Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat de aanvulling op het verkorte arrest houdende de bewijsmiddelen, alsmede het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 16 oktober 2017, zich niet bevinden in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier.
Gelet op de bijlagen heb ik de aanvulling die in eerste instantie op 28 februari 2020 door mij is ondertekend en die kennelijk in het ongerede is geraakt, nogmaals ondertekend en wel op 5 oktober 2020.” De verklaring is voorzien van een handtekening die overeenkomt met de daarboven geplaatste handtekening van mr. E.M.J. Brink, zijnde de voorzitter van de zittingscombinatie. Deze verklaring beoogt kennelijk te verduidelijken dat het betreffende stuk niet moet worden beschouwd als een nieuw opgemaakt stuk, maar als een afschrift conform het origineel van 28 februari 2020, hoewel het in dat geval ten onrechte opnieuw is ondertekend.
tweede middelricht zich tegen de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.
ik begrijp: 1987, DP] te [geboorteplaats] , als bestuurder van een motorrijtuig, reed op de [b-straat] te Almere.
i.)dat het hof het verweer, inhoudende dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken omdat hij niet
wist of redelijkerwijs moest wetendat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, ten onrechte en op ontoereikende gronden heeft verworpen en dat
ii.)de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde door het hof niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, in het bijzonder voor zover deze bewezenverklaring inhoudt dat (a.) het rijbewijs van de verdachte op 6 juli 2017
ongeldig was verklaard,(b.) de verdachte zulks
wist,en (c.) aan de verdachte nadien geen
ander rijbewijswas afgegeven.
bekendgemaakt”, terwijl de bewijsmiddelen geen blijk geven van enige vorm van bekendmaking van het besluit aan verzoeker.