadsman om zich ervan te verzekeren dat een rechtsmiddel tijdig is aangewend en een schriftuur tijdig is binnengekomen. [11] De raadsman kan daarbij van verschillende communicatiemiddelen gebruik maken, zoals e-mail en fax, die de vereiste zekerheid bieden. [12] Dat het bij het aanwenden van hoger beroep al bijna fout was gelopen, had voor de raadsman ook (extra) aanleiding kunnen zijn om bij het verzenden van de schriftuur niet (alleen) voor de klassieke brief te kiezen. Dat niet blijkt van nader onderzoek door het hof is, nu het op de weg van de raadsman ligt zich ervan te verzekeren dat een schriftuur tijdig is binnengekomen, onvoldoende aanleiding om het hof via het vragen van inlichtingen tot – verslaglegging van – een dergelijk onderzoek te brengen. [13]
22. Het middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.De afkorting staat voor Interdepartementale Post- en Koeriersdienst.
2.Zie de Wet van 22 februari 2017,
3.Kooijmans leidde in zijn noot onder het arrest (onder 2) uit de gang van zaken af dat ‘(v)an een betekening in persoon aan de verdachte in de zin van art. 408 lid 1 sub a Sv Pro (…) geen sprake’ was.
4.Zie in gelijke zin G.J.M. Corstens,
5.Vgl. HR 4 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7912,
6.Vgl. HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5251 en HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3574,
7.Zie HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702,
8.HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5516,
9.HR 3 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:585.
10.HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1480. Zie ook HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1415.
11.Vgl. in dit verband ook de regeling van art. 263, tweede lid, Sv, waar Uw Raad – zo bleek – in deze context eerder een verband mee legde. Bij de wijziging van die regeling waardoor het vereiste dat getuigen bij ‘aangetekende’ brief werden opgegeven is vervallen werd opgemerkt: ‘Bij opgave anders dan bij aangetekende brief wordt op de verdachte en diens raadsman echter wel de verplichting gelegd zich ervan te vergewissen dat de opgave daadwerkelijk door de officier ontvangen is. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren door om een ontvangstbevestiging te vragen. Op deze wijze blijft onomstreden dat het, in de gevallen waarin ter terechtzitting de vraag rijst of een verzoek tot het horen van getuigen daadwerkelijk is gedaan, aan de verdachte en diens raadsman is daaromtrent bewijs te verschaffen’ (
12.Ik merk daarbij op dat per 1 februari 2022 het faxen vervalt, zie https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/Veilig-Mailen-vervangt-faxverkeer-in-2022.aspx.
13.Vgl. ook HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2452.