Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Bespreking van het middel
3.Ambtshalve beschouwing ten overvloede
opleggingvan een straf of maatregel moet de strafrechter toepassing geven aan het dan geldende sanctierecht dat voor de
verdachtehet gunstigst uitpakt, ongeacht eventueel andersluidend overgangsrecht.
Hieruit volgt niet dat detenuitvoerleggingvan een reeds onder het oude recht onherroepelijk opgelegde sanctie alsnog onrechtmatig moet worden geoordeeld jegens eenveroordeelde, indien naderhand gunstiger sanctierecht in werking treedt (onderstr. AG TS).
De Hoge Raad zou in dit laatste aspect wellicht aanleiding kunnen vinden om het bestreden arrest te vernietigen, opdat na verwijzing alsnog kan worden onderzocht of de veroordeelde ná 1 januari 2020 onrechtmatig gedetineerd is geweest (in verband met haar beweerde betalingsonmacht) en of, gelet daarop, het door haar gevorderde voorschot op een schadevergoeding toewijsbaar is(onderstr. AG TS). Voor de goede orde: het gaat dan niet meer om anticipatie zoals door het middel bepleit, maar om een onmiddellijke toepassing van het nieuwe recht op een tenuitvoerlegging die op de datum van inwerkingtreding van de Wet USB nog gaande was.
tenuitvoerleggingvan vervangende hechtenis bij betalingsonmacht, ook al gaat het om een onherroepelijke uitspraak die stamt uit het oude recht, na 1 januari 2020, de datum van de inwerkingtreding van de Wet USB, op zijn minst genomen problematisch kan zijn. Reijntjes neemt voetstoots aan dat het OM geacht moet worden eigener beweging in voorkomende gevallen de vervangende hechtenis als gijzeling te executeren en de executie in geval van betalingsonmacht conform art. 6:4:20 Sv Pro zelfs geheel achterwege te laten. Ten Voorde meent dat te billijken is, om bij alle bestaande gevallen ervan uit te gaan dat waar vervangende hechtenis staat, gijzeling wordt bedoeld en dat artikel 6:4:20 Sv Pro daarmee ook op reeds onherroepelijke uitspraken onmiddellijk van toepassing is. En Langemeijer ziet, zij het heel voorzichtig, een mogelijke onrechtmatige detentie, voor zover de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis ná de invoering van het nieuwe recht op 1 januari 2020, is voortgezet. Hoe de Hoge Raad daarover denkt weten we nog niet.
opleggingvan de schadevergoedingsmaatregel (het sanctierecht) en zich niet uitstrekt over de fase van
tenuitvoerlegging, welke fase niet tot het sanctierecht wordt gerekend. In hun visie heeft de Hoge Raad dan ook het overgangsrecht zoals bepaald in art. XLIVA Wet USB ten aanzien van de tenuitvoerlegging niet buiten werking gesteld.