Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verklaringen van de aangeefster niet betrouwbaar zijn zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid.
tweede middelbehelst de klacht dat de aan de verdachte opgelegde straf onbegrijpelijk is, althans niet toereikend is gemotiveerd.
Op te leggen sanctie
first offenderen [lijdt] hij aan een chronische darmziekte, hetgeen hem in de gevangenis zal opbreken. De raadsman heeft voorts nog aangevoerd dat verdachte niet wist dat het slachtoffer een 16-jarige, kwetsbare vrouw betrof die in de [A] verbleef en dat verdachte niet dreigend of agressief is geweest of geweld heeft gebruikt. Bovendien gaat het om een feit van meer dan vier jaar geleden en zijn, gelet op de verklaring van de moeder van aangeefster en van [betrokkene 1], de gevolgen voor aangeefster beperkt gebleven, aldus de raadsman.
derde middelklaagt dat de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij wat de materiële schade ter zake van een “BH en Adidas T-shirt” ter waarde van € 50,- betreft onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Totaal: € 137,72Immaterieel: € 1.500,00
De verdediging heeft de vordering in hoger beroep betwist. […] Voorts dient eveneens de materiele post BH en Adidas T-shirt ad. € 50,00 te worden afgewezen, nu deze goederen in beginsel kunnen worden teruggegeven aan de benadeelde.
Materiële schade
NJ2019/378 erop dat het criterium van rechtstreekse schade in de eerste plaats een ontvankelijkheidscriterium is dat bijvoorbeeld gesubrogeerde verzekeraars en zelfstandige regresgerechtigden buiten de deur houdt. Indien de benadeelde partij in haar vordering kan worden ontvangen, komt voor vergoeding overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW Pro aan de verdachte kan worden toegerekend. [8] Aan het oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige gedraging en de schade worden bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij dus geen andere eisen gesteld dan die welke in het materiële burgerlijk recht gelden. [9]
NJ1999/801 konden de door de benadeelde partij gemaakte inschrijvingskosten voor een woning die “uit de buurt” stond van de wegens mishandeling veroordeelde verdachte aan de verdachte worden toegerekend. Kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt om het gepleegde strafbare feit aan het licht te brengen zijn volgens HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7077,
NJ2008/468, m.nt. Borgers te brengen onder het begrip rechtstreekse schade. In lijn daarmee kunnen ook kosten die in het kader van onderzoek naar het strafbare feit door een ingeschakeld bedrijfsrecherchebureau zijn gemaakt, waaronder de personeelskosten, als rechtstreekse schade worden aangemerkt, aldus HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5333. Ten slotte noem ik HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2576. In die zaak bleef het oordeel dat de door de benadeelde partij ter vervanging van een cilinderslot geleden schade in zodanig nauw verband stond met de bewezenverklaarde diefstal met braak – na de braak bleken onder meer de huissleutels weg te zijn –, dat de kosten van die vervanging redelijkerwijs konden worden aangemerkt als rechtstreeks aan de benadeelde partij toegebrachte schade.
condicio sine qua non-verband besloten: zonder het bewezenverklaarde handelen van de verdachte zou er geen ‘negatieve lading’ aan die kledingstukken hebben gekleefd, zou de benadeelde partij daarvan geen afstand hebben gedaan en zou er geen schade als gevolg van het verlies van de zaak zijn ontstaan. Voorts heeft het hof overwogen dat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Aldus heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de schade in zodanig verband staat met het bewezenverklaarde feit, dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, als gevolg van dit feit aan de verdachte kan worden toegerekend. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet, anders dan de steller van het middel meent, niet af dat de schade samenhangt met de
doorhet bewezenverklaarde feit ingegeven beslissing van de benadeelde partij om afstand te doen van de kledingstukken. [14]