ECLI:NL:PHR:2021:404

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 april 2021
Publicatiedatum
18 april 2021
Zaaknummer
20/00626
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588a SvArt. 38 SvArt. 39 SvArt. 51 SvArt. 48 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over dagvaardingstermijn, raadsmanstelling en proces-verbaal ondertekening tijdens COVID-19

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarbij de verdachte in hoger beroep is veroordeeld voor overtredingen van de Opiumwet en diefstal. De kern van het geschil betreft drie middelen: (1) de toepassing van de tiendagentermijn bij de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg, (2) de vraag of de raadsman zich correct heeft gesteld conform de overgangsmaatregel en de vereisten van kennisgeving aan de griffie, en (3) de geldigheid van het proces-verbaal dat vanwege COVID-19 niet direct kon worden ondertekend.

De Hoge Raad oordeelt dat het eerste middel faalt omdat de dagvaarding in eerste aanleg tijdig en correct is betekend, ook al was de termijn tussen verzending en zitting korter dan tien dagen, hetgeen gelet op de toepasselijke wetgeving niet vereist was. Het derde middel faalt eveneens omdat de latere ondertekening van het proces-verbaal door middel van een verklaring, ondanks het ontbreken van een dagtekening, voldoende herstel biedt van het verzuim en daarmee niet leidt tot nietigheid.

Het tweede middel slaagt echter, omdat het hof ten onrechte het verzoek tot terugwijzing naar de rechtbank heeft afgewezen op grond van een onjuiste interpretatie van de kennisgeving van de raadsman. De raadsman had zich in de overgangsperiode gesteld bij het openbaar ministerie, maar niet schriftelijk bij de griffie, zoals vereist. Dit leidt tot vernietiging van het arrest en verwijzing voor een passende beslissing.

De Hoge Raad bevestigt dat de tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid flexibiliteit in de rechtspraktijk mogelijk maakt, zoals het toestaan van elektronische deelname van rechters en latere ondertekening van proces-verbalen, mits binnen redelijke grenzen en met behoud van een eerlijk proces.

Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd vanwege onjuiste toepassing van regels omtrent de kennisgeving van de raadsman; de dagvaardingstermijn en latere ondertekening van het proces-verbaal worden als rechtsgeldig bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/00626
Zitting20 april 2021

CONCLUSIE

E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 7 februari 2020 door het gerechtshof Den Haag wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en “diefstal”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdzestig uren, te vervangen door tachtig dagen hechtenis. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
Er bestaat samenhang met de zaak 20/00627. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. O.J. Much, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt met verwijzing naar HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:496 dat het hof heeft miskend dat ingevolge art. 588a, vierde lid (oud, thans art. 36g, vierde lid) Sv de tiendagentermijn bij de betekening van de inleidende dagvaarding in de onderhavige zaak van toepassing is.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 januari 2020 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De raadsman deelt, daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld, mede:
De betekening in eerste aanleg is niet in orde. Mijn cliënt is in augustus 2017 verhoord. Hij heeft bij de politie twee adressen opgegeven waarop hij post kon ontvangen, namelijk het adres van zijn opa, aan de [a-straat] , en het adres van zijn vriendin, aan de [b-straat] . De opa van mijn cliënt is in november 2017 overleden en de dagvaarding is in januari 2018 per post naar het adres van zijn opa verzonden. Mijn cliënt was niet op de hoogte van de zitting.
Daarnaast heb ik mij op 7 augustus 2017 gesteld als advocaat, maar geen oproep ontvangen. Op 16 maart 2018 heb ik mij voor de zekerheid nogmaals gesteld. Ik heb mij gesteld via advocatuur@om.nl. Ik heb daar ook een ontvangstbevestiging van. U, oudste raadsheer, houdt mij voor dat ik mij had moeten stellen bij de griffie van de rechtbank. Ik doe het altijd op deze manier.
De jongste raadsheer toont de betekeningsstukken van de zitting in eerste aanleg op zijn beeldscherm aan de verdachte, de raadsman en de advocaat-generaal.
De raadsman verzoekt vervolgens om terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.
De advocaat-generaal deelt desgevraagd mede:
Gelet op de korte periode tussen het verzenden van de afschriften op 2 maart 2018 en de zitting op 9 maart 2018 denk ik dat we niet anders kunnen concluderen dan dat de betekening in eerste aanleg niet goed is gegaan. Het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank kan worden toegewezen.
De voorzitter onderbreekt hierop het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
Het hof wijst het verzoek tot terugwijzing af. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij nergens woont en dat hij schippert tussen de [b-straat] en de [a-straat] . Er is tijdig, op 13 januari 2018, getracht de dagvaarding op de [a-straat] te betekenen. Voorts is de dagvaarding ter griffie betekend, omdat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. Op 2 maart 2018 is naar zowel de [b-straat] als de [a-straat] een afschrift van de dagvaarding verzonden. Voor die afschriftverplichting gold geen termijn van 10 dagen voor de zitting bij de politierechter op 9 maart 2018. De betekening in eerste aanleg was dus in orde.
Voorts moet een advocaat zich stellen bij de griffie van de rechtbank en niet bij het openbaar ministerie.
Het hof ziet geen reden de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. De zaak zal inhoudelijk worden behandeld.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor.”
6. De stukken van het geding houden onder meer in:
(i) blijkens de GBA-gegevens stond de verdachte van 10 oktober 2015 tot 19 april 2016 ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats] ;
(ii) van 19 april 2016 tot 3 mei 2018 waren volgens de GBA-gegevens geen adresgegevens van de verdachte bekend;
(iii) de verdachte heeft bij zijn eerste verhoor op 1 augustus 2017 aangegeven dat hij op dat moment nergens woonde, maar tussen zijn vriendin op de [b-straat 1] te [plaats] en zijn opa op de [a-straat 1] te [plaats] schipperde; [1] (iv) op 7 augustus 2017 en nog eens op 16 maart 2018 heeft de raadsman van de verdachte zich gesteld als advocaat via advocatuur@om.nl;
(v) de dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting bij de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 9 maart 2018 is blijkens de bij de dagvaarding behorende akte van uitreiking op 2 maart 2018 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank en een afschrift van de dagvaarding is op grond van art. 588a (oud) Sv verzonden aan de door geadresseerde tijdens het eerste verhoor opgegeven, onder (iii) genoemde adressen;
(vi) bij vonnis van 9 maart 2018 is de verdachte door de politierechter bij verstek veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis;
(vii) op 19 maart 2018 heeft de raadsman van de verdachte hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld;
(viii) op de terechtzitting van 24 januari 2020 heeft het hof het verzoek van de raadsman tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank afgewezen en de zaak zelf inhoudelijk behandeld.
7. De voor de beoordeling van het eerste middel relevante wetsartikelen luiden:
Art. 588a (oud, thans art. 36g) Sv
“1. In de navolgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
b. indien de verdachte bij het begin van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
[…]
4 Bij de verzending, bedoeld in het eerste lid, wordt de voor de dagvaarding of oproeping geldende termijn in acht genomen.
[…]”

Art. 370 Sv Pro

“1. De termijn van dagvaarding is ten minste drie dagen.
[…]”
8. Vooreerst valt op dat de raadsman noch de verdachte zelf op de terechtzitting in hoger beroep over de dagvaardingstermijn in eerste aanleg iets heeft aangevoerd. Het was de advocaat-generaal die opmerkte dat tussen het verzenden van de afschriften op 2 maart 2018 en de zitting van de politierechter op 9 maart 2018 een korte periode zit. Daarop heeft het hof gereageerd met zijn overweging dat voor de zitting van de politierechter geen termijn van tien dagen gold en dat de betekening in eerste aanleg dus in orde was.
9. Ik meen op grond van de voormelde wetsartikelen dat dit oordeel in de onderhavige strafzaak juist is. [2]
10. Het eerste middel faalt.
11. Het
tweede middelbevat de klacht dat in het bijzonder het voorschrift van art. 51 (oud, thans art. 48) Sv is geschonden doordat het hof het verzoek van de raadsman tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank heeft afgewezen en de zaak na inhoudelijke behandeling zelf heeft afgedaan, terwijl in eerste aanleg dat voorschrift niet is nageleefd.
12. Het bepaalde in art. 51 (oud) Sv, thans art. 48 Sv Pro, houdt in:
“Ten aanzien van de bevoegdheid van den raadsman tot de kennisneming van processtukken en het bekomen van afschrift daarvan vinden de artikelen 30 tot en met 34 overeenkomstige toepassing. Van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht ontvangt de raadsman, behoudens het bepaalde in artikel 32, tweede lid, onverwijld afschrift.”
Voor de stelplicht van de raadsman zijn het vijfde lid van art. 38 Sv Pro en het eerste lid van art. 39, eerste lid (oud), Sv van belang. Deze bepalingen luiden als volgt:
Art. 38 Sv Pro
“5. De gekozen raadsman geeft kennis van zijn optreden voor de verdachte aan de hulpofficier van justitie, de officier van justitie en in geval deze uit hoofde van de artikelen 181 tot en met 183 onderzoekshandelingen verricht, tevens aan de rechter-commissaris.”
Art. 39 (oud) Sv
1. De gekozen raadsman geeft van zijn optreden als zoodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan den griffier. Is dat nog niet het geval, dan geeft hij van zijn optreden schriftelijk kennis aan den in de zaak betrokken hulpofficier."
13. In het arrest van 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2250,
NJ2018/387, m.nt. Crijns overweegt de Hoge Raad met betrekking tot het overgangsrecht aangaande het stellen van een raadsman bij het openbaar ministerie het volgende:
“2.5.2. De Hoge Raad heeft het eerste lid van art. 39 (oud) Sv aldus uitgelegd dat het een ordemaatregel bevat en dat een schriftelijke kennisgeving geen noodzakelijke voorwaarde vormt om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg is voorzien van rechtsbijstand door een raadsman, behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend (vgl. HR 19 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2182, NJ 2001/161, rov. 3.2.2). Dat neemt niet weg dat een advocaat die verzuimt voor de desbetreffende aanleg bedoelde schriftelijke kennisgeving te doen - volgens de wetsgeschiedenis "een niet noemenswaardigen last" - het gevaar loopt "door de bij de zaak betrokken autoriteiten aanvankelijk niet als de raadsman van de verdachte te worden erkend en behandeld" (Kamerstukken II, 1913-1914, 286, nr. 3, p. 72) en dat hij als gevolg daarvan niet op de voet van art. 51 (oud) (thans art. 48) Sv afschrift ontvangt van de stukken die ter kennis van de verdachte worden gebracht.
2.5.3. Bij de op 1 maart 2017 in werking getreden wet van 17 november 2016, Stb. 476, houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige nadere wetten in verband met aanvulling van bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen, is de regeling van het eerste lid van art. 39 (oud) Sv vervangen door een regeling die inhoudt dat de gekozen raadsman alsook de door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aangewezen raadsman van hun optreden voor de verdachte kennis geven aan de hulpofficier van justitie, de officier van justitie en tevens aan de rechter-commissaris ingeval deze uit hoofde van de art. 181-183 Sv onderzoekshandelingen verricht (art. 38, vijfde lid, en 40, tweede lid, Sv). Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze wet blijkt niet op welke wijze deze kennisgeving aan - kort gezegd - de (hulp)officier van justitie moet worden gedaan en evenmin waarom de (schriftelijke) kennisgeving aan de griffie is vervallen. In het bijzonder blijkt uit de wetsgeschiedenis niet hoe - ingeval de verdachte wordt gedagvaard om terecht te staan - de raadsman kan verzekeren dat hij door de rechter als zodanig wordt erkend en op de hoogte wordt gesteld van de terechtzitting teneinde aldaar zijn (kern)rol te vervullen. (Vgl. HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0442, NJ 1996/557.) Evenmin voorzien art. 38 en Pro 40 Sv in de verplichting voor de in die bepaling genoemde personen om, indien de zittingsrechter wordt betrokken in de zaak, het desbetreffende gerecht te verwittigen van de kennisgeving van de raadsman.
2.5.4. Dit betekent dat de tegenwoordige regeling licht aanleiding kan geven tot fouten en misverstanden omtrent de vraag of de verdachte is (of werd) bijgestaan door een raadsman en dat daardoor een ordelijk procesverloop in gevaar komt. Uit niets blijkt dat de wetgever dit risico onder ogen heeft gezien en nog minder dat hij dit heeft aanvaard. Daarom moet, gelet op het belang van een goede organisatie van de rechtspleging - waaronder begrepen het belang dat op niet voor misverstand vatbare wijze is vastgelegd dat de verdachte op de terechtzitting zal worden bijgestaan door een raadsman - onder het huidige wetboek en in afwijking van de hiervoor vermelde rechtspraak, worden aangenomen dat een advocaat die heeft verzuimd aan de griffie van het desbetreffende gerecht schriftelijk kennis te geven dat hij bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting zal optreden als gekozen of aangewezen raadsman van de verdachte, zich niet met vrucht erop kan beroepen dat hij voor de desbetreffende aanleg ten onrechte niet als raadsman is erkend, dus ook niet indien hij wel de in art. 38, vijfde lid, en art. 40, tweede lid, Sv bedoelde kennisgeving aan de (hulp)officier van justitie en/of de rechter-commissaris heeft gedaan. Het kennisgeven van genoemd optreden bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te geschieden bij separaat schrijven waarin voldoende nauwkeurig is aangegeven - door vermelding van onder meer het parketnummer en, voor zover bekend, het griffie- of rolnummer - op welke zaak het optreden betrekking heeft.
2.5.5. Nu de advocatuur tot dit arrest niet bedacht behoefde te zijn op de onder 2.5.4 geformuleerde regels betreffende het schrijven aan de griffie, ziet de Hoge Raad aanleiding om als overgangsmaatregel een uitzondering op die regels te aanvaarden in gevallen waarin de advocaat zich in de periode van 1 maart 2017 tot 1 oktober 2017 overeenkomstig art. 38, vijfde lid, Sv of art. 40, tweede lid, Sv heeft gesteld bij de hulpofficier van justitie, de officier van justitie of de rechter-commissaris.”
14. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich niets waaruit kan volgen dat voor de behandeling van de zaak van de betrokkene een afschrift van de dagvaarding in eerste aanleg aan een voor de betrokkene optredend raadsman is toegezonden. Nu uit de toegezonden stukken van het geding volgt dat de raadsman van de betrokkene zich per e-mail bij het openbaar ministerie heeft gesteld op 7 augustus 2017 en deze handeling dus valt in de door de Hoge Raad in rov. 2.5.5. genoemde uitzonderingsperiode, met welke overgangsmaatregel het hof op de terechtzitting van 24 januari 2020 bekend had kunnen zijn, is de beslissing van het hof om het verzoek van de raadsman tot terugwijzing naar de rechtbank af te wijzen en om de zaak inhoudelijk te behandelen en af te doen, reeds om deze reden niet zonder meer begrijpelijk.
15. Het middel is terecht voorgesteld.
16. Het
derde middelklaagt dat art. 327 Sv Pro is geschonden omdat het hof de processen-verbaal van de zittingen van 24 januari 2020 (inhoudelijke behandeling) en 7 februari 2020 (uitspraak) niet heeft ondertekend. In de toelichting op het middel stelt de raadsman van de verdachte dat nu de later door het hof opgestelde verklaring niet van enige dagtekening is voorzien, de genoemde processen-verbaal niet zijn vastgesteld en ondertekend overeenkomstig art. 327 Sv Pro en zij daarom rechtskracht missen.
17. Het proces-verbaal d.d. 24 januari 2020 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

Gerechtshof Den Haagmeervoudige kamer voor strafzaken
Proces-verbaalvan de op 24 januari 2020 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof.
[…]
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat uitspraak zal worden gedaan ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 februari 2020 te 09:00 uur.
Vanwege (de gevolgen van) Covid-19 is het proces-verbaal van deze zitting wel door de voorzitter en de griffier vastgesteld, maar (nog) niet ondertekend.”
18. Het proces-verbaal d.d. 7 februari 2020 houdt in:

Gerechtshof Den Haagmeervoudige kamer voor strafzaken
Proces-verbaalvan de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 februari 2020.
[…]
Vanwege (de gevolgen van) Covid-19 is het proces-verbaal van deze zitting wel door de voorzitter en de griffier vastgesteld, maar (nog) niet ondertekend.”
19. Nadien is een verklaring opgesteld die het volgende inhoudt:

Gerechtshof Den Haagmeervoudige kamer voor strafzaken
VERKLARING
met betrekking tot de
ondertekening van processen-verbaal ter terechtzitting van het hof en de bijlage houdende de bewijsmiddelen in de zaak tegen de verdachte, genaamd:[verdachte] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
in deze strafzaak was het vanwege de maatregelen in verband met de uitbraak van COVID-19 eerder niet mogelijk om de navolgende stukken te ondertekenen:
- het proces-verbaal van de op 24 januari 2020 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit hof, op welke terechtzitting de zaak is behandeld,
- het proces-verbaal van de op 7 februari 2020 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit hof, op welke terechtzitting het arrest in de zaak is uitgesproken, alsmede
- de bijlage houdende de bewijsmiddelen in de zaak.
De ondergetekenden verklaren hierbij dat door middel van ondertekening van deze verklaring de hiervoor genoemde documenten alsnog worden voorzien in de ondertekening daarvan.
Voor de op 24 januari 2020 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit hof, op welke terechtzitting de zaak is behandeld:
mr. T.J. Sleeswijk Visser, voorzitter
mr. M.T. Sluis, griffier
De griffier is buiten staat deze verklaring te ondertekenen.
Voor de op 7 februari 2020 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit hof, op welke terechtzitting het arrest is uitgesproken:
mr. L.A.J.M. van Dijk, voorzitter mr. H. Hafti, griffier
De griffier is buiten staat het proces-verbaal te ondertekenen.
Voor de bijlage inhoudende de bewijsmiddelen in deze zaak:
mr. W.J. van Boven”
20. Art. 327 Sv Pro luidt:
“Het proces-verbaal wordt door den voorzitter of door een der rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en den griffier vastgesteld en zoo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en in elk geval binnen den in het eerste lid van artikel 365 vermelden Pro termijn onderteekend. Voor zoover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijne medewerking en wordt van zijne verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.”
21. In het overzichtsarrest van HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2037,
NJ2021/108 m.nt. Schutgens is uitgebreid stilgestaan bij de beperkingen die de COVID-19 pandemie ook voor de rechtspraak met zich brengt. Beschouwd is hoe eventuele oplossingen voor deze beperkingen zó kunnen worden vormgegeven dat de eisen van een eerlijk proces, voortvloeiend uit art. 6 EVRM Pro, niet in het gedrang komen, terwijl de continuïteit van het rechtsverkeer en daarmee de beperking van de vertraging van de behandeling van strafzaken tegelijkertijd worden gewaarborgd. De Hoge Raad haalt – kort gezegd – de relevante parlementaire stukken aan die betrekking hebben op de uitbraak van de pandemie van COVID-19 en overweegt onder meer:

Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid
4.2.1 Op 24 april 2020 is de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid (hierna: TW-COVID), in werking getreden. Deze wet beoogt de continuïteit van het rechtsverkeer te waarborgen door waar nodig maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn in verband met de uitbraak van de epidemie van COVID-19 (vgl. Kamerstukken II 2019/20, 35434, nr. 3, p. 2). [..]
[…]
5.3.5. De Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid voorziet niet expliciet in de mogelijkheid dat een strafzaak inhoudelijk wordt behandeld door de meervoudige kamer op een fysieke zitting, terwijl één van de rechters aan het onderzoek ter terechtzitting deelneemt door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel. Naar het oordeel van de Hoge Raad is een dergelijke werkwijze niet zonder meer onverenigbaar met het Wetboek van Strafvordering en de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid. De laatstgenoemde wet beoogt bij te dragen aan de continuïteit van het rechtsverkeer en daarmee aan het beperken van de vertraging van de behandeling van strafzaken als gevolg van de uitbraak van de epidemie van COVID-19. Daarnaast verzetten het belang van openbaarheid en de onder 5.3.2 genoemde belangen zich in beginsel niet tegen deelname van één van de rechters aan het onderzoek ter terechtzitting door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel. Wel moet deze deelname beperkt blijven tot één van de rechters. De reden voor de fysieke afwezigheid van deze rechter dient rechtstreeks samen te hangen met de uitbraak van de epidemie van COVID-19.
[…]”
22. In het onderhavige geval was het blijkens de in randnummer 19 weergegeven verklaring vanwege de maatregelen in verband met de uitbraak van COVID-19 eerder niet mogelijk om onder meer het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 januari 2020 en het proces-verbaal van de uitspraak van 7 februari 2020 te ondertekenen. Dit is een feitelijke vaststelling die zich niet voor toetsing in cassatie leent en overigens in de schriftuur ook niet wordt bestreden.
23. Uit de door de Hoge Raad in voormeld arrest aangehaalde parlementaire stukken en ook uit de overwegingen van de Hoge Raad meen ik te kunnen afleiden dat de COVID-19 pandemie om flexibiliteit en creativiteit in de rechtspraktijk vraagt, binnen aanvaardbare grenzen uiteraard, ten einde de continuïteit en de voortgang van het werkproces voor zoveel mogelijk veilig te stellen; daar zijn per slot van rekening alle procesdeelnemers mee gediend. Naar het mij voorkomt past de ondertekening van de bedoelde processen-verbaal op een later moment en in een vorm van een verklaring als waarvan in het onderhavige geval sprake is, binnen de hiervoor geschetste kaders en doelstelling, en is zij derhalve niet problematisch. Bovendien is deze praktische oplossing in lijn met de reeds bestaande rechtspraak van de Hoge Raad omtrent de ondertekening van een proces-verbaal. In die rechtspraak komt naar voren dat de omstandigheden van het concrete geval van belang zijn. [3] Zo leidt een proces-verbaal dat niet is ondertekend, niet per se tot nietigheid van het onderzoek en de uitspraak wanneer dat verzuim alsnog kan worden hersteld. [4] Welnu, een latere ondertekening is bij uitstek herstel van zo een verzuim, lijkt mij.
24. Die latere ondertekening heeft in deze zaak plaatsgevonden, en wel in de vorm van de door de onderscheiden voorzitters opgestelde en ondertekende verklaring. Over de vorm wordt in cassatie niet geklaagd, en dat kan ik mij indenken. Wel klaagt het middel dat deze verklaring niet is gedagtekend. Die constatering is juist. Op de verklaring ontbreekt inderdaad een dagtekening. Tot cassatie zal dat mijns inziens echter niet kunnen leiden, nog daargelaten dat in de schriftuur het belang daarbij niet wordt aangegeven. Vaststaat dat (i) de beide processen-verbaal wel zijn gedagtekend, (ii) de verklaring op enig moment daarna is opgesteld en (iii) de verklaring is ondertekend door zowel de voorzitter van de meervoudige kamer die de zaak in hoger beroep op 24 januari 2020 inhoudelijk heeft behandeld als door de voorzitter die op 7 februari 2020 het arrest heeft uitgesproken. Daarmee is het verzuim hersteld. Het ontbreken van een dagtekening op die verklaring, doet aan het herstel van het verzuim niet af.
25. Het middel faalt.
26. Het eerste en het derde middel falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
27. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
28. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1700-2016164728-14 van 1 augustus 2017 (p. 2).
2.In de samenhangende ontnemingszaak kom ik tot een ander standpunt.
3.Vgl. HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:20212:BW3692.
4.HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7296.