Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
ex aequo et bonoop 1,3% (80% van 1,625%) gesteld. Het hof overweegt bovendien dat een organisator gegevens kan aanleveren voor de vaststelling van het werkelijke percentage Sena-repertoire; blijkt dit percentage hoger of lager te zijn dan 60% dan moet de billijke vergoeding naar evenredigheid worden bijgesteld.
SABAM/Weareone) volgt dat het hanteren van een aan de omzet of inkomsten gerelateerd tarief een normale wijze van exploitatie van IE-rechten voor muziek is en dat zo’n tarief ook zonder correctie voor niet-muziekgerelateerde kosten op zichzelf niet in strijd is met het Unierecht. Voor het overige is de beslissing van het hof verweven met waarderingen van feitelijke aard.
Feiten
CONCLUSIE:
adviseert de Geschillencommissie Auteursrechten als volgt:
Grondslag van de vergoeding
%van de recette;
Sena/Digimusic [9] . Deze uitgangspunten gelden naar het oordeel van het hof ook bij de beantwoording van de vraag welk percentage Sena-repertoire gemiddeld tijdens dance evenementen wordt gebruikt (rov. 31).
commercieel uitgegeven opnames van livemuziekzou kunnen worden herkend als live muziek, terwijl in dat geval toch sprake is van Sena-repertoire. In dit verband is van belang dat niet onaannemelijk is dat in de door DJ Monitor onderzochte data onder meer sprake is van het gebruik van opnames van livemuziek en niet van werkelijk live gespeelde/door de dj live gecreëerde muziek, aangezien DJ Monitor verwijst naar live muziek met IRC [lees: ISRC, A-G] codes. Daarbij komt dat DJ Monitor er, blijkens haar toelichting in productie 73 van de Organisatoren, ten onrechte van uit gaat dat online beschikbare muziek die “nergens officieel verkrijgbaar” is, niet tot het Sena-repertoire behoort. Krachtens artikel 7 lid 2 WNR Pro valt ook online voor het publiek beschikbaar gestelde muziek onder het begrip “voor commerciële doelen uitgebrachte fonogrammen” en daarmee onder het Sena-repertoire.
AMP/Senadat ook de bevoegdheid tot vaststelling van de billijke vergoeding exclusief toekomt aan Sena [18] .
SABAM/Weareone [24] van 25 november 2020. Alvorens in te gaan op dat arrest, bespreek ik eerst de uitgangspunten ten aanzien van de billijke vergoeding die het HvJ EU in eerdere rechtspraak heeft geformuleerd.
AKKA-LAA [25] , OSA [26] en Kanal 5 en TV4 [27] ).
Basset [28] en
Tournier [29] ). In dit verband moet worden nagegaan of een buitensporig verschil bestaat met de gemaakte kosten en, indien dat het geval is, of een prijs is opgelegd die onbillijk is, hetzij absoluut gezien, hetzij in vergelijking met concurrerende diensten. Er bestaan echter ook andere methoden om te bepalen of een prijs buitensporig hoog is (arresten
AKKA-LAA [30] en
United Brands [31] ; zie ook
British Leyland/Commissie [32] ). Indien uit een vergelijking van tariefniveaus op homogene grondslag in verschillende lidstaten blijkt dat aanzienlijk hogere tarieven worden opgelegd dan in de andere lidstaten worden gehanteerd, dan is dit verschil een aanwijzing voor misbruik van een machtspositie (arresten
Tournier [33] , Lucazeau/SACEM [34] en
AKKA-LAA [35] ).
NOS/Sena [36] en
Lagardère/SPRE [37] ). De billijkheid van de vergoeding moet met name worden beoordeeld tegen de achtergrond van de waarde van het gebruik van het fonogram in het handelsverkeer (arresten
NOS/Sena [38] , Lagardère/SPRE [39] en
Kanal 5 en TV4 [40] ). De vergoeding moet in een redelijke verhouding staan tot het daadwerkelijke of potentiële aantal personen dat van de beschermde werken gebruik maakt of wil maken (arrest
FAPL [41] ). Het HvJ EU noemt verder als voorwaarden (arresten
NOS/Sena [42] en
Lagardère/SPRE [43] ):
British Airways/Commissie [45] en
MEO [46] . De Richtlijn collectief beheer bepaalt eveneens dat licentievoorwaarden moeten zijn gebaseerd op objectieve en niet-discriminerende criteria (art. 16 lid Pro 2).
Basseten
Tourniergaan over royalty’s die worden geheven als auteursrechtelijke vergoeding voor de uitvoering in discotheken van muziekopnamen en worden berekend op basis van de bruto-omzet van die discotheken. Het HvJ EU oordeelde dat deze royalty’s moeten worden beschouwd als een normale exploitatie van het auteursrecht en dat de heffing ervan op zichzelf geen misbruik in de zin van art. 102 VwEU Pro oplevert [47] .
Kanal 5 en TV4betreft de heffing van royalty’s overeenkomstig een percentage van de inkomsten van televisiezenders. Het HvJ EU heeft geoordeeld dat die royalty’s in beginsel in een redelijke verhouding staan tot de economische waarde van de door de collectieve beheerorganisatie geleverde prestatie [48] .
Kanal 5 en TV4 [49] ; vgl. ook het arrest
Der Grune Punkt/Commissie [50] ). Het hanteren van een vergoedingsmodel kan misbruik opleveren indien er een andere methode bestaat waarmee het gebruik van de werken nauwkeuriger kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd, en met deze methode hetzelfde rechtmatige doel kan worden bereikt, zonder de kosten van het beheer en van het toezicht onevenredig te verhogen (arrest
Kanal 5 en TV4 [51] ).
Basset, Tournieren
Kanal 5 en TV4over een vergoeding op basis van de omzet of inkomsten (punten 37-38; zie ook hiervoor in 3.12). Naar het oordeel van het HvJ EU kan die rechtspraak worden toegepast op het vergoedingsmodel van SABAM, zodat het hanteren van een dergelijk model op zichzelf geen misbruik in de zin van art. 102 VwEU Pro oplevert (punt 39). Met dat model streeft SABAM een rechtmatig doel in het kader van het mededingingsrecht na: het beschermen van de rechten en belangen van haar leden tegenover de gebruikers van de muziekwerken van die leden (punt 40). Bovendien vormen de op grond van dat model betaalde vergoedingen de tegenprestatie voor de mededeling van die muziekwerken aan het publiek. Die tegenprestatie moet namelijk worden beoordeeld in het licht van de waarde van dat gebruik in het handelsverkeer, die met name afhangt van het daadwerkelijke aantal personen dat gebruikmaakt van de beschermde werken en van het belang van het gebruik van de muziekwerken voor het betrokken evenement (punt 41).
Basset,
Tournieren
Kanal 5 en TV4gaat het om modellen waarbij vergoedingen worden opgelegd op basis van de bruto-omzet, zonder aftrek van de uitgaven van de gebruiker, ook al kan de omzet in aanzienlijke mate afhangen van factoren die geen verband houden met het gebruik van beschermde muziekwerken (punt 44). (2) Het kan bijzonder moeilijk zijn om op objectieve wijze de specifieke elementen te bepalen die geen verband houden met de uitgevoerde muziekwerken, alsook om de economische waarde van die factoren en hun effect op de ontvangsten uit de ticketverkoop voor de betrokken festivals objectief te kwantificeren (punt 45). (3) Een verplichting om rekening te houden met dergelijke elementen en deze te controleren, kan leiden tot een onevenredige verhoging van de kosten van het beheer van de overeenkomsten en van het toezicht op het gebruik van de auteursrechtelijk beschermde muziekwerken (punt 46).
RAAP [55] en een daarop volgende aanstaande wetswijziging [56] hierin binnenkort verandering zullen brengen. Het Sena-repertoire is volgens Sena dan niet meer beperkt tot het Rome-repertoire, maar omvat het wereldrepertoire [57] . Deze door Sena gestelde toekomstige ontwikkeling is in deze zaak niet aan de orde en kan volgens mij daarom blijven rusten.
Pelham [58] genoemd (ST Organisatoren onder 29). De kern van dit arrest is dat een fonogramproducent kan beletten dat een geluidsfragment van zijn fonogram, hoe kort ook, door een derde wordt overgenomen en op een ander fonogram wordt vastgelegd, tenzij dat fragment in een gewijzigde en voor het oor onherkenbare vorm is vastgelegd. Verder is overwogen dat het doel van de bescherming van de fonogrammenproducent is dat hij zijn investeringen kan terugverdienen (punt 30) [59] . De uitspraak heeft geen betrekking op de billijke vergoeding voor het openbaar maken van een fonogram.
Atresmedia/AGEDI en AIE [60] verwezen (repliek in cassatie Organisatoren, punt 2). In dit arrest is beslist dat geen billijke vergoeding behoeft te worden betaald wanneer een audiovisuele opname wordt geopenbaard die een vastlegging van een audiovisueel werk bevat waarin een (reproductie van een) fonogram is opgenomen. Dit arrest is dus uitsluitend relevant voor het openbaar maken van audiovisuele werken en niet voor het ten gehore brengen van een fonogram door bijvoorbeeld een DJ.
4.Bespreking van het cassatieberoep
eerste onderdeel, dat twee subonderdelen bevat, klaagt dat het hof ten onrechte (want met schending van art. 7 Wnr Pro, art. 8 lid 2 Verhuurrichtlijn Pro, art. 16 Richtlijn Pro collectief beheer, de criteria van het
Sena/NOS-arrest, het gelijkheidsbeginsel, het transparantiebeginsel en het vertrouwensbeginsel) tarieven heeft vastgesteld die onbillijk zijn omdat deze niet in redelijke verhouding staan tot de economische waarde van het fonogrammengebruik.
subonderdeel 1.1heeft het hof miskend dat Sena als wettelijk monopolist misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie dan wel dat geen juist evenwicht wordt bereikt tussen het belang van de fonogrammenproducenten en de gebruikers, omdat (1) is gekozen voor recette als grondslag en (2) Sena niet wil meewerken aan de vaststelling van het aandeel Sena-repertoire dat op dance evenementen wordt gebruikt, terwijl methoden/moderne technologieën bestaan waarmee het fonogrammengebruik nauwkeurig kan worden berekend.
SABAM/Weareone) volgt namelijk (a) dat het hanteren van een aan de omzet of inkomsten gerelateerd tarief een normale wijze van exploitatie van IE-rechten voor muziek is, (b) dat zo’n tarief in beginsel in een redelijke verhouding staat tot de economische waarde van de prestatie en (c) dat het hanteren van zo’n tarief ook zonder correctie voor niet-muziekgerelateerde kosten op zichzelf geen misbruik van een machtspositie oplevert en niet in strijd is met beginselen van gemeenschapsrecht (zie hiervoor in 3.12 en 3.18).
Subonderdeel 1.1faalt.
Subonderdeel 1.2treft om die reden geen doel.
onderdeel 1tevergeefs voorgesteld.
tweede onderdeelbestrijdt het oordeel dat een speciaal tarief voor dance evenementen redelijk is gezien de speciale plaats die dance evenementen in het uitgaansleven hebben (rov. 12-13). Het onderdeel bevat vier subonderdelen.
subonderdeel 2.3heeft het hof miskend dat dance in het algemeen sinds de jaren 90 zeer populair is en dat dit ook geldt voor reguliere clubavonden in discotheken [63] . Het subonderdeel betoogt dat het fonogrammengebruik op reguliere clubavonden zich niet (wezenlijk) onderscheidt van dance events (80-90% dance), zodat een hoger tarief niet gerechtvaardigd is [64] . Ter voorkoming van willekeur zou wenselijk zijn dat het begrip “dance event” duidelijk wordt afgebakend [65] . De klacht is dat hier sprake is van onbegrijpelijkheid, omdat het hof heeft nagelaten om het begrip dance event te definiëren. Overigens wordt erop gewezen dat Sena voor door eigenaren van dansgelegenheden georganiseerde dance evenementen met een entreeprijs van maximaal € 25 nog steeds het discothekentarief hanteert [66] .
derde onderdeelacht onbegrijpelijk op basis van welke criteria het hof aanneemt dat voor dance evenementen een hoger tarief gerechtvaardigd is in verhouding tot het aanzienlijk lagere tarief voor andere muziekfestivals. Het hof zou voorbij zijn gegaan aan de essentiële stelling dat dance een groot onderdeel van de programmering van muziekfestivals vormt [70] .
subonderdeel 6.1ketsen hierop af.
subonderdeel 6.3wordt opgekomen tegen het oordeel dat het hanteren van de recette als grondslag in lijn is met de vergoedingsgrondslag die door Buma wordt gehanteerd. Dit oordeel is volgens de Organisatoren onbegrijpelijk, omdat zij hebben gesteld dat de recette slechts één onderdeel is van het tarief van Buma [73] , terwijl de gages en uitkoopsommen van de artiesten in oorsprong de belangrijkste vergoedingsgrondslag voor Buma zijn [74] .
onderdeel 6tevergeefs is voorgesteld.
subonderdeel 7.1heeft het hof ten onrechte (in strijd met art. 24 Rv Pro) verzuimd in zijn overwegingen te betrekken dat partijen het erover eens zijn dat de gage van de dj de meest zuivere grondslag is voor het vaststellen van de billijke vergoeding [78] . Verder wordt betoogd dat het oordeel onbegrijpelijk is omdat het hof de muziekwaarde definieert als de waarde van de muziek in het handelsverkeer, terwijl partijen en de rechtbank deze term gebruiken voor het aandeel van de kosten voor het inhuren van de dj’s in het totale budget van het event, uitgedrukt in een percentage [79] .
Sena/NOS [81] blijkt dat de waarde van de fonogrammen in het economisch verkeer één van de relevante factoren is, maar dat daaraan geen beslissende betekenis toekomt. Het hof heeft bij de keuze voor de grondslag echter ook acht geslagen op andere factoren dan de waarde van de fonogrammen in het economisch verkeer. Het hof overweegt immers (i) dat de recette een duidelijke grondslag is, (ii) dat de recette vrij makkelijk is te controleren omdat de inkomsten uit entreegelden zullen worden vastgelegd in de administratie van de Organisatoren en (iii) dat bij de recette als grondslag het draagkrachtbeginsel wordt gewaarborgd aangezien de recette overeenkomt met de inkomsten van de betreffende organisator (rov. 18). De Organisatoren wijzen niet op passages in de processtukken in feitelijke instanties waarin zij aandacht hebben besteed aan andere relevante factoren. Bij gebreke van een concrete invulling behoefde het hof niet nader in te gaan op de aangehaalde stelling van de Organisatoren. Dit betekent dat
subonderdeel 7.2faalt.
subonderdeel 7.3heeft het hof de beslissing dat de gage een onwenselijke grondslag is voor de vaststelling van de billijke vergoeding ontoereikend gemotiveerd. Het subonderdeel voert aan dat de door het hof in rov. 16 genoemde bezwaren tegen de gage van de dj’s als grondslag evenzeer gelden voor de recette. Verder acht het subonderdeel onbegrijpelijk dat het hof aanneemt dat de recette het eenvoudigste te controleren is. Daarvoor zijn steeds verkoopaantallen en entreeprijzen nodig, terwijl de gage en onkosten van de DJ eenvoudig zijn vast te stellen aan de hand van de administratie van de Organisatoren [82] .
onderdeel 7geen doel treft.
subonderdeel 8.2is onbegrijpelijk waarom de niet-muziekgerelateerde kosten niet uit de heffingsgrondslag worden gefilterd. Dit geldt zeker nu het hof afwijkt van het deskundigenbericht dat adviseert om bij alle (grote én kleine) dance evenementen rekening te houden met niet-muziekgerelateerde kosten [90] , aldus het subonderdeel.
kunnenworden gefilterd. Subonderdelen 8.1, 8.2 en 8.4 ketsen naar mijn mening hierop af.
subonderdeel 8.3treft geen doel. De correctie van 20% voor evenementen met een ticketprijs van meer dan € 85 berust op een afweging
ex aequo et bono, zo blijkt uit het arrest (rov. 42). Het gaat hier dus om een inschatting die in belangrijke mate berust op intuïtieve inzichten, zodat er geen hoge motiveringseisen aan kunnen worden gesteld [94] . Het hof behoefde volgens mij niet te responderen op de stelling dat gemiddeld 75% van de productiekosten ziet op niet-muziekgerelateerde kosten. Het gaat hier namelijk om een enkele stelling bij pleidooi in appel. De stelling verwijst weliswaar naar prod. 42, een “overzicht kosten artiesten/line up dance events 2016”, maar onduidelijk is wie dit overzicht heeft opgesteld en de daarin genoemde bedragen zijn niet controleerbaar. Het hof was volgens mij ook niet gehouden om in te gaan op de stelling dat een correctie van 45% redelijk is. De Organisatoren hebben die stelling onderbouwd door te wijzen op een modernisering van Buma, waarbij voor bepaalde meerdaagse live evenementen met een camping een correctie van 45% op de recette kan worden toegepast [95] . Daaruit volgt dat de correctie van Buma kennelijk is bedoeld voor meerdaagse evenementen met overnachting. In onze zaak heeft het hof al beslist dat de kosten van een overnachting helemaal buiten de heffingsgrondslag dienen te vallen.
Onderdeel 4komt met twee subonderdelen tegen dit oordeel op.
subonderdeel 4.1is de overweging over de verschillen in grondslag en hoogte van de tarieven geen toereikende motivering om de tarieven in het buitenland buiten beschouwing te laten. Het subonderdeel wijst op het betoog dat dit juist een aanwijzing is dat de hoogte van het tarief en de grondslag die Sena voor dance events hanteert (zonder voorziening voor niet-muziekgerelateerde kosten) onbillijk is [97] . Bovendien acht het subonderdeel onbegrijpelijk dat het hof de Belgische zaak tussen SABAM en de Belgische organisatoren van muziekfestivals, waarin vergelijkbare problematiek speelt, niet in zijn oordeel heeft betrokken [98] .
.In die uitspraak is geoordeeld dat het hanteren van de recettegrondslag zonder correctie voor niet-muziekgerelateerde kosten door SABAM misbruik van een machtspositie oplevert. In onze zaak ligt in het bestreden arrest besloten dat het hof die conclusie niet deelt en naar inmiddels blijkt: op goed verdedigbare gronden. In de zaak
SABAM/Weareoneheeft het HvJ EU immers naar aanleiding van prejudiciële vragen van de rechtbank Antwerpen beslist dat het hanteren van een recettegrondslag zonder correctie voor niet-muziekgerelateerde kosten op zich geen misbruik van een machtspositie vormt (zie hiervoor 3.16 en 3.18-3.20).
subonderdeel 4.1ketsen hierop af.
subonderdeel 4.2slaagt in mijn ogen niet. Naar de vaststelling van het hof hebben de Organisatoren zich erop beroepen dat een tarief van € 0,75 per bezoeker in vergelijking met de in het buitenland in rekening gebrachte tarieven te hoog is (rov. 23). Volgens het hof heeft Sena dit betwist en gesteld dat een vergelijking met buitenlandse tarieven niet veel oplevert, omdat er in het buitenland sterk verschillende tarieven en tariefstructuren bestaan. Bij die stand van zaken is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het op de weg van de Organisatoren lag om hun stelling over de buitenlandse tarieven toe te lichten. Het hof behoefde niet in te gaan op het betoog van de Organisatoren dat het voor hen praktisch uiterst bezwaarlijk zou zijn om nadere informatie over de buitenlandse tarieven te achterhalen. Zij hebben die stelling niet gemotiveerd of geadstrueerd met (bijvoorbeeld) onbeantwoorde verzoeken om informatie.
vijfde onderdeelbestrijdt de overweging dat bij het bepalen van de hoogte van het tarief slechts beperkte betekenis toekomt aan de tarieven die Sena in het verleden heeft gehanteerd (rov. 24). Verder komt het onderdeel op tegen de overweging dat aan de toepassing van het discothekentarief op dance evenementen niet het vertrouwen kon worden ontleend dat dit tarief van toepassing zou blijven (rov. 13).
subonderdeel 9.1had het hof de onderhandelingen uit november/december 2013 niet in zijn oordeel mogen betrekken. Het hof had zijn oordeel moeten baseren op de meest relevante criteria voor de vaststelling van de billijke vergoeding. In punten 124-128 van hun ST benadrukken de Organisatoren dat het hier niet gaat om een tarief dat op basis van een vrije markt tot stand komt; Sena heeft immers een wettelijk monopolie en daarmee een machtspositie.
“U noemt productie 12 en noemt een brief d.d. 18 december 2013. Die brief is gestuurd naar de Organisatoren en hieruit blijkt dat er overeenstemming bestaat op de hoofdlijnen. We hebben deze brief gestuurd in de veronderstelling dat alles rond was, op het moment van het versturen was niet duidelijk dat er hoger beroep zou worden ingesteld.”
onderdeel 9slaagt dus niet.
tiende onderdeel, dat negen subonderdelen bevat, is gericht tegen het oordeel dat het redelijk is om uit te gaan van een percentage Sena-repertoire van 60% en dat het hof daarom een lager (zij het niet evenredig lager) tarief van € 0,65 per bezoeker als uitgangspunt neemt voor de vaststelling van de billijke vergoeding (rov. 32-33).
subonderdeel 10.2is onbegrijpelijk hoe het hof het percentage Sena-repertoire van 60% heeft berekend; dit lijkt gebaseerd op het door Sena genoemde percentage van 68,4% of de eerder door Sena gehanteerde ervaringsregel van 70% waarna het met 10% is verlaagd vanwege live muziek, maar de Organisatoren hebben die ervaringsregel betwist (prods. 29 en 37) [110] . Ook meent het sub-onderdeel dat het hof voorbij heeft gezien aan de stellingen dat Sena zonder gegronde reden weigert mee te werken aan moderne monitortechnieken (die ook Buma gebruikt) [111] , terwijl Sena (wettelijk) de enige organisatie in Nederland is die beschikt over de informatie op basis waarvan een nauwkeurige vaststelling van het fonogrammengebruik kan worden gemaakt [112] .
subonderdeel 10.4rekt het hof het begrip “voor commerciële doeleinden uitgebrachte fonogrammen” te ver op door daaronder alle online beschikbare muziek te begrijpen en miskent het hof dat een fonogram dat voor particuliere doeleinden online beschikbaar is gesteld geen commercieel fonogram is.
Subonderdeel 10.5voegt daaraan toe dat niet valt in te zien waarom het billijk is dat Sena voor alle online beschikbare muziek een billijke vergoeding incasseert, terwijl Sena die vergoeding niet uitkeert aan een particulier die de muziek heeft vastgelegd teneinde deze (zonder commerciële doeleinden) online beschikbaar te stellen. Het hof zou ook niet hebben gereageerd op essentiële stellingen in dit kader [116] . De Organisatoren hebben toegelicht dat Sena geen vergoedingen uitkeert voor muziek zonder ISRC, een uniek identificatienummer (ST Organisatoren onder 160-161 en pleitaantekeningen in cassatie Organisatoren (mr. V. Rörsch) 4.5-4.6).
Subonderdeel 10.6acht het oordeel onbegrijpelijk omdat onduidelijk is in hoeverre het hof bij de vaststelling dat 60% Sena-repertoire wordt gebruikt, online muziek heeft meegerekend (waaronder opnamen van niet-uitgebrachte muziek en van live muziek door particulieren).
Guide to the copyright and related rights treaties administered by WIPO [122] :
(“irrespective of whether or not there is any commercial purpose or impact at all behind the act”). Deze lezing wordt gevolgd in het door Sena aangehaalde handboek van M. Fiscor [123] .
subonderdeel 10.4faalt.
Subonderdeel 10.5ziet er volgens mij aan voorbij dat een zuiver rechtsoordeel geen motivering behoeft [124] , en dat het hof daarom niet behoefde in te gaan op de billijkheid van de regel uit art. 7 lid 2 Wnr Pro en de stellingen die de Organisatoren in dit kader hebben betrokken. Daar komt bij dat die stellingen betrekking hebben op de wijze van repartitie (verdeling) van de vergoeding, hetgeen in onze zaak geen onderwerp van geschil is.
Subonderdeel 10.6ketst erop af dat het genoemde percentage van 60% Sena-repertoire een uitgangspunt is dat berust op een (gemotiveerde) inschatting en niet op een exacte berekening.
Subonderdeel 10.7betoogt dat het hof onterecht buiten beschouwing heeft gelaten dat het voor de Organisatoren, zoals zij hebben gesteld [125] , niet mogelijk was om bewijs van het Sena-repertoire te leveren, omdat Sena weigerde mee te werken aan de vaststelling van het precieze aandeel Sena-repertoire met moderne en onafhankelijke technologie. Met die techniek kan aan de hand van de playlists worden nagegaan welk percentage tot het Sena-repertoire hoort en de Organisatoren hebben aangeboden alle benodigde informatie te verstrekken [126] .
Subonderdeel 10.8stelt voorop dat rov. 33 verwijst naar het oordeel in rov. 26 dat een tarief van € 0,75 per bezoeker als uitgangspunt kan dienen voor de vaststelling van een billijk tarief voor dance events, uitgaande van 70% Rome-repertoire. Nu het hof voor de vaststelling van de billijke vergoeding een Sena-repertoire van 60% als uitgangspunt neemt, is volgens het subonderdeel onjuist of onbegrijpelijk dat het hof het tarief niet evenredig lager heeft vastgesteld, dus op € 0,64 in plaats van € 0,65. Door te wijzen op het arrest SENA/NKP [127] zou het hof miskennen dat de omstandigheden uit dat arrest zich in deze zaak niet voordoen, nu de vermindering van het percentage Sena-repertoire in deze zaak aanzienlijk lager is, terwijl de billijke vergoeding in 10 jaar tijd meer dan verdriedubbeld is [128] . Daar komt bij dat het hof afwijkt van het advies in het deskundigenbericht om bij een lagere vaststelling van het Sena-repertoire het tarief in beginsel “naar rato” te verlagen [129] , aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 10.9bestrijdt in de eerste plaats de overwegingen in rov. 35 en 36 dat het hof beoogt te voorkomen dat de Organisatoren al te lichtzinnig gebruik maken van de mogelijkheid om het werkelijke percentage Sena-repertoire vast te stellen. Het subonderdeel voert aan dat dit oordeel in strijd is met het deskundigenbericht [130] , met de regel dat bij de vaststelling van een billijke vergoeding moet worden uitgegaan van een zo realistisch mogelijk percentage (rov. 30) en met het transparantiebeginsel. In de tweede plaats komt het subonderdeel ertegen op dat het hof het aan Sena laat om vast te stellen wat het daadwerkelijke percentage is (rov. 35-37). Dit is volgens het subonderdeel eveneens in strijd met het transparantiebeginsel en verder onbegrijpelijk omdat het hof geen aanwijzingen heeft gegeven hoe de vaststelling van het Sena-repertoire gecontroleerd kan worden en niet de eis stelt dat gebruik moet worden gemaakt van moderne technologieën (zoals DJ Monitor) [131] .
Subonderdeel 10.9acht ik daarom ongegrond.
onderdeel 10faalt.
elfde onderdeelkomt op tegen de berekening van de gemiddelde ticketprijs in rov. 40. Het onderdeel bevat twee subonderdelen die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
subonderdeel 11.1heeft het hof de ticketprijs ten onrechte berekend op basis van het hogere marktsegment (de duurdere dance events op externe locaties) en de ticketprijzen van het lagere marktsegment (in discotheken en clubs) buiten beschouwing gelaten, terwijl dat lagere marktsegment een groter (of aanzienlijk) deel van de markt betreft [132] .
Subonderdeel 11.2acht onbegrijpelijk dat het hof de gemiddelde ticketprijs alleen heeft gebaseerd op de in prod. 51 overgelegde mail van Fanalists, waarin wordt gesteld dat de gemiddelde ticketprijs voor dance events op jaarbasis in 2016 € 40,50 bedroeg, terwijl het hof de ticketprijs van het lagere segment dance events in discotheken, clubs en andere dansgelegenheden met een gemiddelde prijs van € 12,50 tot € 15,00 buiten beschouwing laat [133] .
onderdeel 11zijn zodoende tevergeefs voorgesteld.
twaalfde onderdeelbestrijdt het uitgangspunt van een tarief van € 0,65 per bezoeker.
Subonderdeel 12.1stelt voorop dat het hof in rov. 26 een prijs van € 0,75 per bezoeker als uitgangspunt heeft genomen bij de vaststelling van de billijke vergoeding, uitgaande van een ticketprijs van € 50. In rov. 33 en 41 heeft het hof de prijs per bezoeker van € 0,75 naar € 0,65 verlaagd, nu het hof een Sena-repertoire van 60% in plaats van 70% hanteert. Vervolgens stelt het hof in rov. 39-41 de gemiddelde ticketprijs per bezoeker op € 40 in plaats van € 50. Het hof gaat dus uit van een 20% lagere ticketprijs dan het in rov. 26 genoemde uitgangspunt.
subonderdelen 12.1 en 12.2betogen dat het oordeel van het hof tegen die achtergrond onjuist want te onnauwkeurig is, althans dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is waarom het hof vanwege de 20% lagere ticketprijs dan in rov. 26 niet ook de prijs per bezoeker evenredig lager vaststelt. Dit komt volgens de subonderdelen neer op een prijs per bezoeker van 0,52 en daarmee op een billijke vergoeding van 1,3% van de recette (0,52/40) [135] .
subonderdelen 12.1 en 12.2treft volgens mij doel. Bij het vaststellen van het tarief per bezoeker (eerst € 0,75, bijgesteld tot € 0,65) is het hof uitgegaan van een gemiddelde ticketprijs van € 50 (rov. 26 en 33). Nadien is het hof tot de conclusie gekomen dat de gemiddelde ticketprijs € 40 bedraagt (rov. 40). Het hof heeft niet onderzocht of deze bijstelling van de gemiddelde ticketprijs gevolgen heeft voor het tarief per bezoeker. Het hof had dat volgens mij wel moeten onderzoeken. De verlaging van het gemiddelde Sena-repertoire van 70% naar 60% leidde immers tot een aanpassing van het tarief per bezoeker van € 0,75 naar € 0,65 (rov. 33) en de keuze voor de recette als grondslag impliceert dat er eveneens een verband bestaat tussen de ticketprijs en de hoogte van de billijke vergoeding.
Subonderdeel 12.3brengt naar voren dat het hof de in subonderdelen 12.1 en 12.2 bepleite aanpassing ook had moeten doorvoeren in het tarief voor grote dance evenementen. In rov. 42 stelt het hof de billijke vergoeding voor grote dance evenementen vast op 80% van het percentage voor de (in rov. 41 genoemde) overige dance evenementen. Dit komt na aanpassing neer op een billijke vergoeding van 1,04% van de recette (80% van 1,3%) [138] .
Subonderdeel 12.3slaagt naar ik meen in het kielzog van de subonderdelen 12.1 en 12.2. Het percentage van de recette ter berekening van de billijke vergoeding voor dance evenementen met een ticketprijs boven € 85 is door het hof gesteld op 80% van het percentage voor overige dance evenementen. Nu subonderdelen 12.1 en 12.2 met succes klagen over de vaststelling van het percentage voor overige dance evenementen, en het percentage voor dance evenementen met een ticketprijs boven € 85 daarvan een afgeleide is, treft subonderdeel 12.3 doel.
Onderdeel 12is naar mijn mening dus terecht voorgedragen.