4.2. Het door het Hof in zoverre bevestigde vonnis van de Rechtbank houdt ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, voorzover hier van belang, in:
- als overwegingen van de Rechtbank:
"[Slachtoffer 1] (...) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces ter vergoeding van de schade die hij door toedoen van de verdachte heeft geleden met betrekking tot het in de dagvaarding onder 1. ten laste gelegde feit. Hij heeft gevorderd een bedrag van f 7.500,-- als voorschot op een immateriële schadevergoeding toe te wijzen. Voorts heeft hij gesteld een materiële schade van in ieder geval f 500,-- (kosten kleding) te hebben geleden, alsmede een nader door de rechtbank te bepalen bedrag ten aanzien van de bedrijfsschade van de supermarkt van de benadeelde partij.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van f 7.500,-- als voorschot op een immateriële schadevergoeding en een bedrag van f 10.500,-- als schadevergoeding van de materiële kosten. Voorts heeft hij gevorderd aan de verdachte de maatregel van schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van f 18.000,--.
De raadsman heeft de vordering betwist ten aanzien van de geleden bedrijfsschade en hij heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de immateriële schadevergoeding. De raadsman heeft de vordering voor een gedeelte van f 500,-- aan materiële kosten niet betwist.
De benadeelde partij is - in beginsel - ontvankelijk in zijn vordering, nu de verdachte een straf wordt opgelegd en aan hem rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit.
Nu verdachte de omvang van het gevorderde voorschot op een immateriële schadevergoeding niet heeft betwist en dit niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal het gevorderde bedrag als voorschot worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de kledingkosten, te weten een bedrag van f 500,--.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de bedrijfsschade is niet van zo eenvoudige aard, dat dit onderdeel van de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal worden bepaald dat de benadeelde partij daarin niet ontvankelijk is. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
In totaal zal dus een bedrag van f 8.000,-- worden toegewezen.
Naast toewijzing van de civiele vordering zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Een en ander met dien verstande dat volledige voldoening aan de maatregel de toegewezen civiele vordering voor dat gedeelte doet vervallen en (omgekeerd) de vergoeding van de gehele schade tot het toegewezen bedrag door verdachte en/of derden de opgelegde maatregel doet vervallen.
De vordering van de benadeelde partij omvat tevens een bedrag van f 500,-- ter zake van kosten rechtsbijstand. De kosten voor rechtsbijstand komen slechts voor vergoeding in aanmerking binnen het kader van de proceskostenveroordeling. De rechtbank zal het bedrag toewijzen.