Conclusie
[eiseres]) heeft tijdens heiwerkzaamheden een aan verweerster in cassatie (hierna:
Liander) toebehorende kabel beschadigd. Het hof heeft geoordeeld dat [eiseres] aansprakelijk is wegens schending van haar zorgplicht als grondroerder. In cassatie wordt door [eiseres] opgekomen tegen het oordeel van het hof dat [eiseres] gehouden was in het gehele gebied van alle ter plaatse te verrichten graafwerkzaamheden (eerst heien en later open ontgraving) kabels te lokaliseren alvorens te beginnen met heien. Ook wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat [eiseres] zich onvoldoende inspanningen heeft getroost om het verloop van de kabels te bepalen.
1.Feiten en procesverloop
grieven 1 t/m 4zijn gericht tegen rov. 4.6, 4.7, 4.8 respectievelijk 4.9.
grief 1betoogt Liander dat de kantonrechter in rov. 4.6 van het vonnis uitgaat van een te beperkte uitleg van het begrip ‘werk’ en dat het graafprofiel het gehele werk beslaat zoals [eiseres] dat ter plaatse heeft uitgevoerd en niet alleen de heiwerkzaamheden (het slaan van de ene heipaal) waardoor de schade is ontstaan. Op grond van het werk als ‘open ontgraving’ diende [eiseres] voorafgaande aan dit werk, dat als geheel grondroerend is, alle volgens de tekeningen daarbinnen aanwezige leidingen en kabels te lokaliseren, aldus Liander (rov. 3.3).
grieven 2 en 3 [11] betoogt Liander dat [eiseres] zich méér inspanningen had moeten getroosten om het verloop van de kabels te bepalen dan het graven van de door haar gestelde zeven proefsleuven waarin zij zegt exact te hebben aangetroffen wat zij op grond van de tekeningen mocht verwachten (rov. 3.7-3.8).
2.Juridisch kader
WION) [12] , ook wel Grondroerdersregeling genoemd. [13] Deze wet diende ter bevordering van de zorgvuldigheid bij graafwerkzaamheden en ter verduidelijking van de verdeling van verantwoordelijkheden tussen betrokken partijen. Daartoe bevatte de wet ook verplichtingen aan de zijde van de opdrachtgever en de netbeheerder. [14]
graafwerkzaamheden’ wordt in de WION gedefinieerd als: ‘het mechanisch verrichten van werkzaamheden in de ondergrond’ (art. 1, aanhef en sub c, WION). Volgens de toelichting valt hieronder een breed scala van werkzaamheden, zoals de aanleg, de verplaatsing en het verwijderen van netten, bouwwerkzaamheden zoals het heien van palen, het slaan van damwanden en het bouwrijp maken van grond. [15]
voor aanvang van de graafwerkzaamheden’ onderzoek is verricht naar de ligging van netten op ‘
de graaflocatie’. Dit omvat in ieder geval de wettelijke verplichting om (i) informatie over de liggingsgegevens op te vragen en te gebruiken (graafmelding, art. 8 WION Pro [19] ) en (ii) ander onderzoek te doen naar de ‘
exacte ligging’ van de netten in de grond. Te denken valt aan het gebruik van proefsleuven of andere detectiemiddelen. De omvang van dit onderzoek is afhankelijk van de situatie ter plaatse. [20]
BION). [21] Art. 5 BION Pro bepaalt dat de liggingsgegevens worden weergegeven door een tekening (lid 1) en gebaseerd dienen te zijn op de meest nauwkeurige metingen die voor de netbeheerder beschikbaar zijn, ‘
met dien verstande dat de metingen ten minste een nauwkeurigheid van een meter hebben’(lid 2)
.
de Richtlijn [25] ). De Richtlijn beschrijft de stappen van het graafproces en de daarin te nemen acties. Zo bevat zij onder meer een handelingsprotocol voor het graven van proefsleuven. De Richtlijn is per 1 januari 2017 vervangen door CROW 500.
soft lawdoor dit arrest toch vrijwel
hard lawis geworden omdat voor afwijking in de praktijk weinig ruimte zal zijn. [28] De feitenrechtspraak van na het arrest bevestigt de zwaarwegende betekenis van de Richtlijn (en opvolger CROW 500): niet-naleving van de Richtlijn levert in beginsel aansprakelijkheid op. [29]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
verkeerderichtlijn (CROW 500, die pas op 1 januari 2017 van kracht is geworden), die bovendien een
andererichtlijn is dan door het hof in rov. 3.2 van toepassing is verklaard (CROW 250). Daartoe wordt aangevoerd:
zoekgebied’ en een definitie van dit begrip niet voorkomen in CROW 250, maar wel in CROW 500 (verwezen wordt naar p. 41 [30] );
graafprofiel’ slechts een enkele keer voorkomt in CROW 250, en – zo begrijp ik – vaker in CROW 500 (verwezen wordt naar p. 28 [31] );
gebied waarin daadwerkelijk grond wordt geroerd’ in CROW 250 nergens voorkomt, maar wel in CROW 500 (verwezen wordt naar p. 39 [32] ).
graafprofiel’ wel degelijk in CROW 250 gebruikt. [34]
zoekgebied’ als zodanig niet voorkomt in CROW 250, blijkt uit de rechtspraak [38] dat deze term reeds voor de inwerkingtreding van CROW 500 werd gebruikt. Ook wordt de term gehanteerd in rechtspraak die weliswaar dateert van na de inwerkingtreding van CROW 500, maar ziet op incidenten vallend onder de werkingssfeer van CROW 250. [39] Daarbij is telkens duidelijk dat de term ‘zoekgebied’ wordt gehanteerd ter aanduiding van het gebied waarbinnen de ligging van kabels en leidingen moet worden vastgesteld.
verplichtwas de ingetekende kabels te lokaliseren. Op grond van CROW 250 strekt het zoekgebied zich uit tot ‘het graafprofiel’ plus een zone van 1,5 meter daaromheen. [44]
nietverplicht was de kabels te lokaliseren, omdat deze theoretisch niet waren gelegen binnen de in CROW 250 gehanteerde zone van 1,5 meter vanaf het werk, in casu
de heipaal. [45] Het aangenomen project betrof de aansluiting van een weg op de [a-straat] , waartoe zij een duikerbrug diende te plaatsen en een overweg van stelconplaten diende te realiseren. Deze werkzaamheden werden conform het bestek in verschillende fasen uitgevoerd. Ten tijde van het inheien van de funderingspalen was nog geen sprake van ‘open ontgraving’ in de zin van CROW 250. Een open ontgraving zou pas veel later plaatsvinden en heeft – na vooronderzoek over dat gehele graafprofiel – ook plaatsgevonden in de laatste week van het werk, dus weken na het aanbrengen van de heipalen. Daarbij is bovendien oppervlakkig gegraven om vervolgens de stelconplaten aan te brengen. [46] Het project zou een maand of drie duren. [47] In de visie van [eiseres] was, kortom, het ‘graafprofiel’ de plek waar
de heipalenwerden neergezet. [48]
hele wegaansluiting(c.q. ‘brug’ dan wel ‘oversteek’) als ‘graafprofiel’ moet worden aangemerkt. [49] Ik citeer:
hele werkzoals [eiseres] ter plaatse heeft uitgevoerd en niet alleen het slaan van deze ene heipaal. Op grond van het werk als ‘open ontgraving’ diende [eiseres] – voorafgaande aan het werk dat als geheel grondroerend is, alle volgens tekening daarbinnen aanwezige kabels en leidingen te lokaliseren (Handelingsprotocollen, p. 40 onder 1). [51]
daadwerkelijk grond wordt geroerd’ – moet worden gekeken naar de ‘
totale werkzaamheden’ (elders in rov. 3.5 ook aangeduid als ‘
het werk’). [53] Volgens het hof kunnen deze totale werkzaamheden niet worden opgesplitst in afzonderlijke onderdelen waarvoor, naargelang de fase van uitvoering van ‘het werk’ en de diepte waarop wordt gewerkt, afzonderlijk kan worden gelokaliseerd. Dat zou in strijd zijn met het uitgangspunt van de WION en CROW 250 dat de grondroerder voorafgaand aan ‘het grondroeren’ kabels moet lokaliseren in en tot 1,5 meter rondom ‘het graafprofiel’, aldus het hof. Een parallel met deelprojecten bij de aanleg van de Noord-Zuidlijn gaat alleen al niet op vanwege de aard, relatief geringe omvang en beperkte tijdsduur van het onderhavige werk (rov. 3.5). Gegeven het relevante graafprofiel van de ‘
totale werkzaamheden’ bevond de theoretische ligging van de kabels zich, ongeacht hun afstand tot de paal,
inhet graafprofiel, zodat die kabels dus moesten worden gelokaliseerd (rov. 3.6).
aldie werkzaamheden gezamenlijk een lokaliseringsonderzoek moet zijn verricht in het gebied dat
aldie werkzaamheden gezamenlijk omvat” (procesinleiding p. 6).
eerste klachtvan subonderdeel 1-B is dit oordeel van het hof rechtens onjuist voor zover dit is gebaseerd op de WION.
de graafwerkzaamheden’ en ‘
de graaflocatie’ (als gedefinieerd in art. 1 lid Pro 1, aanhef en sub c resp. d, WION),
concrete’graafwerkzaamheden [54] uit een breed scala van graafwerkzaamheden van verschillende aard (worden verricht). [55]
aldie werkzaamheden gezamenlijk een lokaliseringsonderzoek moet zijn verricht in het gebied dat
aldie werkzaamheden gezamenlijk omvat. Zij verzetten zich (bovendien) tegen de implicatie van deze opvatting dat als ‘graaflocatie’ moet worden begrepen de bij elkaar
opgeteldelocaties waar alle afzonderlijke, naar aard en in tijd van elkaar te onderscheiden concrete graafwerkzaamheden gezamenlijk bezien (zullen) worden verricht.
dieptetot waarop wordt gewerkt geen omstandigheid zou kunnen zijn die kan leiden tot beperking van de lokaliseringsplicht tot afzonderlijke onderdelen van de ‘totale werkzaamheden’. Daartoe wordt erop gewezen dat de memorie van toelichting op de WION vermeldt dat de mogelijke graafwerkzaamheden verschillend van aard kunnen zijn en de door de grondroerder in acht te nemen zorgvuldigheid per geval kan verschillen. [56]
concretegevaarzettende werkzaamheden
nietwist of behoorde te weten van een gevaar van aantasting van de belangen van de netbeheerder en de dreigende verwezenlijking daarvan, hij toch aansprakelijk wordt gehouden omdat hij van het bewuste gevaar en de verwezenlijking daarvan wél zou hebben geweten of moeten hebben geweten als hij (toevallig) parallel aan die werkzaamheden
andereconcrete gevaarzettende werkzaamheden zou hebben uitgevoerd.
tweede klachtvan subonderdeel I-B luidt dat het oordeel van het hof, voor zover gebaseerd op CROW 250, onbegrijpelijk is.
eerste(procesinleiding, p. 7-8) als onbegrijpelijk de opvatting van het hof dat (uitgangspunt van CROW 250 zou zijn dat) de lokaliseringsplicht ter zake van heiwerkzaamheden moet worden gekoppeld aan en zich uitstrekt tot het
‘graafprofiel’van een in een later stadium uit te voeren
‘open ontgraving’, en dat voorafgaand aan beide expliciet van elkaar onderscheiden graafwerkzaamheden ter zake van beide werkzaamheden gezamenlijk een lokalisering van kabels had moeten plaatsvinden.
open ontgraving’, gekoppeld aan een (niet nader gedefinieerd) ‘
graafprofiel’, en anderzijds het ‘
aanbrengen van palen’, gekoppeld aan de plaats van de ‘
geprojecteerde paal’ (p. 11, 40-41).
exclusiefgekoppeld aan een open ontgraving.
tweedeplaats is volgens het middel (procesinleiding, p. 9) onbegrijpelijk dat beperking van de lokaliseringsplicht al naar de gelang de diepte tot waarop wordt gewerkt, in strijd zou zijn met de uitgangspunten van CROW 250. De Richtlijn bepaalt immers dat bij ‘volgende bewerkingen’ een KLIC-melding en het daaropvolgende onderzoek achterwege kunnen blijven in geval van ‘oppervlakkige bewerkingen’ (p. 15 en 16).
voorafgaand aanen (ii) in het
totale zoekgebiedvan
allein het kader van een werk door hem aangenomen graafwerkzaamheden tezamen, indien die bestaan uit graafwerkzaamheden van verschillende aard die na elkaar zullen worden uitgevoerd.
concretegraafwerkzaamheden in kwestie (procesinleiding, p. 10 bovenaan).
onderhavigewerk (‘eerst heien en dan open ontgraven’) kan worden beperkt tot afzonderlijke onderdelen, in casu de locatie van de aan te brengen funderingspaal. Het hof overweegt dat de grondroerder op grond van de WION en de Richtlijn
in beginsel(vgl. ‘uitgangspunten’) verplicht is te lokaliseren (i) voorafgaand aan en (ii) in het zoekgebied van de totale werkzaamheden. Dat het hof de mogelijkheid van gefaseerd lokaliseren in andere gevallen dan het onderhavige openlaat, volgt uit de laatste volzin van rov. 3.5, waarin de aard, de relatief geringe omvang en de betrekkelijk korte duur van het ‘
onderhavige werk’ worden afgezet tegen veel grotere projecten als de aanleg van de Noord-Zuidlijn. Het subonderdeel faalt in zoverre bij gebrek aan feitelijke grondslag.
allesoorten graafwerkzaamheden maar – zoals het middel betoogt (p. 8) – exclusief zou zijn gereserveerd voor de ‘open ontgraving’. De omstandigheid dat het begrip ‘graafprofiel’ in de richtlijn wordt gebruikt in verband met de open ontgraving en dat in verband met de bepaling van het zoekgebied in geval van het aanbrengen van palen wordt gesproken van de ‘geprojecteerde paal’ (p. 40-41) maakt dit niet anders.
binnen het gebiedvan die open ontgraving tevens heiwerkzaamheden zouden plaatsvinden. Het hof is voor de lokaliseringsplicht uitgegaan van dat
gebied.
in beginselaan de hand van de totale te verrichten graafwerkzaamheden, tenzij de omstandigheden van het geval (zoals aard, omvang en/of duur van het werk c.q. project) gefaseerde lokalisering rechtvaardigen – ook anderszins niet in strijd is met de opvattingen van betrokkenen bij het graafproces zoals deze uit de Richtlijn naar voren komen.
zoekgebiedvooraf en voor alle graafwerkzaamheden moet worden bepaald:
(of het werk)bevinden de precieze ligging moet worden vastgesteld.” [onderstreping A-G] [66]
proefsleuvenmoeten worden gemaakt om de precieze ligging van onderdelen van netten vast te stellen [67] alvorens fase D (‘Verrichten graafwerkzaamheden’) een aanvang neemt.
subonderdeel I-Cvitiëren de subonderdelen I-A en I-B rov. 3.5, laatste volzin, alsmede rov. 3.6 en 3.8 e.v.
grieven 2 en 3houden in dat dat laatste had moeten gebeuren.
hoe dan ook, althans in een geval als het onderhavige, op straffe van aansprakelijkheid het
gehele feitelijke verloopvan een kabel binnen het betreffende graafprofiel dient te lokaliseren en ten aanzien van dat verloop niet ten minste gedeeltelijk of vanaf een bepaald aantal onderzoekshandelingen op de tekening van de netbeheerder mag vertrouwen.” Volgens het onderdeel komt dit in feite neer op het aannemen van
risicoaansprakelijkheidvan de grondroerder, wat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Bovendien zou het oordeel in strijd zijn met CROW 250, nu deze richtlijn uitsluitend spreekt over de
liggingvan de kabel en niet over het (gehele feitelijke)
verloopervan.
gehele feitelijke verloopbinnen het graafprofiel moest worden blootgelegd, maar dat [eiseres] door middel van
meerproefsleuven – en dus fijnmaziger – de werkelijke ligging van de kabels in de onmiddellijke nabijheid van de theoretische afbuiging had moeten onderzoeken.
alleconcrete omstandigheden van het geval [81] en (ii) dat die vraag niet reeds ontkennend moet worden beantwoord op basis van enkel een in standaarddocumentatie opgenomen
algemenedisclaimer in combinatie met de
algemeneconstatering dat kabels een zekere buigradius of afwijkende loop kunnen hebben.
gehele feitelijke verloopvan de kabel te lokaliseren en daarbij niet mocht vertrouwen op de tekening van Liander.
van de omvang zoals die in het onderhavige geval concreet is gebleken. [92] Gegrondbevinding van dit verweer had (mede)dragend kunnen zijn voor een andersluidend oordeel, aldus het onderdeel.