Conclusie
1.Overzicht
3.Het procesverloop
4.Overzicht van de cassatiemiddelen
6.Het bestreden arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden
ex aequo et bono- bepaald op minimaal € 2.500 per bewoner. Voor deze 65 eigenaren en huurders heeft het Hof de aansprakelijkheidsprocedure beëindigd en de partijen verwezen naar een schadestaatprocedure om de hoogte van de schadevergoedingen vast te stellen. Het Hof heeft de 49 eisers bij wie geen fysieke schade aan hun woning is vastgesteld door NAM, in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat zij desondanks recht hebben op vergoeding van woongenotschade, en de eisers bij wie slechts eenmaal fysieke schade is vastgesteld, in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat zij desondanks recht hebben op smartengeld. Het hof heeft die procedures (wel) geïndividualiseerd omdat bij hen geen relevante en objectieve gemeenschappelijke kenmerken voorhanden zijn zoals bij de 65 eerdergenoemden en omdat de situaties van al deze eisers verschillen. Van 13 eisers heeft het Hof de vorderingen afgewezen (rov. 4.1-4.3).
stressklachten en dat de waarde van woningen in het gebied is afgenomen ten opzichte van woningen buiten het gebied.
stress-gerelateerde klachten. Het eindrapport rapporteert dat bij meervoudige (herhaalde) fysieke schade aan de eigen woning het normale leven van de bewoners veelal ernstig is ontwricht.
7.Het principale cassatieberoep; algemene opmerkingen en overallbeoordeling
i.e.op basis van objectieve, mits aansprakelijkheidvestigingsrelevante resp. schadeomvangrelevante, criteria.
schade door kosten voor illusoir woongenotheeft het Hof als objectief criterium voor
aansprakelijkheidsvestiginggekozen de vraag of NAM minstens éénmaal fysieke aardbevingsschade aan de woning van de eiser heeft vastgesteld en vergoed en als
schadebegrotingsmaatstafhet verschil in huurwaarde tussen de werkelijke situatie en de situatie waarin zich geen aardbevingen zouden hebben voorgedaan.
smartengeldheeft het Hof als objectief criterium voor
aansprakelijkheidsvestiginggekozen de vraag of NAM minstens tweemaal fysieke aardbevingsschade aan de woning van de eiser heeft vastgesteld en vergoed en als
schadeomvangsbepalingsmaatstafde natte vinger (een bodemforfait) gecombineerd met individuele bewijslevering voor bovenforfaitaire schade.
overinclusion) en vervangen moet worden door een aansprakelijkheids- en schadeomvangsbeoordeling per individuele eiser, subsidiair dat de gekozen objectieve criteria onvoldoende relevant zijn voor aansprakelijkheidsvestiging resp. schadeomvangsbepaling, meer subsidiair dat ze verkeerd of onbegrijpelijk zijn toegepast.
alsNAM aansprakelijk is voor woongenotschade, ‘s Hofs huurwaardemethode voor de schadebepaling akkoord is, want die methode heeft u met zoveel woorden als richtlijn gegeven. Woongenotderving kan immers niet nauwkeurig bepaald worden en moet dus geschat worden. Daarvoor heeft u de huurwaardemethode aangewezen (maar niet uitgesloten dat de feitenrechter een betere methode bedenkt), die tot schadebegroting per individueel geval leidt en dus voldoet aan de eisen van concrete schadebegroting. Evenzo kan geconstateerd worden dat
alsNAM aansprakelijk is voor smart, de individuele schadebepaling boven het bodemforfait ad € 2.500 akkoord is, want individuele benadering van bovenforfaitaire schade voldoet aan de eisen van concrete schadebegroting. Ik meen bovendien dat ook vraag (v) bevestigend beantwoord moet worden:
als’s Hofs maatstaven akkoord zijn, heeft hij hun toepassing mijns inziens goed gemotiveerd en is die toepassing dus verre van onbegrijpelijk. Ook meen ik dat ’s Hofs oordelen over de betekenis van de finale kwijtingen die tien van de eisers met NAM overeengekomen zijn, niet getuigen van onjuist rechtskundig inzicht en voldoende zijn gemotiveerd.
8.Principaal middelonderdeel 1
stressbij de bewoners (rov. 7.17-7.20) en over de waardevermindering van woningen en de ernst en duur van de overlast door aardbevingen (rov. 7.28 en 7.29) slechts zien op de algemene situatie in het Groningenveld en niet, althans te beperkt, op de overlast of hinder die een individuele eiser in zijn concrete geval door de fysieke schade aan zijn woning heeft ervaren.
subonderdelen 1f en 1gwillen weer naar strikt individuele beoordeling van de aansprakelijkheid voor woongenotschade en dus van de individuele duldgrens. Zij moeten het lot van de subonderdelen delen die vanuit andere invalshoeken hetzelfde vergeefs betogen.
9.Principaal middelonderdeel 2
Subonderdeel 2abetoogt dat dat in dit geval echter niet klopt omdat het Hof een eigen aansprakelijkheidsvestigingscriterium heeft gekozen, nl. het vaststaan en vergoed zijn van minstens eenmaal A- of B-schade aan de woning. Dan moet ook de schadeberekeningsmethode op die fysieke schadevergoeding gebaseerd worden, aldus dit subonderdeel, dus de juiste methode is dan: bepaling van het verschil tussen de huurwaarden van de woning zonder fysieke schade(s) en met fysieke schade(s).
aardbevingen(dus niet slechts: met – veelal reeds herstelde -
schade) vergeleken wordt met de situatie zonder aardbevingen. Dat ‘minstens éénmaal A- of B-schade’ gebruikt wordt als aansprakelijkheidsvestigingscriterium, impliceert geenszins dat dan maar één methode van woongenotschadebepaling mogelijk of aangewezen zou zijn en al helemaal niet dat die methode zou moeten afwijken van uw richtlijn voor de bepaling van woongenotschade. Ik zie geen reden om van die richtlijn af te wijken, die gebaseerd is op objectieve, woongenotrelevante gegevens, en die bovendien concreter en individueler is dan de door NAM voorgestelde methode, die immers (verder) abstraheert van de werkelijkheid, wat NAM overigens afkeurt.
subonderdeel 2bkiest het hof ten onrechte als eindpunt van de woongenotschadeperiode de laatste dag van de maand waarin de schade is hersteld
engeheel financieel is afgewikkeld. Als de schade geheel financieel is afgewikkeld, maar de eiser de schade niet heeft laten herstellen, acht NAM zich niet meer aansprakelijk voor vermogensschade door gemist woongenot na het moment waarop NAM de herstelkosten heeft vergoed. Dat ben ik met NAM eens, maar het lijkt mij vanzelf te spreken dat in dat geval de eiser geen verdere aanspraak kan maken op vergoeding van gederfd woongenot. Voor zoveel u ’s Hofs op dit punt niet heel scherpe formulering daartoe aanleiding vindt geven, zou u dat kunnen expliciteren, maar men kan ook met [verweerders] menen (schriftelijke toelichting, punt 53) dat dit vanzelf goed komt in de schadestaatprocedure.
10.Principaal middelonderdeel 3
subonderdeel 3bstrookt ’s Hofs criterium voor het groepsgewijs aannemen van NAM’s aansprakelijkheid voor immateriële schade (minstens twee NAM-vastgestelde A- of B-schades aan de eigen woning) niet met de door u in rov. 2.13.6 van HR NJ 2020/391 (zie 5 hierboven) limitatief geformuleerde uitzondering op het verbod om immateriële schade ‘min of meer forfaitair’ aan te nemen. ’s Hofs aanpak (aanknopen bij herhaalde fysieke schade) in rov. 7.35 valt buiten de door u geboden ruimte voor uitzonderingen op de regel dat de omvang van en de verplichting tot vergoeding van persoonaantastingschade zich niet min of meer forfaitair laat vaststellen.
stress- en/of angst)gevolgen van het minstens tweemaal moeten ondergaan van fysieke woningschade en melding en wachten en inspectie en wachten en discussie en wachten en herstelwerkzaamheden en wachten en wellicht versterking en zorgen maken over de waarschijnlijke volgende klap voor
my home is (not any more) my castlezó aannemelijk achten dat immateriële schade voor die bewoners voldoende aannemelijk is.
stress- en angstklachten meebrengen. Het komt trouwens ook juist
doorNAM’s gaswinning
dathet om zo’n enorm aantal individuele gevallen van repeterende fysieke schade gaat. Dan lijkt meewerken aan of zelf initiëren van verantwoorde, voortvarende en praktische groepsgewijze oplossingen wenselijk.
subonderdelen 3e en 3fwillen weer individuele schadebeoordeling. Zij bestrijden dat een wetenschappelijk onderzoek dat nogal heftige algemene conclusies trekt met betrekking tot het onwelbevinden van de bewoners van huizen die meermalen fysieke aardbevingsschade hebben geleden, voldoende individuele betekenis in de gevallen van de eisers heeft. Maar individuele schadebeoordeling hoeft dus niet (zie HR NJ 2020/391 in onderdeel 5) als de door de feitenrechter in gevallen van massaschade noodgedwongen gekozen algemenere criteria maar voldoende relevant en nauwkeurig zijn voor de aannemelijkheid van immateriële schade door aantasting van de persoon op andere wijze dan door letsel- of reputatieschade. Het bedoelde rapport is bepaald niet de enige grond die het Hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd en gezien het geheel van gronden voor zijn oordeel, acht ik zijn keuze voor “minstens tweemaal NAM-vastgestelde fysieke schade aan de eigen woning” als praktische en tegelijk meest relevante en nauwkeurige aanwijzing noch rechtskundig onjuist, noch onvoldoende gemotiveerd. Over de kritiek in subonderdeel 3f op ’s Hofs verwijzing naar HR NJ 2005/391 (oudejaarsrellen), [29] waarin u, anders dan het hof, de mogelijke aanspraak op smartengeld wegens
stress, angst en dreiging juist individueel beoordeelde, merk ik op dat het Hof die zaak aanhaalde voor het ‘zó-voor-de-hand-liggend’-criterium en dat die zaak uiteraard niets zegt over groepsgewijze beoordeling van immateriële schade door aardbevingen, nu dat arrest helemaal niet over massaschade, maar over één eenmalig, uniek, individueel geval gaat, zodat de immateriële schade in dat geval onmogelijk anders dan individueel kón worden beoordeeld. Dat dat ‘zó-voor-de-hand-liggend’-criterium ook geldt in de litigieuze massa-aardbevingsschadezaak, blijkt onmiskenbaar uit rov. 2.13.2 van HR NJ 2020/391 (zie onderdeel 5).
aequo et bonokomt men niet.
feitelijkebeoordeling van de mate en de (negatieve) waarde van smart. Mij lijkt dat de cassatierechter hier in beginsel pas moet optreden als de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in het geding is. Dat lijkt niet het geval.
downside risk.
downside riskontstaat. Dat laatste lijkt mij niet alleen van belang in verband met
litis finiri oportet, maar ook, gezien het kennelijk enorme aantal gevallen, om - tot het kantonrechterplafond - verdienmodellen van
no cure no paybureaus tegen te gaan die bij succes een groot deel van de vergoeding afromen. Nu het niet om letsel- of overlijdensschade gaat, ga ik ervan uit dat het advocaten niet is toegestaan om
no cure no payte werken in dit type zaken. Ik voeg aan dat argument toe dat als individueel doorgeprocedeerd wordt, het niet uitgesloten kan worden dat meer en andere schade-bepalingsrelevante omstandigheden blijken die kunnen meebrengen dat de schade lager wordt gesteld dan door het Hof in het algemeen is aangenomen. Omdat die mogelijkheid niet op voorhand kan worden uitgesloten, moet NAM de mogelijkheid hebben om zulke omstandigheden in individuele procedures aan te voeren. Dat sluit ook aan bij de regel dat de beoordeling weer open ligt als een belanghebbende
outeen collectieve schikking
opt(zie art. 7:908(2) BW en HR NJ 2012/182 (Duisenbergregeling en Dexia effecten
lease) [30] rov. 4.9.2) of
outeen collectieve schadeprocedure (zie art. 3:305a BW jo art. 1018f(1) en (4) Rv.).
11.Het incidentele cassatieberoep
i.e. aanvullende schademeldingen die kort volgen op een eerdere schademelding, niet worden aangemerkt als (volwaardige) vastgestelde A-of B-schade. Het onderdeel bevat drie subonderdelen.
tickverschil verbonden zijn en ertoe nopen te voorkomen dat iets meetelt dat wezenlijk een dubbeltelling produceert of daar dicht tegenaan zit.