Conclusie
Nummer19/05905
Het cassatieberoep
De middelen
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het bij pleidooi gedane verzoek om [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] als getuigen te horen op onjuiste gronden heeft afgewezen, althans zijn afwijzende beslissing onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
De raadsman heeft het verzoek gedaan tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] voor het geval het hof zou twijfelen omtrent de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard. Het hof wijst dat verzoek af. Gegeven de door de raadsman aan dit verzoek ten grondslag gelegde motivering ontbreekt naar het oordeel van het hof de noodzaak tot het horen van deze getuigen, nu de door de raadsman aan het verzoek verbonden voorwaarde niet in vervulling is gegaan.”
tweede middelkomt op tegen de bewezenverklaring, voor zover zij inhoudt dat de daarin genoemde geldbedragen en auto’s afkomstig uit enig misdrijf zijn.
- geldbedragen
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en/of heeft omgezet
terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden, dat die auto’s en die geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren.”
NJ2019/298 tot uitgangspunt heeft genomen. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf, wanneer het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een “concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring” geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Dit houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte een dergelijke verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen ten aanzien van het bewijs. [6]
(…)
11. Lening van [betrokkene 12] aan [betrokkene 3] ten bedrage van € 17.000,00.
Op 22 mei 2017, een dag voor de terechtzitting, heeft de verdediging een excel-bestand met een overzicht van auto’s aan het openbaar ministerie en de rechtbank doen toekomen. Volgens de verdediging blijkt uit dit overzicht welke auto’s door verdachten zijn ingekocht en vervolgens doorverkocht in de periode van 2005 tot en met 2014. In genoemde periode is een bedrag van € 92.583,00 betaald voor de auto’s en is bij doorverkoop een opbrengst van € 102.600,00 gegeneerd. Het verschil bedraagt € 10.017,00.
Aangaande het verblijf in Spanje heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat niet alle in de woning van verdachte en [betrokkene 3] op 29 juni 2015 aangetroffen kassabonnen uit Spanje van haar en [betrokkene 3] zijn. Volgens verdachte waren deze deels van familieleden die ook in Spanje in de woning verbleven. Alle bonnen van alle vakantiegangers werden verzameld en verdachte nam deze vervolgens mee naar Nederland. De rechtbank is van oordeel dat ook deze verklaring van verdachte niet concreet en niet verifieerbaar is. Zij heeft immers niet verklaard welke goederen wel door haar en [betrokkene 3] zijn aangeschaft en welke door de vakantiegangers. Deze verklaring is dan ook geenszins onderbouwd. Daar komt bij dat verdachte pas ter terechtzitting en dus in een zeer laat stadium van het onderzoek met deze verklaring komt.”
medeop basis van de resultaten van nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte beoordelen of witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Hieruit volgt dat de rechter zich bij deze finale beoordeling ook kan laten leiden door zijn eigen bevindingen ten aanzien van de verklaring(en) van de verdachte. Ook daarom faalt de klacht.