Conclusie
1.Feiten en procesverloop
voor de strafrechterreden zijn om in uitzonderlijke gevallen af te zien van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel, maar dat is in dit geval niet gebeurd (rov. 4.2.4 Rb). De tenuitvoerlegging van de hechtenis is niet in strijd met het EVRM (rov. 4.6 e.v. Rb). Voor anticipatie op toekomstig recht (de hierna in alinea 2.23 e.v. te bespreken Wet USB) is volgens de voorzieningenrechter geen plaats (rov. 4.17 Rb).
Met betrekking tot het gesloten stelsel van rechtsmiddelen: in dit kort geding is (voorshands) beslissend dat de strafrechter een arrest op tegenspraak heeft gewezen, waarbij deze schadevergoedingsmaatregelen en de vervangende hechtenis zijn opgelegd (rov. 4.1). Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat moet worden uitgegaan van de juistheid van dat arrest en van de proportionaliteit van de daarin opgelegde schadevergoedingsmaatregelen (rov. 4.2 - 4.3).
Met betrekking tot de bepleite draagkrachttoets in de fase van de tenuitvoerlegging: het hof verwerpt het standpunt van de veroordeelde dat getoetst moet worden of wegens betalingsonmacht de tenuitvoerlegging achterwege moet blijven (rov. 5.1 e.v.). De wetgever heeft niet voorzien in een dergelijke toets (rov. 5.2). Overigens had de strafrechter niet minder zicht op de betalings(on)macht van de veroordeelde dan de burgerlijke rechter nu (rov. 5.3). Dat de veroordeelde in de strafzaak een processtrategie heeft gekozen die gericht was op een vrijspraak, doet geen afbreuk aan de onherroepelijkheid van het arrest in de strafzaak (rov. 5.4). Bovendien valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat de veroordeelde haar verweer aangaande de schadevergoedingsmaatregel niet kon voeren in de strafzaak (rov. 5.5).
Met betrekking tot de gestelde strijd met het EVRM: de vervangende hechtenis is, overeenkomstig art. 5, lid 1 onder a, EVRM, opgelegd door de bevoegde strafrechter in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM Pro (rov. 7.2). Van strijd met art. 7 EVRM Pro is evenmin sprake: de strafrechter heeft geen zwaardere straf opgelegd dan volgens de wet mogelijk was ten tijde van het begaan van de strafbare feiten (rov. 7.3). De vrijheidsbeperking vindt plaats voor het doel waarvoor zij is gegeven, namelijk de executie van onherroepelijke uitspraken van de strafrechter. De Staat is verplicht tot tenuitvoerlegging van een strafvonnis. Van strijd met art. 18 EVRM Pro is geen sprake (rov. 7.4). Het hof geeft in dit geding een oordeel over de vraag of EVRM-rechten van de veroordeelde zijn geschonden. Daarmee is voldaan aan art. 13 EVRM Pro (rov. 7.5).
Met betrekking tot de bepleite anticipatie op toekomstig recht: het hof ziet onvoldoende grond om te anticiperen op de (ten tijde van ’s hofs arrest nog niet in werking getreden) gijzelingsregeling in de Wet USB (zie daarover: alinea 2.27 hierna). De wetgever en de strafrechter hebben voor ogen gehad dat de opgelegde hechtenis ook in geval van betalingsonmacht zal worden geëxecuteerd. De veroordeelde heeft in dit geding geen uitzonderlijke omstandigheden naar voren gebracht die een afwijking van de plicht tot tenuitvoerlegging rechtvaardigen (rov. 8.2).
2.Inleidende beschouwingen
strafrechtelijkesanctie. Dit blijkt uit het feit dat de schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd los van de beslissing over de eventuele vordering van de benadeelde partij. De maatregel kan óók worden opgelegd indien de benadeelde partij zich niet met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces heeft gevoegd of indien zij niet in die vordering kan worden ontvangen. Hieruit volgt dat de strafrechter niet is gehouden de schadevergoedingsmaatregel op hetzelfde bedrag te stellen als waarvoor hij de daarmee verband houdende vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen. [9]
(reparatoir)is, dan wel een bestraffend
(punitief)karakter heeft. De schadevergoedingsmaatregel is ingevoerd bij wet van 23 december 1992 (Stb. 1993, 29), in de wandeling de ‘Wet Terwee’ genoemd, naar de voorzitter van de voorbereidingscommissie. Met de Wet Terwee werd beoogd de positie van het slachtoffer in het strafproces te versterken. [10] De commissie Terwee had een ‘schadevergoedingsstraf’ voorgesteld, waarvan de hoogte gerelateerd zou zijn aan de ernst van het feit, de verwijtbaarheid van het gedrag en de draagkracht van de verdachte.
draagkrachtvan de verdachte: een gezichtspunt dat in het civiele aansprakelijkheidsrecht hoogstens een marginale rol vervult. [11] De regering heeft deze kritiek ter harte genomen, door de schadevergoedingsverplichting niet als ‘straf’ in de zin van art. 9 Sr Pro, maar als ‘maatregel’ in de zin van titel II.A van boek 1 Sr aan te merken. Daarbij heeft zij benadrukt dat de schadevergoedingsmaatregel primair gericht is op ‘herstel van de rechtmatige toestand’ en ‘geen extra leed aan de dader toe[voegt]’. Dit laat volgens de regering onverlet dat de schadevergoedingsmaatregel ‘een strafrechtelijke sanctie is die (…) voldoet aan de doeleinden van het strafrecht’ [12] en de gebruikelijke strafdoeleinden kan dienen. [13] Desgevraagd heeft de regering erkend ‘dat de veroordeelde de schadevergoedingsplicht als een straf zal ervaren’. Daarbij hield de regering wel vol dat leedtoevoeging ‘niet voorop’ staat, maar het ‘herstel van de rechtmatige toestand’. [14]
matigingvan een schadevergoedingsmaatregel op grond van ontbrekende draagkracht bij de dader. [15] In navolging van deze wetsgeschiedenis heeft de Hoge Raad in vaste rechtspraak geoordeeld dat de draagkracht van de verdachte geen rol behoort te spelen bij de bepaling van de hoogte van het bedrag. In dit opzicht verschilt een schadevergoedingsmaatregel van de geldboete, waarvan de hoogte juist wel moet worden afgestemd op de draagkracht van de verdachte (art. 24 Sr Pro). [16] Niettemin kan het ontbreken van draagkracht onder omstandigheden voor de rechter reden zijn om van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel af te zien. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan daarvan sprake zijn. Het probleem zit niet in de toewijzing van het bedrag in geld, maar in de sanctie van hechtenis bij niet-betaling.
verplichtwas om bij het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis te bevelen voor het geval dat geen volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt (art. 24c lid 1). [19] De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste één jaar. Voor elke € 25 schuld kon maximaal één dag hechtenis worden opgelegd (art. 24c lid 3). Gedeeltelijke voldoening van de schuld leidde tot een evenredige vermindering van de duur van de vervangende hechtenis (art. 24c lid 4).
penalty) in de zin van art. 7 lid 1 EVRM Pro komt hierna aan de orde in alinea 2.38).
gratieter zake van schadevergoedingsmaatregelen. [32] Die mogelijkheid werd – en wordt (vgl. thans art. 6:7:1 Sv Pro) – niet in overeenstemming geacht met het herstelgerichte karakter van de sanctie. In art. 560a (oud) Sv was geen autoriteit aangewezen die de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel kon beëindigen of de schadevergoedingsverplichting kon wijzigen of tenietdoen. [33]
verplichtis onherroepelijke uitspraken van de strafrechter te executeren. [34] Bij het bepalen van de wijze waarop aan deze executieplicht invulling wordt gegeven, heeft het openbaar ministerie (en in diens opdracht het CJIB) weliswaar enige beleidsvrijheid, bijvoorbeeld bij het al dan niet treffen van een betalingsregeling met de veroordeelde (vgl. art. 561 lid Pro 3 (oud) Sv). [35] Het geheel of gedeeltelijk
afzienvan tenuitvoerlegging behoort volgens vaste rechtspraak echter niet tot de mogelijkheden. [36] Toegespitst op de vervangende hechtenis volgde dit uit art. 573 lid Pro 3 (oud) Sr, dat bepaalde dat bij gebreke van betaling en verhaal, na voorafgaande schriftelijke waarschuwing ‘de vervangende vrijheidsstraf ten uitvoer [wordt] gelegd’. Aangenomen werd dat die bepaling geen ruimte bood voor het achterwege laten van de tenuitvoerlegging. [37]
gesloten stelsel van rechtsmiddelen, dat inhoudt dat een rechterlijke uitspraak in beginsel slechts kan worden aangetast door het aanwenden van een door de wet daartegen opengesteld rechtsmiddel en dat die uitspraak bij gebreke van een zodanig rechtsmiddel onaantastbaar is. Op dit uitgangspunt heeft de Hoge Raad één belangrijke uitzondering aanvaard. Indien een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waarmee de strafrechter bij zijn beslissing geen rekening heeft kunnen houden, noopt tot de slotsom dat de beslissing tot stand is gekomen op zodanige wijze dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak in de zin van art. 6 lid 1 EVRM Pro, kan de veroordeelde zich wenden tot de voorzieningenrechter in kort geding met een vordering tot het verbieden, onderbreken of beperken van de executie. Hiervoor is echter slechts plaats indien het ‘niet voor redelijke twijfel vatbaar’ is dat de uitspraak van het EHRM tot die slotsom dwingt. [38] Aangenomen moet worden dat ook andere (ernstige en evidente) schendingen van het EVRM in de executiefase een uitzondering op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen kunnen rechtvaardigen. [39] Buiten die zeldzame gevallen moet de opgelegde straf of maatregel onverkort ten uitvoer worden gelegd, omdat in een rechtsstaat niet kan worden aanvaard dat de overheid naar eigen goeddunken al dan niet uitvoering geeft aan onherroepelijke rechterlijke uitspraken. [40]
mag, maar ook
moetworden ten uitvoer gelegd. Voor de opvatting dat de vervangende hechtenis niet wordt geëxecuteerd wanneer een verdachte ‘onmachtig is te betalen’, bestaat volgens de Hoge Raad (uitgaande van het tot 1 januari 2020 geldende recht) geen grond. [41]
opleggenvan de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij kan volgens de Hoge Raad met name worden gedacht aan gevallen waarin ‘op voorhand vaststaat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis’. Voor het maken van een dergelijke uitzondering is vereist dat de verdachte in de strafzaak ‘voldoende onderbouwd dat uitzonderlijk karakter van het geval duidelijk maakt’. Op zulk een standpunt dient de strafrechter gemotiveerd te responderen. Voor het overige is het oordeel over de vraag of bij gebreke van draagkracht moet worden afgezien van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel, overgelaten aan de (straf)rechter die over de feiten oordeelt. In de door de Hoge Raad berechte zaken werd telkens géén uitzondering gemaakt. [43]
wil, maar niet
kanbetalen, fungeert de vervangende hechtenis alleen maar als ‘extra straf’, zonder dat de benadeelde daarbij gebaat is. Mogelijk worden diens verhaalsmogelijkheden zelfs beperkt door de detentie. [44] Met deze argumentatie hebben vele veroordeelden in kort geding een verbod van (verdere) tenuitvoerlegging van hun vervangende hechtenis gevorderd, meestal zonder succes. [45] In de vakliteratuur is gepleit voor een wetswijziging die voorziet in een draagkrachttoets in de tenuitvoerleggingsfase. [46] Uiteindelijk is die wetswijziging er gekomen, als onderdeel van een bredere herbezinning op het stelsel van de vrijheidsbeneming bij de inning van vermogenssancties. Alvorens het nieuwe recht te bespreken, merk ik over dat oude stelsel nog het volgende op.
geldboetesis hiervoor al aan de orde gekomen, bij de bespreking van de overeenkomstige regeling voor schadevergoedingsmaatregelen (alinea 2.6 e.v.). Ook onder het nieuwe recht geldt dat geldboetes kunnen worden omgezet in vervangende hechtenis (art. 6:47 Sv Pro), terwijl ook niet-vervangende gijzeling kan worden toegepast (art. 6:4:20 Sv Pro).
ontnemingsmaatregel(art. 36e Sr) gold aanvankelijk eveneens dat bij de oplegging daarvan vervangende hechtenis moest worden bevolen, tot een maximum van zes jaren (art. 24d lid 1 (oud) Sr). Met ingang van 1 september 2003 is die regeling gewijzigd. [47] In art. 36e lid 8 (oud) Sr [48] is toen bepaald dat met toepassing van art. 577c (oud) Sv
lijfsdwangkon worden bevolen, tot een maximum van drie jaren. Art. 577c lid 4 (oud) Sv bepaalde dat verlof voor de tenuitvoerlegging van lijfsdwang níet werd verleend indien de veroordeelde ‘buiten staat’ was aan de betalingsverplichting te voldoen. Op dit punt week de regeling dus af van de vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregelen. [49] De memorie van toelichting vermeldt:
matigingsbevoegdheidvan art. 36e lid 4 (oud) Sr (thans lid 5). [51] In de praktijk bleken strafrechters geneigd om ontnemingsmaatregelen te matigen ter voorkoming van een onwenselijk geachte hechtenis in de executiefase. De wetgever heeft dit willen ondervangen door de flexibeler regeling van de lijfsdwang van toepassing te verklaren.
gijzelingworden toegepast. Evenals vervangende hechtenis hief gijzeling de betalingsverplichting niet op (art. 578b lid 5 (oud) Sv en art. 28 lid 4 Wahv Pro). [54] Het CJIB, dat met de tenuitvoerlegging was belast, hanteerde aanvankelijk een strikt incassobeleid, waarbij gijzeling voor niet-betaalde geldboetes min of meer een automatisme was. Dat heeft in 2015 geleid tot een kritisch rapport van de Nationale ombudsman. Daarin is bepleit om géén gijzeling toe te passen in geval van betalingsonmacht. [55] Datzelfde uitgangspunt was (en is) vastgelegd in beleidsregels van het openbaar ministerie. [56] In de memorie van toelichting bij de Wet OM-afdoening is dit uitgangspunt eveneens als ‘vanzelfsprekend’ aangemerkt. [57] Sinds 2015 voert het CJIB een meer persoonsgericht incassobeleid. [58]
lijfsdwangin het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Lijfsdwang, ook wel gijzeling genoemd, fungeert in het civiele recht als indirect executiemiddel dat kan worden ingezet tegen weigerachtige schuldenaren (art. 585 e.v. Rv). Lijfsdwang is niet mogelijk ter zake van veroordelingen tot betaling van een geldsom, anders dan uitkeringen tot levensonderhoud (art. 585 Rv Pro). Lijfsdwang fungeert als ‘
ultimum remedium’ (art. 587 Rv Pro) en wordt niet uitgesproken indien de schuldenaar buiten staat is aan de hoofdverplichting te voldoen (art. 588 Rv Pro). In de praktijk wordt lijfsdwang weinig toegepast. [59] Bij de totstandkoming van de Wet Terwee heeft de wetgever bewust geen aansluiting gezocht bij dit civielrechtelijke executiemiddel. De regering achtte dit ‘niet goed verenigbaar met de gedachte die aan de schadevergoedingsmaatregel ten grondslag ligt, het slachtoffer de executie uit handen te nemen’. [60]
gijzeling. Hierbij geldt telkens dat voor elke € 25 schuld maximaal één dag gijzeling kan worden opgelegd. [64]
opleggingvan een straf of maatregel [79] moet de strafrechter toepassing geven aan het dan geldende sanctierecht dat voor de
verdachtehet gunstigst uitpakt, ongeacht eventueel andersluidend overgangsrecht. Hieruit volgt niet dat de
tenuitvoerleggingvan een reeds onder het oude recht onherroepelijk opgelegde sanctie alsnog onrechtmatig moet worden geoordeeld jegens een
veroordeelde, indien naderhand gunstiger sanctierecht in werking treedt. [80]
the lawful detention of a person after conviction by a competent court’) en (b) detentie wegens niet-naleving van een rechterlijk bevel of wettelijke verplichting (‘
the lawful arrest or detention of a person for non-compliance with the lawful order of a court or in order to secure the fulfilment of any obligation presribed by law’).
lawfulness’) als ondergrens. Dit vereiste behelst niet alleen dat de detentie op een wettelijk voorgeschreven procedure berust (‘
legal certainty’), maar ook dat die procedure de gedetineerde beschermt tegen willekeur (‘
arbitrariness’). [81] De invulling van dit willekeurverbod verschilt per detentiegrond en is in hoge mate casuïstisch van aard. In algemene zin geldt dat een detentie niet op kwade trouw van de betrokken autoriteiten mag berusten en dat er een zekere relatie moet bestaan tussen de ingeroepen detentiegrond en de feitelijke detentieomstandigheden. Het willekeurverbod eist verder dat zowel de oplegging als de tenuitvoerlegging van de detentie in overeenstemming zijn met het doel van de in art. 5 EVRM Pro omschreven beperkingen. [82] Tegen deze achtergrond is bijvoorbeeld een schending van art. 5 EVRM Pro aangenomen ten opzichte van een weigerachtige getuige die op oneigenlijke gronden werd gegijzeld, namelijk niet om hem te doen horen, maar om hem te vervolgen in een politiek getint proces. [83]
art. 5 lid 1 onder Pro a EVRMziet zoals gezegd op gevallen van detentie na een rechterlijke veroordeling. Het begrip veroordeling (‘
conviction’) wordt door het EHRM autonoom uitgelegd. Het EHRM onderzoekt of sprake is van ‘
a finding of guilt’ enerzijds en ‘
the imposition of a penalty or other measure involving the deprivation of liberty’ anderzijds. Zo ja, dan is de a-grond van toepassing. [84] Dit sluit toepasselijkheid van één of meer andere detentiegronden niet uit: een detentie kan gerechtvaardigd zijn op meer dan één grond (als vermeld onder a tot en met f). [85] Bij de toepassing van de a-grond stelt het EHRM zich terughoudend op. Zolang geen sprake is van willekeur in de zo-even bedoelde zin (kwade trouw of het ontbreken van enige relatie tussen de detentiegrond en de detentieomstandigheden), oordeelt het EHRM dat de oplegging van een vrijheidssanctie en de lengte van die sanctie behoren tot het domein van de nationale rechter. [86] Kwesties van adequate sanctietoemeting (‘
matters of appropriate sentencing’) vallen in beginsel buiten het bereik van het verdrag. [87] Alleen indien door de sanctietoemeting ándere verdragsrechten worden geschonden, grijpt het EHRM in. Zo heeft het EHRM een schending van art. 5 in Pro verbinding met art. 14 EVRM Pro aangenomen wegens discriminatie bij de strafoplegging. [88] Ook heeft het EHRM een schending van het procedurele aspect van art. 2 EVRM Pro aangenomen wegens een te lichte bestraffing van politieagenten die waren betrokken bij mishandeling: hier was sprake van een ‘
manifestly disproportionate punishment’, oftewel positieve discriminatie bij de strafoplegging. [89]
limbs’) uiteen. Het
eerste onderdeelbetreft gevallen van detentie wegens niet-naleving van een rechterlijk bevel (‘
court order’). Deze grond ligt in het verlengde van de a-grond. Bij de toepassing ervan stelt het EHRM zich navenant terughoudend op. Volgens vaste rechtspraak is een detentie die voortvloeit uit een rechterlijk bevel in beginsel rechtmatig, ook als dat bevel mocht berusten op ‘
errors of fact or law’. [90] Het EHRM fungeert in dit verband dus nadrukkelijk niet als verkapte appelinstantie. Wél onderzoekt het EHRM of de gedetineerde in de gelegenheid is gesteld om aan het rechterlijke bevel te voldoen, alvorens te zijn gedetineerd (‘
opportunity to comply’). [91] Tegen deze achtergrond is bijvoorbeeld een schending van art. 5 EVRM Pro aangenomen in verband met een detentie wegens niet-naleving van een rechterlijk bevel waarover de betrokkene niet vooraf was geïnformeerd. [92]
fair balance’ hebben getroffen tussen enerzijds het belang dat met de naleving van het rechterlijk bevel was gemoeid en anderzijds het belang van het recht op vrijheid van de betrokkene. [93] Tegen deze achtergrond is bijvoorbeeld een schending van art. 5 EVRM Pro aangenomen ten opzichte van een op borgtocht vrijgelaten verdachte die vijfeneenhalf jaar werd gedetineerd wegens de niet-naleving van een rechterlijk bevel om € 23.300,- te betalen. Dit bevel vloeide voort uit een eenmalige schending van de aan zijn vrijlating gestelde borgtochtvoorwaarden (‘
bail conditions’), namelijk een schending van de avondklok (‘
curfew’). Het EHRM achtte deze ‘
imprisonment in default of payment’ niet proportioneel, mede nu de nationale wetgeving niet voorzag in een maximumduur. [94] Ook een detentie ter zake van een niet-betaalde verkeersboete die daags na de afgifte van het detentiebevel alsnog was voldaan, werd strijdig met art. 5 EVRM Pro geoordeeld. [95]
tweede onderdeelvan art. 5 lid 1 onder Pro b EVRM betreft gevallen van detentie wegens niet-naleving van een wettelijke verplichting (‘
obligation prescribed by law’). Het gaat hier meestal om detentie zonder rechterlijke tussenkomst, bijvoorbeeld wegens de weigering om een wettelijk voorgeschreven veiligheidscontrole of een medisch onderzoek te ondergaan. [96] In deze context stelt het EHRM zich strenger op. De geschonden verplichting moet voldoende specifiek zijn omschreven en de detentie moet enkel dienen ‘
for the purpose of securing its fulfilment’. De detentie mag niet ‘
punitive in character’ zijn. [97] Op dit punt verschilt het tweede onderdeel van het eerste: een detentie krachtens een ‘
court order’ mag wél bestraffend van aard zijn, [98] evenals (uiteraard) een detentie krachtens een ‘
conviction’.
imprisonment in default of payment’. Een dergelijke vorm van vrijheidsbeneming kan ertoe leiden dat de betrokkene langer gedetineerd is dan hij zou zijn wegens een enkele strafrechtelijke veroordeling. Tegen deze achtergrond had het EHRM ‘
difficulty in accepting that the detention of the applicant could secure the fulfilment of the obligation as his indigent state (…) will undoubtedly persist and quite plausibly increase while he remains in jail’. [101] Men herkent hierin de in alinea 2.17 besproken doelmatigheidsargumenten die zijn aangevoerd tegen de vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregelen. Men bedenke hierbij wel dat deze zaak geen strafrechtelijke veroordeling betrof. De klager was enkel in hechtenis genomen omdat hij zich niet aan de borgtochtvoorwaarden had gehouden én geweigerd had de desbetreffende boete te betalen.
No punishment without law’). De tweede volzin bepaalt dat geen zwaardere straf (‘
penalty’) mag worden opgelegd dan toepasselijk ten tijde van het begaan van het strafbare feit. In het verlengde heeft het EHRM het ‘
principle of retroactivity of the lighter penalty’ aanvaard: gunstiger sanctierecht moet met onmiddellijke ingang worden toegepast. [102] Het begrip ‘
penalty’ wordt door het EHRM autonoom uitgelegd. [103] Ook de eerder genoemde ‘
imprisonment in default of payment’ valt hieronder. Tegen deze achtergrond heeft het EHRM de Franse lijfsdwang (‘
constrainte par corps’) aangemerkt als straf in de zin van art. 7 EVRM Pro. [104] De Hoge Raad heeft hierop voortbouwend ook de in art. 577c (oud) Sv geregelde lijfsdwang bij ontnemingsmaatregelen (zie alinea 2.19 hiervoor) aangemerkt als ‘
penalty’, ook al betrof het hier naar Nederlands recht geen straf, maar een herstelgerichte maatregel. [105] Aangenomen moet worden dat ook de vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregelen onder het bereik van art. 7 EVRM Pro valt. Dit verklaart waarom de Hoge Raad, met verwijzing naar art. 7 EVRM Pro en de desbetreffende rechtspraak van het EHRM, heeft geoordeeld dat de nieuwe gijzelingsregeling in lopende strafzaken met onmiddellijke ingang moet worden toegepast (zie alinea 2.31 hiervoor).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onder bEVRM, met name in het kader van het tweede deel van die bepaling. In dit geval gaat het echter om een detentie als bedoeld in art. 5 lid Pro 1
onder aEVRM, d.w.z. een detentie op grond van een veroordeling door een rechter. [115] In die context stelt het EHRM zich terughoudend op. Het EHRM toetst of de detentie niet in strijd is met het willekeurverbod. Dat moet van geval tot geval worden beoordeeld (zie alinea 2.34 e.v. hiervoor).
advisory opinion’ hierover aan het EHRM te vragen.
tenuitvoerleggingvan de maatregel in geschil is.
tenuitvoerleggingvan de maatregel in geschil is. In verband hiermee zou het hof tevens hebben miskend dat ‘pas ten tijde van de tenuitvoerlegging (executie) kan worden beoordeeld of sprake is van betalingsonmacht’.
nadatinning van het schadevergoedingsbedrag, al dan niet door het treffen van een betalingsregeling, onmogelijk is gebleken. [119] Dat is ook in dit geval de gehanteerde volgorde geweest. [120] Ook daarom valt niet in te zien waarom de Staat (alsnog) gehouden zou zijn tot het treffen van een betalingsregeling.
Osypenko/Oekraïne, waarnaar de veroordeelde in dit verband verwijst, [122] kan haar niet baten. De klager in die zaak was gedetineerd wegens betrokkenheid bij een vechtpartij, zonder dat daarvoor een wettelijke basis bestond (het strafrechtelijk onderzoek was nog niet aangevangen). Bij gebreke van een aan de detentie ten grondslag liggende ‘
conviction’ of ‘
court order’ viel het EHRM hier terug op het tweede onderdeel van art. 5 lid 1 onder Pro b EVRM. Op die grond werd een schending van art. 5 EVRM Pro aangenomen, omdat niet was gebleken dat de detentie diende om de naleving van een wettelijke verplichting af te dwingen. [123]
opportunity to comply’ die het EHRM eist in de context van een detentie als bedoeld in art. 5 lid 1 onder Pro b (eerste onderdeel) EVRM (detentie wegens niet-naleving van een rechterlijk bevel). [124] Deze eis is hier niet van toepassing, omdat de detentie zoals gezegd berust op de a-grond. Overigens houdt die eis in dat de betrokkene door de autoriteiten
in de gelegenheidmoet zijn gesteld om aan het bevel te voldoen, alvorens te zijn gedetineerd (zie alinea 2.36). Daaruit volgt niet dat in geval van betalingsonmacht (na voorafgaande aanmaning) geen detentie mag worden toegepast. [125] In dit geval staat vast dat de veroordeelde een kans heeft gehad om de schadevergoedingsplicht te voldoen, alvorens te zijn gedetineerd. [126]
onderdeel 2.1). Het hof zou hebben miskend dat art. 6 EVRM Pro in dit geval, uitgaande van de betalingsonmacht van de veroordeelde, ‘dwingt tot een gerechtelijke procedure in de tenuitvoerleggingsfase’ (
onderdeel 2.2).
opleggingvan de maatregel, tenzij sprake zou zijn van een ernstige en evidente schending van art. 6 EVRM Pro in de strafprocedure (zie alinea 2.14hiervoor). Tegen die achtergrond heeft het hof in rov. 7.2 gememoreerd dat de strafprocedure aan de eisen van art. 6 EVRM Pro voldoet. Verder heeft het hof (in rov. 5.1 e.v.) de stellingen van de veroordeelde over de beweerde onrechtmatigheid in de tenuitvoerleggingsfase op hun merites beoordeeld. Aldus heeft het hof de door de veroordeelde gewenste rechtsbescherming geboden, in een procedure die aan de eisen van art. 6 EVRM Pro voldoet.
moestworden bevolen bij oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, is weliswaar gericht op herstel doordat de veroordeelde de schade vergoedt, maar heeft daarnaast ook een punitief karakter (zie alinea 2.9). Het wettelijke stelsel zoals dat tot 1 januari 2020 gold, voorzag dus in een wettelijke grondslag voor de vrijheidsbeneming van de veroordeelde, zoals vereist door art. 7 EVRM Pro.
onderdeel 4.1). Althans zou het hof miskennen wat in de voorgaande onderdelen al is aangevoerd (
onderdeel 4.2).
détournement de pouvoir-beginsel: de in het verdrag toegestane beperkingen van de verdragsrechten mogen niet worden toegepast voor een ander doel dan waarvoor zij zijn gegeven. Het hof heeft dit niet miskend. Het hof heeft met juistheid overwogen dat de vervangende hechtenis fungeert als dwangmiddel bij de tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken, meer in het bijzonder bij de inning van vermogenssancties die door de strafrechter zijn opgelegd (in dit geval een schadevergoedingsmaatregel). Ook in geval van betalingsonmacht vervult de vervangende hechtenis de door de wetgever beoogde pressie- en preventiefunctie (zie alinea 2.9 e.v. hiervoor). De aan de klacht ten grondslag liggende veronderstelling dat hechtenis in geval van betalingsonmacht niet (langer) het daarmee beoogde doel dient, is onjuist omdat bij het mislukken van de functie ‘afdwingen van betaling’ de andere functies nog resteren.
onderdeel 5.1). Deze voortbouwende klacht faalt in het voetspoor van de voorgaande klachten.
onderdeel 5.2).
allestrengere sancties uit het verleden onrechtmatig doet zijn. Een zo categorale benadering verdraagt zich niet met het recent tot stand gebrachte overgangsrecht (art. XLIVA Wet USB). In deze zaak heeft de veroordeelde geen beroep gedaan op bijzondere omstandigheden die een afwijking van die overgangsbepaling rechtvaardigen. [129]