Conclusie
1.Feiten
Inleiding
1.Inleiding procesbeschrijving
grootschalige werkenzoals:
3.Onderzoeksfase
4.Ontwerpfase
5.Werkvoorbereidingsfase
4 Uitgangspunten
7.Uitvoering
2.Procesverloop
Eerste aanleg
Toepasbaarheid van de Richtlijn CROW 500?
Beoordelingsmaatstaf
Liander/ […]volgt dat de Hoge Raad bij graafwerkzaamheden het Kelderluik-arrest voorbij is en dat het nu nog enkel gaat om de Richtlijn CROW 500. Het hof zal de Richtlijn CROW 500 daarom mede uitleggen en toepassen in het licht van de Kelderluikcriteria en van de door de Hoge Raad voorgeschreven afweging van de zorgplichten van de grondroerder en de netbeheerder. Grief 3 van Evides, waarmee deze heeft geklaagd dat de kantonrechter ten onrechte de Kelderluikcriteria heeft toegepast, faalt in zoverre.”
tijdens de voorbereidingvan de graafwerkzaamheden onzorgvuldig heeft gehandeld. Het hof heeft geoordeeld dat Evides onvoldoende heeft onderbouwd dat V&SH tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden Richtlijn CROW 500 heeft geschonden door toen geen contact op te nemen met Evides over het bochtstuk en door toen geen specifiek op het bochtstuk gerichte beheersmaatregel met Evides te bespreken en in werkinstructies vast te leggen:
Geen niet-naleving
onderzoeksfasemoet (i) een oriëntatieverzoek worden gedaan, (ii) eventuele kabels en leidingen in het gebied in kaart worden gebracht en (iii) een risico-inventarisatie worden gemaakt;
ontwerpfasemoeten (i) relevante kabels en leidingen aan de hand van die risico-inventarisatie worden gelokaliseerd, waarna (ii) per kabel of leiding beheersmaatregelen worden gekozen en in een maatregelenplan worden vastgelegd;
werkvoorbereidingsfasewordt eerst (i) een graafmelding gedaan en wordt (ii) het maatregelenplan vervolgens aan de hand van de uit die melding voortvloeiende actuele gebiedsinformatie uitgewerkt in werkinstructies.
randnummer 1.6 hiervoor, A-G]) en mede ten grondslag heeft gelegd aan haar werkplan (zie hiervoor onder 3.6 [
randnummer 1.8 hiervoor, A-G]). V&SH heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken aangevoerd dat zij de leiding van Evides op de leidingbeheerkaarten heeft gelokaliseerd. Evides heeft ook niet weersproken dat de plattegrond die is opgenomen op p. 4 (bovenste helft) van het door V&SH opgesteld incidentrapport (zie hiervoor onder 3.5 [
randnummer 1.6 hiervoor, A-G]) een uittreksel is van die leidingbeheerkaarten en dat haar leiding, met het bochtstuk, daarop zichtbaar is.
Eventueel vrijkomende afsluiters of leidingwerk zullen doelmatig worden opgehangen”. Deze maatregel stemt overeen met een van de beheersmaatregelen die worden genoemd in de Richtlijn CROW 500 onder: (i) 3. Onderzoeksfase sub Risico-inventarisatie: “
het beschermen van de (…) leiding”; en (ii) Kennisthema Grondroeren nabij kabels en leidingen: “
het ondersteunen en ophangen van kabels en leidingen en[het compenseren van, toevoeging hof]
het (gedeeltelijk) wegvallen van steundruk in bochten wanneer deze ondergraven moeten worden”. De Richtlijn CROW 500 noemt op beide plekken ook als beheersmaatregel het tijdelijk drukloos maken van een leiding, maar Evides heeft niet gesteld dat zij in reactie op het werkplan die mogelijkheid heeft aangedragen, of van V&SH heeft verlangd dat zij enige andere beheersmaatregelen zou vaststellen. In het kader van de door de Hoge Raad voorgeschreven afweging van de zorgplichten over en weer, bezien in het licht van de bezwaarlijkheid van de over en weer te nemen voorzorgsmaatregelen en van de mogelijke gevolgen van een beschadiging van de leiding (zie hiervoor onder 6.8 [
randnummer 2.6 hiervoor, A-G]), had het echter op de weg van Evides als netbeheerder gelegen om zich op dat moment, indien het betrokken afsluiterschema onder andere uit een bochtstuk bestond, bij V&SH te melden als zij had gewild dat deze met betrekking tot dat bochtstuk een andere beheersmaatregel zou nemen dan (alleen) het “doelmatig ophangen” ervan.
Ten overvloede: geen causaal verband
e bocht moest aanvullend in alle richtingen gefixeerd worden”; terwijl [betrokkene 1] daar volgens V&SH aan heeft toegevoegd “
middels spanbanden en afschoring met een houten paal tegen het bovenliggende draglineschot”. V&SH beroept zich op dit punt terecht op gerechtelijke erkenning, omdat Evides tijdens de procedure voor de kantonrechter heeft bevestigd dat de instructie van [betrokkene 1] luidde zoals weergegeven in het incidentrapport van V&SH, dat wil zeggen met inbegrip van de toevoeging die zij in hoger beroep heeft willen weerspreken. [30] Het hof gaat er daarom van uit dat [betrokkene 1] de instructie heeft gegeven met inbegrip van de door V&SH aangevoerde verduidelijking.
het (gedeeltelijk) wegvallen van steundruk in bochten wanneer deze ondergraven moeten worden” (zie hiervoor onder 3.3. [
kennelijk wordt 3.2 bedoeld, zie randnummer 1.3 hiervoor, A-G], Kennisthema Grondroeren nabij kabels en leidingen). De door [betrokkene 1] gegeven instructie van het “in alle richtingen fixeren” van het bochtstuk stemt daarmee overeen (met of zonder de in de vorige alinea bedoelde verduidelijking).
asset managementde instructie, zoals [betrokkene 1] die in het veld heeft gegeven, zouden hebben afgekeurd: Evides zou dan een sleufbekisting hebben verlangd, bestaand uit houten schotten aan weerszijden van het graaftracé, uit elkaar gehouden door tussenspanten, om daar de spanbanden voor fixatie stabiel aan te kunnen bevestigen. Naar het oordeel van het hof heeft Evides dat standpunt, dat door V&SH is weersproken, onvoldoende toegelicht. V&SH heeft terecht de vraag opgeworpen waarom [betrokkene 1] niet om dezelfde maatregel heeft gevraagd. Evides heeft niet weersproken dat V&SH haar heeft uitgenodigd om op 18 en 19 september 2018 de situatie van het vrijgelegde bochtstuk te bespreken, dat zij die uitnodiging heeft beantwoord door [betrokkene 1] naar de betrokken locatie af te vaardigen en dat deze bevoegd was om namens haar instructies aan V&SH te geven voor het voorkomen van schade bij het ontgraven van dat bochtstuk. Dat zo zijnde heeft zij niet toegelicht waarom de technici van haar afdeling
asset managementin dat verband tot andere maatregelen zouden zijn gekomen dan [betrokkene 1] in het veld heeft geïnstrueerd.
de uitvoeringsfasevan de werkzaamheden beoordeeld. Het hof heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat V&SH fouten heeft gemaakt tijdens de uitvoering van de graafwerkzaamheden die in causaal verband staan met de schade van Evides, ook niet bij de opvolging van de instructie van [betrokkene 1] :
Verwijt 2: Niet correct opvolgen van de instructies van [betrokkene 1]
end, A-G] begin van het bochtstuk) met spanbanden evenwijdig aan het tracé. Evides heeft de vraag opgeworpen hoe V&SH hier uitvoering aan heeft kunnen geven. Volgens haar ging het bij de door V&SH genomen maatregelen alleen om een suggestie (naar het hof begrijpt: van het in alle richtingen fixeren van het bochtstuk). Er was volgens haar in het werk niets om het bochtstuk horizontaal aan te fixeren, want er was alleen een sleuf in het zand: alleen met een sleufbekisting had het bochtstuk correct gefixeerd kunnen worden. V&SH heeft dat terecht weersproken, onder verwijzing naar de foto van het bochtstuk in door haar gefixeerde toestand (zie hiervoor onder 3.12). Op die foto is te zien dat spanbanden diagonaal zijn gespannen vanaf het boven het bochtstuk gelegde draglineschot en op die manier een horizontale fixatie opleveren. V&SH wijst er bovendien terecht op dat op de foto van het bochtstuk tijdens de herstelwerkzaamheden van Evides (zie hiervoor onder 3.15 [
randnummer 1.21 hiervoor, A-G]) zichtbaar is dat het bochtstuk tijdens die werkzaamheden op dezelfde wijze met spanbanden is gefixeerd als die V&SH op instructie van [betrokkene 1] heeft toegepast, zonder zichtbare sleufbekisting.
randnummer 1.17 hiervoor, A-G]) zichtbaar is voor een gevaarlijk “naaldhakeffect” heeft gezorgd. Het hof kan dat verwijt niet plaatsen, omdat Evides niet heeft gesteld dat de schade is veroorzaakt doordat de stok op die plek als gevolg van een dergelijk effect door de buitenkant van de leiding is geschoten. Bovendien wijst V&SH er terecht op dat de stok daar is aangebracht op (de gezien het voorgaande onder 6.24.1 vaststaande [
randnummer 2.11 hiervoor, A-G]) instructie van [betrokkene 1] , dat een stok niet stabiel boven op een leiding met een ronde doorsnede kan staan en dat op de foto (voldoende) zichtbaar is dat de stok achter de leiding langs naar beneden loopt.”
randnummer 2.6 hiervoor, A-G]). In dat licht bezien heeft Evides niet toegelicht dat en waarom het voor haar, gelet op de gevolgen van een lekkage aan het bochtstuk, bezwaarlijk zou zijn geweest als [betrokkene 1] op het werk was gebleven om er daar namens Evides voor te zorgen dat zijn instructie correct zou worden nageleefd.
Zorgplichten ter voorkoming van schade aan kabels en leidingen bij graafwerkzaamheden
graafmelding” en “
graafwerkzaamheden” [34] , ga ik uit van de definities van die begrippen in de WIBON. [35]
Liander/ […]het regime aan de hand waarvan aansprakelijkheid voor graafschade wordt beoordeeld, uiteengezet. [36] Ik begin mijn analyse met een bespreking van dit regime. Op verschillende onderdelen vul ik dit hierna aan, ook gelet op de inwerkingtreding van de WIBON.
ten minste” ervoor zorgen dat een graafmelding aan de Dienst voor het kadaster en de openbare registers [41] (hierna: ‘Dienst’) is gedaan vóór de aanvang van de graafwerkzaamheden, [42] dat onderzoek is verricht naar de “
precieze” locatie van onderdelen van netten op de graaflocatie, en dat de van de Dienst ontvangen gebiedsinformatie op de graaflocatie aanwezig is. [43] Voor het onderzoek van de grondroerder naar de precieze ligging van netten is relevant dat:
van de ligging van leidingen en kabels, A-G] aan deze eis [
van nauwkeurigheid, A-G] voldoet. De werkelijke ligging van het net kan immers door tal van oorzaken van de tekening afwijken. De Richtlijn houdt hiermee ook rekening (…). Het antwoord op de vraag in hoeverre de grondroerder op de tekening mag vertrouwen, hangt daardoor af van de omstandigheden van het geval, in het licht van hetgeen de Richtlijn over de onderzoeksplicht van de grondroerder bepaalt (…).” [44]
onverwijld, doch uiterlijk binnen drie werkdagen na ontvangst van het verzoek” van de grondroerder of opdrachtgever nadere informatie verstrekken aan de grondroerder of opdrachtgever over zijn net;
concretiseringenzijn van de maatschappelijke zorgvuldigheid. Daarmee beoogt de WION benadeelden tegemoet te komen in hun bewijspositie. [51] De WION heeft dus geen
nieuweonrechtmatige gedragingen geïntroduceerd of geleid tot een verscherpte aansprakelijkheid of een verzwaring van de destijds bestaande aansprakelijkheidslast: de WION faciliteert wel de rechterlijke beoordeling van een eventuele aansprakelijkheidsclaim omdat de maatschappelijke zorgvuldigheid tot op zekere hoogte handen en voeten heeft gekregen en vergemakkelijkt daarmee tot op zekere hoogte ook de bewijspositie van benadeelden. Voor de WIBON geldt hetzelfde.
afwegingwaarbij
onder meerde
bezwaarlijkheid van door de grondroerder en door de netbeheerder te nemen voorzorgsmaatregelen moet worden bezien,
ook in hun onderlinge verhouding, en waarbij
deze[
bezwaarlijkheid, A-G] moet worden
afgezettegen de
mogelijke gevolgen van het beschadigen van kabels of leidingen.” [53]
onder meer”, zoals weergegeven bij randnummer 3.8 hiervoor. Deze ruimte verdraagt zich goed met gangbare opvattingen over de maatschappelijke zorgvuldigheid. Niet elke omstandigheid van het geval is voor de invulling van de maatschappelijke zorgvuldigheid (altijd) relevant, maar een vooraf bepaalde limitatieve lijst van relevante omstandigheden die invulling geeft aan de maatschappelijke zorgvuldigheid kennen wij niet. [54] Bij toepassing van art. 2 lid 2 WIBON Pro is dat overigens niet anders. De rechter kan dus ook nog andere factoren bij de invulling van art. 2 lid 2 WIBON Pro en de maatschappelijke zorgvuldigheid betrekken. Het ligt daarbij voor de hand te denken aan de andere, niet uitdrukkelijk door Uw Raad in die algemene afweging genoemde kelderluikfactoren. [55] Ook de vraag in welke mate een grondroerder mag vertrouwen op door een netbeheerder verstrekte informatie over liggingsgegevens van netten speelt bij de invulling van de maatschappelijke zorgvuldigheid een rol. [56] Meer in het algemeen geldt dat contact tussen grondroerders en netbeheerders relevant is, [57] zoals ook wordt erkend in recente feitenrechtspraak. [58] Een amendement strekkende tot aanpassing van de WION dat voor grondroerders of opdrachtgevers een wettelijke plicht zou introduceren om met het oog op het voeren van overleg bepaalde informatie aan netbeheerders te verstrekken, werd overigens verworpen. [59]
in beginselmet behulp van Richtlijn CROW 500 invullen. [61] Geeft de rechter een invulling van de zorgplichten van grondroerders of netbeheerders die afwijkt van Richtlijn CROW 500, dan behoeft dat volgens Uw Raad motivering. [62] Deze rechtspraak heeft betrekking op Richtlijn CROW 250, de voorganger van Richtlijn CROW 500. In cassatie staat echter (terecht) niet ter discussie dat dit regime ook geldt voor Richtlijn CROW 500, omdat Richtlijn CROW 500 net als Richtlijn CROW 250 door de (brede) graafsector is opgesteld. [63] Voor zover de rechter bij de invulling van zorgplichten Richtlijn CROW 500 niet toepast omdat een concrete wettelijke norm van Richtlijn CROW 500 afwijkt, is een motivering van het buiten toepassing laten van Richtlijn CROW 500 vanzelfsprekend niet nodig. De concrete wettelijke norm gaat uiteraard voor. Dat veel gewicht aan Richtlijn CROW 500 toekomt, baseert Uw Raad (mede) op het feit dat zij is opgesteld door een breed en technisch geschoold gezelschap en de weerslag vormt van de binnen de relevante beroepsgroep geldende opvattingen over zorgvuldig handelen. [64] In de feitenrechtspraak bestaan uiteenlopende voorbeelden van gevallen waarin de rechter zorgplichten van grondroerders en netbeheerders invult met verwijzing naar Richtlijn CROW 500. [65]
Liander/ […]doet zo recht aan de parlementaire geschiedenis van de WION en WIBON, die benadrukt dat rechtszekerheid en het voorkomen van schadegevallen doelen zijn van de WION, WIBON en relevante private normen zoals Richtlijn CROW 500. [66] De minister hechtte gelet op die doelen veel waarde aan de totstandkoming van private normen. [67]
impliceertjuist een afweging van kelderluikfactoren, omdat de normen uit Richtlijn CROW 500 in feite een concrete uitkomst zijn van een algemene afweging van kelderluikfactoren. [68] Richtlijn CROW 500 vormt immers de weerslag van de binnen de relevante beroepsgroep geldende opvattingen over zorgvuldig handelen. Als de rechter Richtlijn CROW 500 toepast, en daarmee zorgplichten van grondroerders en netbeheerders invult, weegt de rechter dus kelderluikfactoren mee, zij het soms niet altijd uitdrukkelijk. Kelderluikfactoren kunnen ook van belang zijn bij de uitleg van Richtlijn CROW 500, waarover hierna meer.
Liander/ […]. Ik zou menen dat als maatstaf voor de uitleg van Richtlijn CROW 500 de CAO-norm moet gelden. Daarvoor acht ik het volgende redengevend. De CAO-norm geldt onder andere voor krachtens overeenkomst vastgestelde regelingen die geen recht zijn in de zin van art. 79 RO Pro en die als (algemene) strekking hebben om de rechten en verplichtingen van derden op uniforme wijze te concretiseren. [69] Voor Richtlijn CROW 500 geldt ook dat zij geen recht is in de zin van art. 79 RO Pro – slechts over de uitlegmaatstaf en de begrijpelijkheid van een gegeven uitleg van Richtlijn CROW 500 kan daarom worden geklaagd in cassatie [70] – en dat zij strekt tot concretisering van rechten en verplichtingen van derden (zie randnummers 3.10-3.12 hiervoor). [71] De CAO-norm past bovendien goed bij de door Richtlijn CROW 500 nagestreefde rechtszekerheid van grondroerders en netbeheerders. Bij toepassing van de CAO-norm bij de uitleg van Richtlijn CROW 500 zijn de bewoordingen van deze Richtlijn, gelezen in het licht van de gehele tekst, in beginsel van doorslaggevende betekenis. [72]
in beginselniet afwijken van in de tekst van Richtlijn CROW 500 gemaakte keuzes. [75] Wel is denkbaar dat Richtlijn CROW 500 zodanige (open) normen bevat, dat de tekst van Richtlijn CROW 500 partijen en de rechter niet direct verder helpt, zodat de rechter in voorkomende gevallen inderdaad terugvalt op de besproken strekking en bedoeling van Richtlijn CROW 500.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
de voorbereidingvan de graafwerkzaamheden door V&SH (randnummers 4.14-4.36 hierna);
de uitvoeringvan de graafwerkzaamheden door V&SH (randnummers 4.37-4.49 hierna);
condicio-sine-qua-non-verband (hierna: ‘
csqn-verband’) tussen de gestelde onzorgvuldigheid aan de zijde van V&SH bij de
voorbereidingvan de graafwerkzaamheden en de schade van Evides (randnummers 4.50-4.61 hierna).
non sequiturof de aanwezigheid van materieel relevante tegenstrijdigheden), (iii) een afweging van feiten en omstandigheden die ook met (aanzienlijke) welwillendheid niet kan worden gevolgd, (iv) meer dan geringe twijfel ten aanzien van de vraag of, gelet op de inhoud van de motivering, een juiste rechtsopvatting tot uitgangspunt is genomen of (v) andere aspecten die meebrengen dat het oordeel ook met welwillendheid gelezen niet navolgbaar is. [80] Daarvoor volstaat niet het betoog dat het hof anders heeft geoordeeld dan eiser tot cassatie zint. Evenmin volstaat het betoog dat het hof niet uitdrukkelijk is ingegaan op een stelling van eiser tot cassatie; alleen het
daadwerkelijkvoorbijgaan aan
essentiëlestellingen kan een motiveringsgebrek opleveren. [81]
csqn-verband tussen beweerdelijke fouten van V&SH tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden en de schade van Evides (randnummers 4.50-4.61 hierna). Falen die klachten namelijk, dan kan vervolgens worden volstaan met een beoordeling van de klachten over de uitvoering van de graafwerkzaamheden (randnummers 4.37-4.49 hierna). Bij de overige klachten bestaat dan geen belang, [82] omdat zij niet tot een positiever resultaat voor Evides in deze procedure kunnen leiden. Wat mij betreft, leiden de klachten over genoemd
csqn-verband en de uitvoering van de graafwerkzaamheden inderdaad niet tot cassatie en bestaat bij de overige klachten geen belang. [83]
csqn-verband. Evides heeft slechts aangevoerd dat haar zaaksoverstijgend belang bij de cassatieprocedure is dat deze zaak “
model staat voor vele soortgelijke claims” en dat “[h]
et hof[de]
duidelijkheid[over de wijze waarop betrokkenen hun zorgplichten moeten naleven]
weer te grabbel[heeft]
gegooid”. [84] V&SH heeft dit belang betwist. [85] Ik meen dat Evides dit belang, ook gelet op de betwisting van V&SH, onvoldoende heeft onderbouwd. Uw Raad heeft met de recente arresten
Liander/ […]en
/Lianderde nodige duidelijkheid gegeven over de invulling van zorgplichten bij graafwerkzaamheden. [86] Daarin brengt het bestreden arrest geen verandering.
subonderdeel 2.1en
subonderdeel 2.2die zich richten tegen rov. 6.6 en 6.10 en er samengevat over klagen dat het hof:
randnummers 2.1en
2.1-I), faalt. Voor zover de klacht ervan uitgaat dat het hof “
onduidelijk” heeft gelaten van welke partij het hof de beweerdelijk onrechtmatige gedragingen heeft beoordeeld, mist de klacht feitelijke grondslag. Dit is immers glashelder. Het hof stelt eerst de verwijten die Evides V&SH maakt centraal (rov. 6.1-6.2). Daarna beoordeelt het hof onder andere grieven 2, 4 en 5 van Evides (rov. 6.11-6.32). Die grieven waren gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat V&SH niet onzorgvuldig heeft gehandeld en tegen de onderbouwing van de kantonrechter van dat oordeel. Het hof heeft die grieven verworpen en geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat V&SH in strijd met Richtlijn CROW 500 heeft gehandeld, ook gelet op het handelen dat volgens het hof van Evides mocht worden verwacht. Duidelijk is dus dat het hof heeft beoordeeld of V&SH onrechtmatig heeft gehandeld. Dat het hof bij deze beoordeling gewicht heeft toegekend aan wat volgens het hof van Evides mocht worden verwacht, betekent niet dat daarmee onduidelijk is van welke partij het hof de beweerdelijk onrechtmatige gedragingen heeft beoordeeld.
randnummers 2.1, 2.1-II, 2.1-III, zie ook de vergelijkbare klachten (tegen een andere rechtsoverweging) in
randnummers 2.2-XIen
2.2-XII). Deze klacht faalt, omdat die ruimte wel bestaat. Zie randnummers 3.1-3.15. Een ándere kwestie is of de rechter de zorgplichten van grondroerders en netbeheerders in het licht van het processueel debat met behulp van een begrijpelijke uitleg van Richtlijn CROW 500 begrijpelijk heeft ingevuld. Ook als de rechter bij de invulling van deze zorgplichten
explicietgewicht heeft toegekend aan kelderluikfactoren, hoeft dat niet steeds het geval te zijn.
randnummer 2.1-III, zie ook de vergelijkbare klachten (al dan niet tegen een andere rechtsoverweging) in
randnummers 2.2en
2.2-I). Deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, omdat het er terecht van uitgaat dat kelderluikfactoren verdisconteerd zijn in Richtlijn CROW 500. Ik verwijs naar wat ik hiervoor in randnummers 3.1-3.15 heb opgemerkt.
randnummers 2.1en
2.1-II). Ook deze klacht gaat niet op. Voor zover de klacht ervan uitgaat dat het hof heeft vastgesteld dat sprake is van een kelderluik
situatie, mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft niet vastgesteld dat in deze zaak sprake is van een situatie waarin een partij een gevaar in het leven heeft geroepen voor personen die mogelijk onvoldoende opletten (kelderluiksituatie). Het hof heeft geoordeeld dat kelderluik
factorenhet algemene toetsingskader vormen bij de aansprakelijkheid voor gedrag dat schade kan veroorzaken en ook een rol kunnen spelen bij de invulling van zorgplichten van grondroerders en netbeheerders. Het hof heeft dus niet vastgesteld dat hier feitelijk sprake is van een kelderluik
situatie.Het oordeel is ook gelet op wat ik hiervoor in randnummers 4.9-4.10 heb opgemerkt niet onterecht, ook niet als geldt dat het hof heeft vastgesteld of zou moeten hebben vaststellen dat in deze zaak geen sprake is van een kelderluik
situatie. Bij de beoordeling van de gedragingen van V&SH komt gewicht toe aan kelderluikfactoren (zie eveneens randnummers 4.9-4.10).
randnummer 2.2, zie ook de vergelijkbare klachten (tegen een andere rechtsoverweging) in
randnummers 2.2-IXen
2.2-XII), faalt, omdat deze klacht feitelijke grondslag mist. Het hof heeft in de door deze klacht bestreden overwegingen geen oordeel gegeven dat is gebaseerd op een eigen (redelijkheids)notie zoals kennelijk door de klacht wordt bedoeld. Het hof heeft een afweging van zorgplichten van partijen en in dat verband van kelderluikfactoren aan zijn oordeel ten grondslag gelegd.
randnummer 2.2, zie ook de vergelijkbare klacht (tegen een andere rechtsoverweging) in
randnummer 2.2-I), faalt. Juist is namelijk dat het hof zorgplichten
zelfheeft ingevuld. Die invulling moet het hof uiteraard in het licht van het processueel debat begrijpelijk motiveren, maar dat is wat anders. Ook uit het arrest
Liander/ […]volgt dat de rechter
zelfzorgplichten moet invullen. [87] Dat de rechter zorgplichten in beginsel met behulp van Richtlijn CROW 500 moet invullen, betekent niet dat de rechter dat in beginsel niet zelf doet. Een invulling van zorgplichten door de rechter aan de hand van Richtlijn CROW 500 is nog altijd een
eigeninvulling van de rechter.
subonderdeel 2.2,
subonderdeel 2.3en
subonderdeel 2.4, die zich richten tegen rov. 6.10 en 6.12-6.19, [88] en er samengevat over klagen dat het hof:
randnummers 2.2, 2.2-II, 2.2-III, 2.2-VII, 2.2-IX, 2.2-XIen
2.2-XII), falen, omdat zij feitelijke grondslag missen. Het hof heeft niet geoordeeld dat het is afgeweken van Richtlijn CROW 500 bij de beoordeling van gedragingen van V&SH. Het hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van niet-naleving van Richtlijn CROW 500 door V&SH (rov. 6.4, het kopje boven rov. 6.11 (“
Geen niet-naleving”), rov. 6.12, de eerste zin (“
ten overvloede” geen
csqn-verband) en de tweede zin van rov. 6.20 en rov. 6.32). Verder heeft het hof niet geoordeeld dat het bij de beoordeling van gedragingen van Evides is afgeweken van Richtlijn CROW 500 (vergelijk de laatste twee zinnen van rov. 6.13). Hiervan uitgaande was het voor het hof niet mogelijk en (dus) niet nodig om te motiveren dat het is afgeweken van Richtlijn CROW 500. Een ándere vraag is of het oordeel van het hof dat geen sprake is geweest van niet-naleving van Richtlijn CROW 500 door V&SH toereikend is gemotiveerd en (dus) niet onbegrijpelijk is. Voor zover de klachten beogen dit aan de orde te stellen, geldt dat ik daarop hierna inga.
randnummer 2.2-III), faalt. Het hof heeft vastgesteld dat het voor Evides wél duidelijk is geworden dat haar leiding in het te ontgraven tracé mede uit een haaks bochtstuk bestond. Het hof heeft die vaststelling onder andere gebaseerd op het feit dat het bochtstuk op een
door Evidesaan V&SH tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden verstuurde kaart zichtbaar was (rov. 6.17). Dat is niet onbegrijpelijk. Voor zover de klacht ervan uitgaat dat het hof heeft vastgesteld dat Evides op de hoogte is geraakt van het feit dat het haakse bochtstuk van haar leiding zich in het te ontgraven tracé bevond
doordatV&SH tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden
daadwerkelijk op het tracéhet bochtstuk
in de grond (met proefsleuven)heeft gelokaliseerd, mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft dit niet vastgesteld.
randnummer 2.2-IV). De klacht is tevergeefs voorgesteld. Het oordeel van het hof in rov. 6.13 komt erop neer dat de niet-trekvastheid een belangrijke reden is voor het bestaan van de zorgplicht van Evides om vanaf het moment dat Evides wist dat het bochtstuk in het graaftracé lag actief mee te denken over het gevaar van het losraken van het bochtstuk. [89] Het hof heeft in de kern geoordeeld dat op Evides de plicht rustte om actief mee te denken over het gevaar van het losraken van het bochtstuk vanaf het moment dat Evides wist dat het bochtstuk in het graaftracé lag, omdat het bochtstuk niet trekvast was aangelegd. Het hof is er van uitgegaan dat Evides wist dat waterleidingen in Nederland in beginsel niet trekvast zijn aangelegd. [90] Dat is geenszins onbegrijpelijk.
onderdelenzoals de vraag of een bochtstuk trekvast is (
randnummer 2.2-VI). Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft niet vastgesteld dat art. 11 lid 1 aanhef Pro en onder b WIBON erin voorziet dat een netbeheerder een grondroerder informeert over eigenschappen van net
onderdelenzoals de vraag of een bochtstuk trekvast is. Het hof heeft (terecht) overwogen dat de WION onder andere erin voorziet dat de netbeheerder informatie verstrekt over de ligging en relevante eigenschappen van kabels en leidingen (zie over deze verplichting in de WIBON uitgebreid randnummer 3.5 hiervoor). Dat heeft het hof vervolgens relevant geacht voor de onderbouwing van zijn oordeel in rov. 6.13 dat op Evides de plicht rustte om vanaf een bepaald moment actief mee te denken over het gevaar van het losraken van het bochtstuk. Dáárop richt de klacht zich niet.
randnummer 2.2-XI). Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft vastgesteld dat de haakse bocht voor Evides zichtbaar was op de
door Evidesin reactie op de graafmelding bij brief verschafte kaart. Daaruit heeft het hof afgeleid dat het voor Evides duidelijk was dat haar leiding in het graaftracé een haakse bocht maakte. Dat Evides
daarvóóral op de hoogte was van het feit dat haar leiding zich in het te ontgraven tracé bevond, maar toen
wellichtnog niet op de hoogte was van het feit dat het bochtstuk zich in het te ontgraven tracé bevond, heeft het hof ook vastgesteld (zie rov. 6.14-6.17). Onbegrijpelijk is dat alles niet. Het betoog van Evides in haar procesinleiding dat bij het verstrekken van de kaart geen mensen betrokken waren en dat daarom op dat moment voor Evides niets zichtbaar was op de kaart kan haar niet baten omdat Evides niet vermeldt dat en waar in feitelijke instanties een beroep is gedaan op deze stelling. [91] In zoverre voldoet de klacht niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen. [92] Maar ook als de stelling dat bij het verstrekken van de kaart door Evides geen mensen waren betrokken juist zou zijn, maakt dit de overweging van het hof niet onbegrijpelijk.
randnummer 2.2-XI), deelt hetzelfde lot, en is dus ook tevergeefs voorgesteld. Voor zover de klacht ervan uitgaat dat het hof in rov. 6.17 heeft vastgesteld dat voor één of beide partijen op 27 augustus 2018 meer duidelijk was dan op 29 maart 2018, mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 6.17 vastgesteld dat het voor Evides “
uiterlijk” op 27 augustus 2018 duidelijk was dat het haakse bochtstuk van haar leiding zich in het graaftracé bevond. Rov. 6.17 is op zichzelf niet onterecht en niet onbegrijpelijk. Zie voor een nadere motivering hiervan randnummer 4.27 hierna.
randnummers 2.2-II, 2.2-III, 2.2-V, 2.2-VII, 2.2-VIII, 2.2-IX, 2.2-X, 2.2-XIen
2.2-XII):
kunnenaandragen ter voorkoming van eventuele schade aan de leiding van Evides of anderszins daarover tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden had
kunnenmeedenken, falen zij omdat deze vaststelling niet onbegrijpelijk is. Uit het bestreden arrest volgt namelijk onder meer dat het hof heeft vastgesteld of ervan is uitgegaan (1) dat Evides ervan op de hoogte was dat waterleidingen in Nederland in beginsel niet trekvast worden aangelegd, [93] (2) dat Evides tijdens de voorbereiding en de uitvoering van de graafwerkzaamheden op de hoogte is geweest van de graafwerkzaamheden van V&SH, en dat Evides vanaf 29 maart 2018 wist dat volgens informatie bij Evides (en later ook volgens het werkplan van V&SH) een leiding van Evides zich in het te ontgraven tracé bevond en (4) dat het voor Evides tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden uiterlijk op 27 augustus 2018 duidelijk was dat het bochtstuk van Evides’ leiding zich in het te ontgraven tracé bevond. Daarom is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft vastgesteld dat Evides op verschillende momenten, ook tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden, in communicatie met V&SH beheersmaatregelen had
kunnenaandragen of anderszins over voorkoming van schade had
kunnenmeedenken. Dat dit kennelijk volgens het hof niet anders is in het geval dat V&SH tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden bepaalde [94] handelingen niet heeft verricht, zoals het
daadwerkelijk op het tracé in de grond (met proefsleuven)lokaliseren van de leiding en het bochtstuk, kan ik volgen. Verder is mijns inziens niet onbegrijpelijk dat het hof in het feit dat partijen pas zeker wisten dat het bochtstuk niet trekvast was nadat het bochtstuk was vrijgelegd geen reden heeft gezien om anders te oordelen.
actief mee te denkenover het gevaar van het losraken van het bochtstuk vanaf het moment dat het voor Evides duidelijk was dat het bochtstuk van haar leiding zich in het te ontgraven tracé bevond omdat het bochtstuk niet trekvast was aangelegd (rov. 6.13), falen de klachten, omdat dit oordeel niet onterecht en niet onbegrijpelijk is. Daartoe acht ik het volgende redengevend. Het arrest
Liander/ […], de WIBON en Richtlijn CROW 500 gaan er inderdaad van uit dat op netbeheerders zorgplichten rusten om graafschade te voorkomen, onder meer door te communiceren met grondroerders (zie randnummers 3.3-3.15 hiervoor). [95] In tegenstelling tot wat de klachten lijken te veronderstellen, is dat niet anders omdat
tegelijkertijd ookop grondroerders zorgplichten rusten, bijvoorbeeld om te communiceren met netbeheerders. Dat op netbeheerders een plicht kan rusten om in contact te treden met grondroerders om schade te voorkomen, vindt ook steun in de feitenrechtspraak en in de parlementaire geschiedenis van de WION (randnummers 3.3-3.9 hiervoor). De door het hof vastgestelde plicht van Evides is daarnaast beperkt qua inhoud en daarom al gauw gerechtvaardigd. De plicht strekt immers niet verder dan tot actief meedenken, en enkel vanaf een bepaald moment. Het hof heeft het bestaan van deze plicht van Evides bovendien niet onbegrijpelijk gemotiveerd met de vaststelling dat het bochtstuk niet trekvast was uitgevoerd [96] en met een verwijzing naar de inhoud van Richtlijn CROW 500 die passages bevat over het belang van samenwerking en over plichten van netbeheerders om informatie te verschaffen (zie rov. 3.2 en randnummer 1.3 hiervoor, in het bijzonder de tekst bij hoofdstuk 1 van Richtlijn CROW 500). [97] Voor zover de klachten ervan uitgaan dat de inhoud van de vastgestelde plicht in strijd is met de inhoud van Richtlijn CROW 500, missen zij dus feitelijke grondslag. Verder draagt bij aan de begrijpelijkheid dat het hof heeft verwezen naar kelderluikfactoren en de algemene afweging van zorgplichten die Uw Raad in het arrest
Liander/ […]relevant acht voor de regeling van aansprakelijkheid voor graafschade en de invulling van de maatschappelijke zorgvuldigheid in dit verband (randnummers 3.3-3.9, 3.11-3.12 en 3.14 hiervoor). Dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is, wordt ten slotte bevestigd door de aangehaalde passages van de Evides-richtlijnen in rov. 3.7 die inhouden (1) dat overleg met Evides nodig en/of noodzakelijk kan zijn, (2) dat bij het graven in de nabijheid van bochten altijd voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen en (3) dat veel leidingen niet trekvast zijn uitgevoerd (vergelijk ook rov. 6.17 van het bestreden arrest).
moetenvoorstellen dan het doelmatig ophangen van de leiding van Evides, dat Evides deze plicht of verantwoordelijkheid heeft
geschondenen dat Evides in algemene zin het moment om mee te denken over het losraken van het bochtstuk
normschendendheeft gemist doordat Evides geen andere beheersmaatregelen bij V&SH heeft aangedragen en ook niet met V&SH heeft meegedacht over het losraken van het bochtstuk, missen de klachten feitelijke grondslag. Het hof heeft dat niet geoordeeld. Het hof heeft wél geoordeeld dat op Evides de plicht rustte om
actief mee te denkenover het gevaar van het losraken van het bochtstuk vanaf het moment dat het voor Evides duidelijk was dat het bochtstuk van haar leiding zich in het te ontgraven tracé bevond (rov. 6.13, 6.16-6.17 en 6.19). Het hof heeft verder geoordeeld dat het “
op de weg van” Evides had gelegen om zich in reactie op het werkplan te melden bij V&SH “
als” Evides (andere) beheersmaatregelen van V&SH had gewild (rov. 6.16), maar daarin is geen verplichting te lezen. Van een schending kan daarom ook geen sprake zijn. Omdat het hof deze verantwoordelijkheid van V&SH afleidt uit een niet onbegrijpelijke en niet onterechte afweging van kelderluikfactoren en zorgplichten (zie over dat laatste nader randnummers 4.9-4.10 en 4.24), is ook niet onbegrijpelijk of onterecht dat het hof het bestaan van deze verantwoordelijkheid heeft vastgesteld. [98] Verder heeft het hof niet in algemene zin geoordeeld dat Evides het moment om mee te denken over het losraken van het bochtstuk normschendend heeft gemist. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.
op de weg van” Evides had gelegen om zich in reactie op het toegestuurde werkplan te melden bij V&SH “
als” Evides (andere) beheersmaatregelen van V&SH had gewild, onbegrijpelijk is in het licht van Evides’ betoog dat er voor haar geen aanleiding bestond om andere beheersmaatregelen aan te dragen dan het doelmatig ophangen van de leiding omdat het doelmatig ophangen van de leiding voldoende was en omdat het drukloos stellen van de leiding uiterst bezwaarlijk was. Dit maakt de overweging van het hof dat het op de weg van Evides had gelegen om in reactie op het toegestuurde werkplan andere beheersmaatregelen aan te dragen als Evides die had gewild, niet onbegrijpelijk. Integendeel: ervan uitgaande dat er geen aanleiding voor Evides bestond voor andere beheersmaatregelen dan het doelmatig ophangen van de leiding omdat het doelmatig ophangen van de leiding voldoende was, ligt het (nog meer) voor de hand dat V&SH niet uit eigen beweging andere beheersmaatregelen hoefde aan te dragen, maar dat dit op de weg van Evides lag als zij toch andere beheersmaatregelen had gewild.
op de weg van” Evides had gelegen om actief in contact te treden met V&SH over het bochtstuk “
wilde” Evides schade voorkomen aan het bochtstuk en dat het “
op de weg van” Evides had gelegen om specifieke incidentpunten te bespreken tijdens de besprekingen van 31 augustus 2018 [99] en 11 september 2018 (rov. 6.17 en 6.19), onterecht en/of onbegrijpelijk zijn, falen de klachten. Aan deze oordelen ligt ten grondslag de hiervoor besproken plicht van Evides om actief mee te denken over het gevaar van het losraken van het bochtstuk vanaf het moment dat het voor Evides duidelijk was dat het bochtstuk van haar leiding zich in het te ontgraven tracé bevond. Zoals gezegd is het oordeel van het hof over die plicht niet onterecht en evenmin onbegrijpelijk (randnummer 4.24 hiervoor). Wat ik hiervoor opmerkte in randnummer 4.26 geldt
mutatis mutandisook voor de hier in randnummer 4.27 besproken oordelen in rov. 6.17 en 6.19.
randnummer 2.3-I). Deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft vastgesteld dat V&SH onweersproken heeft aangevoerd dat V&SH de locatie van de leiding van Evides
op de leidingbeheerkaartenheeft gelokaliseerd (rov. 6.15). Onbegrijpelijk is deze vaststelling niet: het hof heeft begrijpelijk overwogen dat V&SH de leidingbeheerkaarten heeft opgevraagd, dat V&SH daarna de leiding van Evides
op de leidingbeheerkaartenheeft gelokaliseerd, en dat V&SH die leidingbeheerkaarten heeft gebruikt voor haar werkplan. De stellingen van Evides die zij tijdens de pleidooizitting heeft ingenomen en waarnaar Evides in de klacht verwijst, weerspreken niet dat V&SH de leiding van Evides
op de leidingbeheerkaartenheeft gelokaliseerd. [100] De klacht dat Evides dit wel zou hebben weersproken, mist daarom feitelijke grondslag. Voor zover de klacht ervan uitgaat dat het hof heeft vastgesteld dat V&SH onweersproken heeft aangevoerd dat V&SH tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden
daadwerkelijk op het tracéde leiding van Evides
in de grond (met proefsleuven)heeft gelokaliseerd, mist de klacht eveneens feitelijke grondslag. Het hof heeft dit namelijk niet vastgesteld.
randnummer 2.3-II), deelt hetzelfde lot als dat van de vorige klacht. De klacht voert aan dat bij tijdig lokaliseren de ligging van de leiding op voorhand zou zijn vastgesteld en de schade zou zijn voorkomen. Daargelaten of deze stelling in feitelijke instanties is ingenomen, is het ook in het licht van deze stelling niet onbegrijpelijk dat het hof heeft vastgesteld dat het probleem niet is geweest dat V&SH een leiding heeft geraakt waarvan de exacte positie onduidelijk was. Het hof heeft vastgesteld dat partijen tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden wisten dat de leiding van Evides in het graaftracé lag. Het hof heeft ook vastgesteld dat V&SH de leiding van Evides in de uitvoeringsfase bewust heeft vrijgelegd zodat deze leiding doelmatig kon worden gefixeerd. Pas daarna is de leiding ontgraven. Volgens het hof heeft er zich in dit geval dus geen situatie voorgedaan waarin de grondroerder zich niet bewust was van de aanwezigheid van een leiding en waarin de grondroerder die leiding tijdens de graafwerkzaamheden onbewust heeft geraakt en beschadigd.
randnummers 2.2-X, 2.2-XII, 2.2-XIV, 2.4-Ien
2.4-II, zie ook de vergelijkbare klachten (al dan niet tegen een andere rechtsoverweging) in
randnummers 2.2-II, 2.2-V, 2.2-XI, 2.3-IIen
2.5-I). Deze klachten kunnen om de volgende redenen niet tot cassatie leiden.
subonderdeel 2.2en
subonderdelen 2.6-2.9, die zich richten tegen rov. 6.22, 6.24.1. en 6.28-6.31.2., en er samengevat over klagen dat het hof:
randnummer 2.6). Het hof heeft geoordeeld dat Evides in eerste aanleg de inhoud van de instructie van [betrokkene 1] zoals V&SH die heeft verwoord gerechtelijk heeft erkend (rov. 6.24.1.). In hoger beroep heeft Evides gesteld dat de instructie van [betrokkene 1] slechts “
De bocht moest aanvullend in alle richtingen gefixeerd worden” heeft ingehouden, in plaats van “
De bocht moest aanvullend in alle richtingen gefixeerd worden middels spanbanden en afschoring met een houten paal tegen het bovenliggende draglineschot”, zoals V&SH de instructie in feitelijke instanties heeft verwoord (rov. 6.24.1.).
csqn-verband staan met de schade overeind. De andere klachten over het oordeel van het hof dat niet is komen vast te staan dat V&SH bij de uitvoering van de graafwerkzaamheden fouten heeft gemaakt die in
csqn-verband staan met de schade leiden namelijk hoe dan ook niet tot cassatie (zie randnummers 4.42-4.49 hierna). Evides’ klacht over de gerechtelijke erkentenis kan dat oordeel niet aantasten, ook niet indirect. Ook andere oordelen in het bestreden arrest worden niet geraakt als vast komt te staan dat de instructie van [betrokkene 1] luidde zoals Evides die in hoger beroep heeft verwoord. Voor de beoordeling van de klachten over die oordelen is de juistheid van de beweerdelijk gerechtelijk erkende stelling niet doorslaggevend (zie randnummers 4.7-4.35 en 4.50-4.61). Kortom: deze klacht kan Evides niet in een gunstigere positie brengen.
uitdrukkelijk” moet zijn gedaan, en dus niet impliciet of stilzwijgend mag volgen uit gedragingen of verklaringen van een partij. [108]
ter adstructie van de (…) uitvoering van haar werkzaamheden” verwezen naar productie 1 en de kantonrechter verzocht de inhoud daarvan als woordelijk herhaald en ingelast te lezen. De erkende stelling is terug te lezen op p. 5 van productie 1. [109] Verder heeft V&SH in randnummers 12., 29.-30., 38., 40. en 45. van de conclusie van antwoord nog een aantal malen expliciet gerefereerd aan de betrokkenheid van [betrokkene 1] en de (gestelde) goedkeuring door [betrokkene 1] van de door V&SH op het tracé getroffen maatregelen. [110] Tijdens de comparatie van partijen en in haar conclusie van repliek heeft Evides vervolgens de inhoud van de erkende stelling geciteerd en als onderdeel opgenomen in een juridisch betoog. [111] Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat Evides daarmee een eerder ingenomen stelling van V&SH gerechtelijk heeft erkend. [112] Overigens heeft V&SH ook in hoger beroep de erkende stelling ingenomen. [113]
randnummer 2.7-I), faalt. Voor zover de klacht ervan uitgaat dat het hof in rov. 6.22 heeft vastgesteld dat de instructie van [betrokkene 1] ‘houtje-touwtje’ was, mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 6.22 niet vastgesteld dat de instructie van [betrokkene 1] ‘houtje-touwtje’ was. Het hof heeft hier overwogen
dat Evides heeft gestelddat de ‘houtje-touwtje’ instructie van [betrokkene 1] zou zijn voorkomen als het bochtstuk tijdens de voorbereiding van graafwerkzaamheden correct was gelokaliseerd. Voor zover de klacht opkomt tegen de juistheid van deze karakterisering van Evides’ stellingen, geldt het volgende. Ook als het zo is dat het hof uit de stellingen van Evides niet mocht afleiden dat Evides heeft aangevoerd dat
de instructie‘houtje-touwtje’ was, [114] kan de klacht niet tot cassatie leiden. Bij deze klacht bestaat namelijk geen belang, omdat de kwalificatie ‘houtje-touwtje’ in de beschrijving van de stellingen van Evides niet dragend is voor het oordeel in rov. 6.20-6.27 dat kort gezegd geen sprake is van een
csqn-verband.
randnummer 2.7-II). Mijns inziens heeft het hof niet onbegrijpelijk overwogen dat het aanbrengen van de diagonale spanbanden een horizontale fixatie oplevert. Dat deze wijze van fixatie tegelijkertijd een opgaande fixatie oplevert, maakt niet dat deze fixatie geen horizontale fixatie oplevert.
randnummer 2.7-III), faalt ook. De klacht gaat ervan uit dat het hof heeft vastgesteld dat het bochtstuk in beide situaties op gelijke wijze is gefixeerd. Maar dat heeft het hof niet vastgesteld. Het hof heeft vastgesteld dat in beide situaties de spanbanden op dezelfde wijze zijn aangebracht, namelijk: “
zonder zichtbare sleufbekisting”. Wat dus overeenkomt, is het gebrek aan zichtbare sleufbekisting bij de aangebrachte spanbanden. De klacht mist feitelijke grondslag.
randnummer 2.8), moeten wat mij betreft verworpen worden. Deze klachten richten zich tegen rov. 6.30 waarin het hof heeft overwogen dat Evides niet heeft gesteld dat deze stok tot de schade aan de leiding heeft geleid, dat deze stok op instructie van [betrokkene 1] is aangebracht en niet bovenop de leiding kan staan, en dat op een foto van de fixeermaatregelen voldoende zichtbaar is dat de stok achter de leiding langs loopt.
ten overvloede” gespeculeerd over wat er na de instructie van [betrokkene 1] voor heeft gezorgd dat er schade is ontstaan aan de leiding. [115] In dat kader heeft Evides eventuele gevolgen van het plaatsen van de stok besproken. Gelet op de speculatieve aard hiervan kon het hof, zoals het heeft gedaan, hieraan voorbijgaan. Ik begrijp het oordeel van het hof zo dat het voorbijgaat aan het verwijt van Evides dat het plaatsen van de stok onzorgvuldig was, omdat niet voldoende is gesteld dat het plaatsen daarvan in causaal verband staat met de schade aan de leiding. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet. Waar de klachten stellen dat het voor Evides voldoende is om
mogelijkeoorzaken te stellen, gaan de klachten uit van een onjuiste rechtsopvatting.
opde leiding moet zijn geplaatst. Evides vermeldt bij deze stelling in haar procesinleiding niet dat en waar in feitelijke instanties zij een beroep heeft gedaan op deze stelling. [117] In zoverre voldoen de klachten niet aan de aan cassatieklachten te stellen eisen. Maar ook als het juist is dat dit de functie was van de stok, is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat de stok niet op de leiding kan staan en dat op de foto voldoende zichtbaar is dat de stok achter de leiding langsloopt. Niet-onbegrijpelijk is tevens dat (ook) op deze wijze sprake kan zijn van afschoring van de waterleiding, omdat de stok op deze manier achter de leiding steun biedt. Kennelijk is dat de functie van de stok geweest. Voorts bestaat bij de klacht tegen de feitelijke vaststelling van de wijze waarop de stok volgens de foto is aangebracht geen belang, omdat V&SH niet heeft gesteld dat de stok de oorzaak van de schade is geweest (randnummer 4.46 hiervoor).
randnummer 2.2-XIII). Ook deze klacht faalt. Deze klacht mist feitelijke grondslag voor zover de klacht ervan uitgaat dat het hof heeft vastgesteld dat het hof in rov. 6.31.1. een
plichtvoor Evides heeft vastgesteld. Het hof heeft in rov. 6.31.1. niet geoordeeld dat op Evides een zorg
plichtrustte om [betrokkene 1] of een andere vertegenwoordiger van Evides bij de uitvoering van de instructie van [betrokkene 1] aanwezig te laten zijn. Het hof heeft dus ook geen plicht aan Evides opgelegd die niet is gebaseerd op Richtlijn CROW 500 of daarmee in strijd is. Het hof heeft in rov. 6.31.1. geoordeeld dat de gevolgen van de afwezigheid van [betrokkene 1] voor rekening van Evides komen. Ik versta dit oordeel zo dat het hof heeft geoordeeld dat op V&SH geen zorgplicht rustte om zelfstandig de instructie van [betrokkene 1] net zo goed na te leven als V&SH zou hebben gedaan in het geval dat [betrokkene 1] wél toezicht had gehouden op de uitvoering van zijn instructie. Met andere woorden: voor zover V&SH mét toezicht van [betrokkene 1] de instructie beter zou hebben uitgevoerd dan dat zij daadwerkelijk heeft gedaan en voor zover Evides daardoor minder of geen schade zou hebben geleden, is V&SH voor dat verschil
nietaansprakelijk. V&SH was volgens het hof eenvoudigweg niet verplicht tot het leveren van dezelfde kwaliteit van uitvoering als de betere kwaliteit van uitvoering die V&SH mét toezicht van [betrokkene 1] mogelijk zou hebben bereikt. Het hof heeft deze beoordeling van de zorgplicht van V&SH verder niet onbegrijpelijk gemotiveerd met een afweging van kelderluikfactoren en met het toekennen van gewicht aan wat bezwaarlijk is voor Evides (zie nader randnummers 3.1-3.9 en 4.9-4.10 hiervoor). Volledigheidshalve merk ik nog op dat bij deze klacht geen belang bestaat als de klachten van Evides over rov. 6.28-6.30 falen. De overwegingen van het hof in rov. 6.31-6.31.2. zijn immers overwegingen ten overvloede. Ik meen inderdaad dat de klachten over rov. 6.28-6.30 falen.
randnummer 2.9). Deze klacht kan niet tot cassatie leiden. Evides heeft geen belang bij deze klacht. De door het hof opgeworpen vraag draagt namelijk niet zijn oordeel in rov. 6.28-6.32 dat V&SH’s uitvoering van de instructie van [betrokkene 1] niet een grond is voor aansprakelijkheid van V&SH. Volgens het hof is de vraag of [betrokkene 1] aanwezig was niet relevant voor beantwoording van de vraag of V&SH’s uitvoering van de instructie van [betrokkene 1] een grond voor aansprakelijkheid is (rov. 6.31-6.31.2.). Volledigheidshalve merk ik op dat een tweede grond voor gebrek aan belang bij deze klacht aan de orde is als de klachten van Evides over rov. 6.28-6.30 niet slagen. De overwegingen van het hof in rov. 6.31-6.31.2. zijn immers overwegingen ten overvloede. De klachten over rov. 6.28-6.30 slagen naar mijn mening inderdaad niet.
subonderdeel 2.5, randnummers 2.5-I tot en met 2.5-VII, die zich richten tegen rov. 6.4 en rov. 6.20-6.27 en er samengevat over klagen dat het hof:
csqn-verband heeft gemotiveerd en ten onrechte grief 1 heeft verworpen (randnummer 2.5-I);
csqn-verband bestaat tussen de verweten normschendingen tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden en de schade (randnummers 2.5-I, 2.5-III en 2.5-IV);
randnummer 2.5-II). Deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Voor zover de klacht ervan uitgaat dat het hof niet heeft onderzocht of een
csqn-verband bestaat tussen de schade en beweerdelijke fouten
tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden, mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 6.20-6.27 beoordeeld of beweerdelijke fouten tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden in
csqn-verband staan met de schade. Daarvoor heeft het hof relevant geacht welke maatregelen daadwerkelijk op het tracé zijn getroffen en welke maatregelen zouden zijn getroffen als die beweerdelijke fouten niet zouden zijn gemaakt. Dat is niet onbegrijpelijk.
randnummer 2.5-V), delen hetzelfde lot als dat van de vorige klacht. Volgens Evides zou sleufbekisting zijn voorgeschreven tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden als V&SH in die fase de beweerdelijke fouten niet had gemaakt. Blijkens de overweging van het hof is volgens het hof niet komen vast te staan dat [betrokkene 1] in de situatie die zich daadwerkelijk heeft voorgedaan niet ook het aanbrengen van sleufbekisting had kunnen adviseren. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof dit relevant heeft geacht voor zijn oordeel dat V&SH voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Evides tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden dezelfde fixeermaatregel zou hebben voorgeschreven als de fixeermaatregel die volgt uit de instructie van [betrokkene 1] .
niet destijds is geadviseerd”. [119] De klachten gaan ervan uit dat V&SH met “
destijds” heeft gedoeld op besprekingen tussen Evides en V&SH tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden. Mijns inziens is het hof er niet onbegrijpelijk van uitgegaan dat V&SH met “
destijds” het moment heeft bedoeld waarop [betrokkene 1] zijn instructie heeft gegeven. De lezing van het hof vindt steun in het feit dat V&SH tijdens datzelfde pleidooi ook op andere momenten heeft gerefereerd aan het “
adviseren” van beheersmaatregelen
door [betrokkene 1] tijdens de uitvoeringsfase. [120] Dat het hof dit partijdebat verder zo heeft uitgelegd dat V&SH heeft aangevoerd dat zonder beweerdelijke fouten tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden toen dezelfde fixatiemaatregelen zouden zijn voorgeschreven (rov. 6.24), is mijns inziens niet onbegrijpelijk.
randnummer 2.5-VI). Ook deze klacht moet worden verworpen. Voor zover de klacht ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat [betrokkene 1] het drukloos stellen niet had mogen weigeren of dat [betrokkene 1] had moeten vragen aan V&SH om te wachten met het ontgraven van de leiding totdat Evides de leiding drukloos had gesteld, mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft dit niet geoordeeld. Het hof heeft in deze overweging vastgesteld dat het drukloos stellen van de leiding
bewustniet is gebeurd. Dit gegeven heeft het hof gebruikt ter onderbouwing van zijn oordeel dat een
csqn-verband tussen beweerdelijke fouten tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden en de schade niet is komen vast te staan. Kennelijk hebben volgens het hof de beweerdelijke fouten van V&SH tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden er niet toe geleid dat het drukloos stellen van de leiding achterwege is gebleven. Of het drukloos stellen van de leiding de schade zou hebben voorkomen, kon daarom in het midden blijven. [121]
csqn-verband heeft gemotiveerd en de klacht dat het hof ten onrechte grief 1 heeft verworpen (
randnummer 2.5-I). Voor zover deze klachten ervan uitgaan dat het hof ten onrechte grief 1 heeft verworpen, falen de klachten, omdat dit niet onterecht of onbegrijpelijk is. Met grief 1 betoogde Evides dat Richtlijn CROW 500 van toepassing was op de graafwerkzaamheden van V&SH. Het hof heeft die grief in rov. 6.4 verworpen met de overweging dat V&SH niet aansprakelijk is in het geval dat veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat Richtlijn CROW 500 van toepassing is (rov. 6.3-6.4). Het hof heeft uitgebreid gemotiveerd waarom V&SH ook in dat geval niet aansprakelijk is (rov. 6.11-6.27). Evides had volgens het hof dus kennelijk geen belang bij grief 1. Voor zover deze klachten ervan uitgaan dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom een
csqn-verband afwezig is, falen de klachten ook. De klachten missen in zoverre feitelijke grondslag. Het hof heeft die motivering wel gegeven (rov. 6.20-6.27). Het hof heeft naar die motivering verwezen in rov. 6.4. Anders dan de klachten stellen, maakt het feit dat het hof die motivering heeft gekwalificeerd als overwegingen ten overvloede niet dat het hof geen motivering heeft gegeven.
csqn-verband is komen vast te staan tussen de verweten normschendingen tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden en de schade (
randnummers 2.5-I, 2.5-IIIen
2.5-IV). Dit oordeel is niet onterecht en ook niet onbegrijpelijk. De klachten falen. Ik licht dat toe.
csqn-verband tussen een onrechtmatige daad en schade aangenomen, “
tenzij degene die wordt aangesproken bewijst – waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt – dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging (…) zou zijn ontstaan”. [122] De aangesproken partij ontkomt dus pas aan de werking van de omkeringsregel als zij het vermoeden van het
csqn-verband heeft ontkracht door aannemelijk te maken dat de schade ook zonder de onrechtmatige daad zou zijn ontstaan. [123] Dat Uw Raad overweegt dat de aangesproken partij aan de werking van de omkeringsregel ontkomt als zij “
bewijst” dat de schade ook zonder de onrechtmatige daad zou zijn ontstaan, betekent niet dat een aangesproken partij het vermoeden van een
csqn-verband pas kan ontkrachten nadat zij een bewijsopdracht heeft gekregen. Onder omstandigheden kan het gelet op (met producties) onderbouwde stellingen van partijen voor de rechter duidelijk zijn dat de aangesproken partij aannemelijk heeft gemaakt dat de schade ook zonder de onrechtmatige daad zou zijn ontstaan.
csqn-verband en heeft daarbij het hiervoor genoemde regime niet miskend. In de kern komt dit oordeel erop neer dat V&SH aannemelijk heeft gemaakt dat dezelfde maatregelen zouden zijn getroffen om schade aan het bochtstuk te voorkomen als V&SH de beweerdelijke fouten tijdens de voorbereiding niet had gemaakt. Daarin ligt besloten dat V&SH aannemelijk heeft gemaakt dat de schade ook zonder die beweerdelijke fouten zou zijn ontstaan. Het hof heeft ook geen rechtsregel miskend door van Evides te verlangen dat zij nader moest onderbouwen dat door haar afdeling
asset managementniet dezelfde maatregelen zouden zijn voorgeschreven als de beweerdelijke fouten van V&SH tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden niet hadden plaatsgevonden. [124] V&SH had daarvoor kennelijk voldoende aangevoerd in het kader van het door haar te leveren tegenbewijs.
asset managementandere maatregelen zou hebben voorgeschreven als V&SH de beweerdelijke fouten tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden niet had gemaakt. Het oordeel van het hof dat Evides dit in het licht van de stellingen van V&SH onvoldoende heeft onderbouwd, is anders dan de klachten aanvoeren niet onbegrijpelijk. Het is ook niet onbegrijpelijk dat het hof relevant heeft geacht voor zijn oordeel dat [betrokkene 1] ,
een vertegenwoordiger van Evides, bij de uitvoering van de graafwerkzaamheden zelf maatregelen kon voorschrijven om schade te voorkomen en zelf heeft gekozen voor bepaalde maatregelen (zie ook randnummers 4.51-4.52 en 4.54 hiervoor). Dat roept inderdaad de vraag op waarom Evides wél andere maatregelen zou hebben voorgeschreven als de beweerdelijke fouten van V&SH tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden niet hadden plaatsgevonden.
nietvan toepassing is. Het hof heeft veronderstellenderwijs aangenomen dat de omkeringsregel van toepassing is en heeft over de toepasselijkheid van de omkeringsregel dus geen beslissing genomen. In het geval dat de omkeringsregel toepassing mist, [125] volgt uit het oordeel van het hof dat Evides niet voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een
csqn-verband tussen beweerdelijke fouten tijdens de voorbereiding van de graafwerkzaamheden door V&SH en de schade van Evides.
randnummer 2.5-VII), faalt. Het hof heeft niet onterecht en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het
csqn-verband tussen beweerdelijke fouten tijdens de voorbereiding van V&SH en de schade van Evides niet is komen vast te staan. Daarop stuit deze klacht af.