Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
[eiser]of als
[eiser]) is onder de artiestennaam Martin Garrix een bekende deejay. De in 2013 uitgebrachte track ‘ Animals ’ zorgde internationaal voor zijn grote doorbraak. In 2016 werd hij door het internationale magazine DJ MAG als nummer 1 deejay van de wereld uitgeroepen. [2]
Spinnin) houdt zich sinds 1999 bezig met het vermarkten van muziek van deejay’s. Het platenlabel Spinnin is toonaangevend op het gebied van elektronische dansmuziek, afgekort als
EDM.
MAS) houdt zich sinds 2007 bezig met het boeken, managen, exploiteren en vermarkten van personen, diensten en rechten in de entertainmentbranche.
Spinnin c.s.).
Universal) gesloten. [3]
managementovereenkomst 2012). [4] Omdat hij minderjarig was, heeft zijn vader als wettelijk vertegenwoordiger het contract voor akkoord ondertekend.
Artikel 2 - Rechten
SRover het volledige eigendomsrecht en het exclusieve recht om van de geluidsband en de opname(n) daarop reprodukties te vervaardigen en de aldus vervaardigde reprodukties in het gebied te verkopen of de geluidsband anderszins te exploiteren (inclusief transmissie/download, ringtone, streaming, kopiëren, beeldrecht en internet) in de ruimste zin des woords met dien verstande echter dat genoemd recht beperkt zal zijn tot het gebruik van de geluidsband als vermeld in de Bijlage, inclusief alle (re)mixen vocals en afgeleiden daarvan. De Producer verklaart tevens geen her-opnames. remakes of covers voor derden te vervaardigen van de geluidsband(en) als vermeld in de Bijlage. (...)
SRaan de
Producerverschuldigd worden:
SRverkopen van alle ingevolge deze overeenkomst afgerekende en niet geretourneerde en aan
SRafgerekende reprodukties te berekenen over de door
SRnetto ontvangen PPD.
SRzal
SR50% van het onder (i) bedoelde percentage verschuldigd worden
SR.
SBP).
co-managementovereenkomst). [7] De bepalingen daarvan zijn gelijk aan de bepalingen van de managementovereenkomst 2012, uitgezonderd de bepalingen met betrekking tot de duur van de overeenkomst (art. 2 en Pro 10.4) en de vergoedingen in art. 5. De vergoeding voor de aan [eiser] toekomende bruto-inkomsten uit ‘overige opbrengsten’, waaronder endorsements (sponsors) en merchandise, werd verhoogd van 20% naar 40%. [8]
briefovereenkomst 2013en de
productieovereenkomst 2013gesloten. [9] Deze zijn inhoudelijk nagenoeg gelijk aan de overeenkomsten die het jaar daarvoor waren afgesloten. Nieuw is art. 5 sub Pro VI van de productieovereenkomst, waarin is bepaald dat [eiser] een deel van de inkomsten uit YouTube zal krijgen. Beide overeenkomsten zijn aangegaan voor een periode van twee jaar, met als ingangsdatum 30 juli 2013. Dat volgt uit de punten 3 en 10 van de briefovereenkomst 2013, waarnaar in art. 11 van Pro de productieovereenkomst 2013 wordt verwezen. Deze bepalingen luiden:
3.Procesverloop
de rechtbank).
het hof). Zij hebben gevorderd, kort gezegd, het vonnis te vernietigen, de vorderingen van [eiser] alsnog af te wijzen en hun vorderingen alsnog toe te wijzen. Spinnin en MAS hebben hun eis vermeerderd. In hoger beroep hebben zij, naast hun eerder ingestelde vorderingen, een verklaring voor recht gevorderd dat [eiser] tegenover Spinnin ook is tekortgeschoten in de nakoming van de productieovereenkomst 2012.
3maar dat is een kennelijke schrijffout) zijn geëindigd (rov. 7.66). Het geheel aan overige bepalingen is niet onredelijk bezwarend, mede gelet op de beperkte looptijd van de overeenkomsten (rov. 7.67).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
nadathij extern advies had ingewonnen (zie 2.11 en 2.12 hiervoor) de bij hem gerezen twijfels met [betrokkene 1] heeft besproken en dat [betrokkene 1] vervolgens deze twijfels bij hem heeft weggenomen met de mededeling dat MAS en Spinnin professioneel genoeg waren om beide contracten goed van elkaar te scheiden. Daar het hof in rov. 7.22 in het midden heeft gelaten of [betrokkene 1] dit heeft gezegd, moet daar in cassatie veronderstellenderwijs van uit worden gegaan. Gelet hierop is zonder nadere motivering onbegrijpelijk dat [eiser] niet op de juistheid van de door [betrokkene 1] gedane mededelingen had mogen afgaan en dat hij daardoor niet gedwaald zou hebben.
bij MAS en Spinnin niet dezelfde werknemers in dienst zijn. Het zijn twee verschillende entiteiten met ieder hun eigen werknemers." [26]
in 2013ervan op de hoogte was dat hij zijn contracten bij één partij onderbracht en dat er sprake was van één team. [betrokkene 3] liet blijken dat hij daar ook voordelen in zag, maar in die situatie wel een reden zag om externe begeleiding te zoeken. Ook [eiser] wist dat er sprake was van één team, maar dat heeft hem er niet van weerhouden nieuwe overeenkomsten aan te gaan. Uit niets blijkt dat dit voortschrijdend inzicht was of dat [eiser] bedenkingen had bij deze situatie. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof uit de geciteerde e-mail heeft afgeleid dat er ook reeds bij het aangaan van de overeenkomsten in
2012geen sprake was van dwaling. De klacht onder 1.2 faalt.
isuitgegaan, er geen sprake was van een onjuist beeld bij hem van de verwevenheid tussen MAS en Spinnin.
omdat[eiser] een onderzoeksplicht had, maar dat hun mededelingsplicht niet zover ging als hij heeft gesteld.
deskundigheid van partijenmeegewogen bij zijn oordeel. [37] Het hof heeft immers in rov. 7.10 het volgende overwogen (onderstreping toegevoegd):
de deskundigheid van partijen. (…)”
aard van de overeenkomstvan belang kan zijn om te bepalen of op de wederpartij van de dwalende een mededelingsplicht rust. [39] Het gaat er dan om dat het type overeenkomst een argument oplevert voor het aannemen van een mededelingsplicht. Het hof heeft echter, in tegenstelling tot hetgeen het middel betoogt, niet uit het oog verloren dat de aard van de overeenkomst van belang kan zijn om te bepalen of op de wederpartij van de dwalende een mededelingsplicht rust. Dat de aard van de overeenkomst van belang kan zijn brengt echter niet met zich, waarop het middel lijkt te doelen, [40] dat de zorgplicht van een opdrachtnemer in de zin van art. 7:401 BW Pro invloed heeft op de mededelingsplicht. Het hof heeft terecht overwogen dat mededelingsplichten van Spinnin c.s. in het kader van dwaling moeten worden onderscheiden van zorgplichten die Spinnin c.s. op grond van de overeenkomsten met [eiser] hadden. Het schenden van die zorgplichten leidt mogelijk tot een toerekenbare tekortkoming van MAS in de zin van artikel 6:74 BW Pro, maar is geen grond voor dwaling (rov. 7.11).
subonderdeel 2.6heeft het hof in rov. 7.11 miskend dat de omstandigheid dat er een precontractuele of contractuele zorgplicht bestaat waarvan het niet in acht nemen een tekortkoming c.q. een onrechtmatige daad kan opleveren, nog
niet uitsluitdat er bij het aangaan van de overeenkomst ook een mededelingsplicht is geschonden waardoor sprake is van dwaling. Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, heeft het onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang, omdat uit rov. 7.11 dan niet duidelijk wordt in welk opzicht de rechtbank dan het onderscheid tussen mededelingsplichten en zorgplichten uit het oog heeft verloren.
uitsluitdat er een grond voor dwaling is.
[eiser] […] dan in feite de fonogrammenproducent [is] en niet Spinning, en hij […] dus ook recht [heeft] op dat deel van Sena”. Daaruit volgt dat [betrokkene 3] (en daarmee [eiser] ) vóór het aangaan van de overeenkomsten hiermee bekend waren en [eiser] toen dus niet in dwaling verkeerde. Dar komt bij dat mijns inziens in redelijkheid niet van [betrokkene 1] kon worden verwacht dat deze aan [eiser] zou uitleggen dat hij fonogrammenproducent was, omdat daarover discussie kan bestaan, zoals wij hierna onder IV zullen zien.
Schending precontractuele zorgplichten
expliciet (op eigen initiatief) (1) te informeren over de belangenverstrengeling die zich voordeed en/of (2) te adviseren tot het inschakelen van een onafhankelijke derde, althans de verplichting om zich ten tijde van het sluiten van de nieuwe productieovereenkomst te vergewissen of [eiser] zich daadwerkelijk van een voldoende gekwalificeerde externe begeleiding had voorzien.” (rov. 5.82). In rov. 5.84 heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat MAS de verplichting had om [eiser] (ook ongevraagd) te adviseren over alle onderwerpen die zijn zakelijke en artistieke belangen betroffen.
mochtverwachten dat MAS met Spinnin zou onderhandelen, maar dat [eiser] dit niet verwacht
heeft. Dit oordeel is in lijn met hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld met betrekking tot de eigen verantwoordelijkheid van de opdrachtgever. De Hoge Raad heeft overwogen dat de zorgplicht van een opdrachtnemer haar grens vindt daar waar de opdrachtnemer goede grond heeft te vertrouwen dat de betreffende belanghebbende zichzelf reeds op de hoogte had gesteld of dat deze tevoren reeds voldoende inzicht had in hetgeen voor die gevolgen vereist was. [53] Uit de door het hof gegeven motivering volgt genoegzaam dat [eiser] voldoende op de hoogte was van de inhoud van de overeenkomsten en wist dat MAS niet met Spinnin zou onderhandelen. Dit geldt ook voor de punten genoemd door [eiser] onder 3.4 onder (i) waarover het hof tevens reeds in rov. 7.27-7.28 heeft geoordeeld dat hij niet heeft gedwaald. Dat oordeel is voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
3.6.1betoogt het middel in de kern dat het hof met zijn oordeel in rov. 7.23 dat in de co-managementovereenkomst niet expliciet is bepaald dat MAS met Spinnin zou onderhandelen de Haviltex-maatstaf heeft miskend. Als het hof dit niet heeft miskend, dan heeft het hof zijn oordeel onvoldoende met redenen omkleed, omdat tegen de achtergrond van de volgende omstandigheden niet zou zijn in te zien dat redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat met ‘derden’ Spinnin werd bedoeld. Het middel wijst op (a) de mededeling van [betrokkene 1] over de professionaliteit van MAS en Spinnin en (b) de deskundigheid van MAS en Spinnin tegenover het gebrek aan deskundigheid aan de zijde van [eiser] .
contractbesprekingen met derden ten aanzien van aan Artiest toekomende rechten van intellectuele eigendom en daarmee samenhangende royaltyvergoedingen”. [eiser] heeft gesteld dat met ‘derden’ in zijn geval niemand anders bedoeld kan zijn dan Spinnin nu hij (i) een exclusieve productieovereenkomst met Spinnin zou sluiten, (ii) Universal niet met ‘derden’ bedoeld kan zijn omdat de bepaling al was opgenomen in concepten van MAS die dateren van voordat MAS op de hoogte was van de bestaande relatie met Universal en (iii) (sub)licentienemers van Spinnin niet met ‘derden’ bedoeld kunnen zijn omdat het onderhandelen met die (sub)licentienemers de taak van Spinnin was, niet van MAS.
3.6.2herhaalt het middel in iets andere bewoordingen de klacht in subonderdeel 3.1 en onder
3.6.3herhaalt het middel in wezen de klacht in subonderdeel 3.4. Beide klachten delen het lot van de genoemde subonderdelen.
3.6.4klaagt het middel dat voor zover het hof heeft gemeend dat de zorgplicht die uit art. 7:401 BW Pro voortvloeit (nog) niet gold vanaf het moment van de totstandkoming van de managementovereenkomst op 11 juli 2012 (zie rov. 4.14), maar (pas) vanaf het moment van de totstandkoming van de productieovereenkomst op 20 juli 2012 (zie rov. 4.16), het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Het middelt koppelt hier ook weer een motiveringsklacht aan.
Subonderdeel 3.7betoogt dat het oordeel in rov. 7.71 dat vaststaat dat Spinnin c.s. [eiser] overeenkomstig art. 10.3 van de co-managementovereenkomst hebben geadviseerd onafhankelijk advies in te winnen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is. Spinnin c.s. hebben niet gesteld dat zij dat hebben geadviseerd, zodat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door dit verweer aan te vullen.
2013(een onafhankelijke) derde zouden inschakelen. Het hof is tot het oordeel gekomen dat zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, de zorgplicht van Spinnin c.s. niet zo ver gaat dat zij hadden moeten controleren of [eiser] en zijn vader dat advies ook daadwerkelijk hadden ingewonnen. In tegenstelling tot hetgeen het middel tot uitgangspunt neemt, gaat het hier dus niet om de vraag of MAS aan haar verplichting heeft voldaan om te adviseren onafhankelijk advies in te winnen, maar om de volgens [eiser] op MAS rustende verplichting om te controleren of hij dat advies ook daadwerkelijk heeft ingewonnen. Een dergelijke verplichting rustte niet op MAS.
Subonderdeel 3.8voert aan dat voor zover rov. 7.26 gaat over een zorgplicht van MAS, het hof heeft miskend dat de contractuele en/of precontractuele zorgplicht die op MAS rustte wel degelijk meebracht dat MAS gehouden was te controleren of [eiser] alle bepalingen goed begreep en hem te beschermen tegen de gevaren van lichtzinnigheid of gebrek aan inzicht. De verwijzing naar rov. 7.10-7.11 kan het oordeel niet dragen, omdat die overwegingen niet gaan over zorgplichten, maar over mededelingsplichten in het kader van dwaling. Voor zover het hof daarop heeft gedoeld in rov. 7.26 heeft het miskend dat voor het aannemen van een precontractuele of contractuele zorgplicht om de opdrachtgever bij te staan tijdens onderhandelingen met een andere partij niet beslissend is of de opdrachtgever in dwaling verkeerde met betrekking tot de onderlinge verhouding tussen de opdrachtnemer en deze partij. Als het hof dit niet heeft miskend, dan heeft het zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu het hof verder niet heeft toegelicht waarom de omstandigheden die maken dat het hof in rov. 7.10-7.11 heeft geoordeeld dat geen sprake is van dwaling evenmin aanleiding zijn om het bestaan van een precontractuele of contractuele zorgplicht aan te nemen.
Subonderdeel 3.9is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7.13 dat de op 30 juli 2013 gesloten productieovereenkomst de productieovereenkomst 2012 heeft
vervangenen klaagt dat het hof bij dit oordeel de Haviltex-maatstaf heeft miskend, dan wel zijn oordeel met onvoldoende redenen heeft omkleed. Met zijn overweging verleent het hof meer gewicht aan de bepalingen van de overeenkomst dan aan de verklaring van [betrokkene 1] in een e-mail van 23 juli 2013 [55] dat hij de termijn ‘wilde verlengen met 2 jaar’ en dat dit zou betekenen dat ‘de deals dan 4 jaar totaal zouden zijn’ en de verwachting die [eiser] aan die verklaring mocht ontlenen. Zonder nadere motivering die ontbreekt valt in elk geval niet in te zien dat de bepalingen van de productieovereenkomst, gelet op de genoemde e-mail van [betrokkene 1] , zo moeten worden uitgelegd dat het de bedoeling is geweest van partijen om de productieovereenkomst te vervangen en niet te verlengen.
Deze overeenkomst vervangt het reeds eerder afgesloten management contract"), maar ook op de overige door de rechtbank genoemde omstandigheden. Het hof doelt hiermee klaarblijkelijk op de door de rechtbank in rov. 5.26 van haar vonnis genoemde omstandigheden die, kort gezegd, inhouden dat (i) de overeenkomsten uit 2012 en die uit 2013 verschillende aanvangsdatums, verschillende beëindigingsdatums alsmede een verschillende duur van de verlengingsopties hebben; (ii) met betrekking tot de managementovereenkomst een derde partij, SBP, is toegetreden en (iii) dat een verlenging van een bestaande overeenkomst, al dan niet met inhoudelijke aanpassingen, veelal wordt vastgelegd in een allonge of addendum dat aan de bestaande overeenkomst wordt gehecht, zoals art. 10 lid 1 van Pro de managementovereenkomst van 2012 ook voorschrijft, hetgeen niet is gebeurd.
Subonderdeel 3.10is een voortbouwklacht en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
Subonderdeel 2.1betoogt, samengevat, dat het hof in rov. 7.69 heeft miskend dat de omstandigheid dat een overeenkomst is ‘vervangen’ door een andere overeenkomst nog niet in de weg staat aan een beroep op ontbinding van eerstbedoelde overeenkomst wegens een tekortkoming in de nakoming van de uit deze overeenkomst voortvloeiende verbintenissen. Nu [eiser] aan zijn beroep op ontbinding van de in 2012 gesloten managementovereenkomst ten grondslag heeft gelegd dat MAS tekort is geschoten in de nakoming daarvan door hem niet bij te staan in de onderhandelingen met Spinnin en te informeren over de verwevenheid en belangenverstrengeling had het hof dit beroep op ontbinding moeten beoordelen. Voor zover het hof heeft gemeend dat er geen uit de in 2012 gesloten managementovereenkomst voorvloeiende verbintenissen waren, is dat oordeel, zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
Subonderdeel 2.2voert aan dat voor zover het hof heeft gemeend dat MAS op grond van de in 2012 gesloten overeenkomst niet verplicht was [eiser] bij te staan in zijn onderhandelingen met Spinnin, het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende is gemotiveerd.
Subonderdeel 2.3betoogt, samengevat, dat gelet op het voorgaande het oordeel van het hof in rov. 7.69 dat de ontbinding van de in 2012 gesloten productieovereenkomst niet hoefde te beoordelen omdat deze overeenkomst zou zijn vervangen door de in 2013 gesloten productieovereenkomst eveneens van een onjuiste rechtsopvatting getuigt of onvoldoende is gemotiveerd. Het middel wijst erop dat [eiser] immers heeft aangevoerd dat de managementovereenkomst en de productieovereenkomst moeten worden beschouwd als samenhangende overeenkomsten, zodat ontbinding van de managementovereenkomst 2012 (zie de onderdelen 2.1 en 2.2) tot gevolg heeft dat de productieovereenkomst 2012) evenmin in stand kan blijven.
Subonderdeel 2.4betoogt, kort samengevat, dat gelet op het voorgaande de oordelen van het hof in rov. 7.73 en 7.74 dat de overeenkomsten uit 2013 niet rechtsgeldig zijn ontbonden getuigen van een onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende gemotiveerd zijn, omdat door de samenhang tussen de in 2012 en in 2013 gesloten overeenkomsten de ontbinding van de overeenkomsten uit 2012 ook de ontbinding meebrengt van die uit 2013.
Subonderdeel 2.5is een veegklacht en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
Subonderdeel 3.1betoogt, kort samengevat, dat het oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het tenietgaan van verbintenissen. Dat een overeenkomst is geëindigd door het verstrijken van de looptijd, laat onverlet dat daaruit nog verbintenissen voortvloeien voor partijen, dat een tekortkoming in de nakoming van die verbintenissen in beginsel verplicht tot schadevergoeding, en dat die overeenkomsten kunnen worden ontbonden.
Subonderdeel 3.2werkt subonderdeel 3.1 uit en wijst ter illustratie op een drietal verbintenissen die zijn voortgevloeid uit de overeenkomsten en die ook na het verstrijken van de looptijd nog bestonden. Het gaat om de verbintenis tot (a) betaling van de overeengekomen managementvergoeding die [eiser] ten onrechte heeft opgeschort (zie rov. 8.7); (b) voortdurende exploitatie door Spinnin van de tracks die hij onder de brief- en productieovereenkomst heeft aangeleverd; en (c) betaling aan MAS (en SBP) van commissie op basis van de post-contractuele vergoedingsregeling in art. 5.3 en 5.4 van de co-managementovereenkomst.
Subonderdeel 3.3betoogt, samengevat, dat bij het voorgaande geldt dat in cassatie veronderstellenderwijs vaststaat dat [eiser] in verzuim was toen de overeenkomsten namens Spinnin c.s. buitengerechtelijk werden ontbonden. Als gevolg van de ontbinding (a) worden partijen bevrijd uit de ook na de looptijd op hen rustende verplichtingen; (b) is [eiser] echter verplicht tot vergoeding van schade op grond van art. 6:277 lid 1 BW Pro en (c) moet hij de waarde van de al aan hem geleverde diensten vergoeden op grond van art. 6:272 lid 1 BW Pro. Indien ontbinding niet zou hebben plaatsgevonden, dan verplicht [eiser] tekortkoming in de nakoming van de ook na 30 juli 2015 op hem rustende verbintenissen hem tot schadevergoeding (art. 6:74 BW Pro). In ieder geval kan de beoordeling en ongemotiveerde afwijzing van de reconventionele vorderingen iv, v, viii en ix van Spinnin en MAS in rov. 8.7-8.8 en het dictum onder h niet in stand blijven.
onder abedoelde verbintenis (zie 4.131 hiervoor) betreft de betaling van de overeengekomen managementvergoeding. Zoals het middel opmerkt, heeft het hof in rov. 8.7 geoordeeld dat [eiser] de betaling van de in art. 5 van Pro de co-managementovereenkomst overeengekomen vergoeding aan MAS op 11 juni 2015 ten onrechte heeft opgeschort en dat hij alsnog de overeengekomen vergoeding van de werkzaamheden tot 30 juli 2015 dient te betalen. In het dictum onder e heeft het hof vervolgens voor recht verklaard dat [eiser] door het opschorten van zijn betalingen aan MAS toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit art. 5 van Pro de co-managementovereenkomst en heeft het hof hem veroordeeld tot vergoeding van de door deze tekortkoming geleden schade aan MAS, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Het hof heeft derhalve niet over het hoofd gezien dat dit een verbintenis is die na 30 juli 2015 is blijven voortbestaan.
onder bbedoelde verbintenis betreft de ook na 30 juli 2015 voortdurende exploitatie door Spinnin van de tracks die [eiser] onder de brief- en productieovereenkomst heeft aangeleverd. In die overeenkomst zijn partijen overeengekomen dat Spinnin 30% afdraagt aan [eiser] van de inkomsten uit bestaande tracks (uitgegeven vóór juli 2015) die Spinnin genereert. [58] Het hof heeft een dergelijke verbintenis niet over het hoofd gezien door zijn afwijzing van de vorderingen onder viii en ix. Hetgeen Spinnin c.s. hebben gevorderd ten behoeve van Spinnin onder viii en ix gaat namelijk uit van de situatie dat verlenging heeft plaatsgevonden en betreft de schade die Spinnin door de ontbinding heeft geleden doordat zij haar rechten als fonogrammenproducent niet kan uitoefenen en de overeenkomsten niet worden nagekomen. Spinnin c.s. hebben die vordering als volgt omschreven: [59]
Primair[eiser] zal veroordelen tot vergoeding aan Spinnin Records B.V. van een bedrag van EUR 3.720.000, = alsmede de wettelijke rente daarover, althans
subsidiair[eiser] zal veroordelen tot vergoeding van alle door de onder viii. genoemde tekortkoming en daaropvolgende ontbinding door Spinnin Records B.V. geleden en te lijden schade, waaronder redelijke kosten in de zin van art. 6:96 onder Pro b en c BW en de wettelijke rente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet”
onder cbedoelde verbintenis geldt het volgende. In art. 5.3 en 5.4 van de co-managementovereenkomst zijn partijen wat betreft de vergoeding voor de periode van tien jaar na beëindiging van de overeenkomst het volgende overeengekomen:
primairdat [eiser] wordt veroordeeld tot vergoeding aan MAS van een bedrag van € 2.697.000,- alsmede de wettelijke rente daarover, althans
gevorderd. Daarom kan niet worden gezegd dat het hof als gevolg van een onjuist oordeel omtrent het tenietgaan van verbintenissen de reconventionele vorderingen iv en v ten aanzien van MAS in rov. 8.7-8.8 en in het dictum onder h ten onrechte heeft afgewezen.
Onderdeel 4 van het principale cassatiemiddel van [eiser]en
onderdeel 1 van het incidentele cassatiemiddel van [eiser] ,alsmede – en vooral –
onderdeel 1 en 2 van zowel het principale als het incidentele cassatiemiddel van Spinnin c.s. hebben betrekking op de vraag of de tussen partijen gesloten overeenkomsten dan wel bepaalde bepalingen daaruit kunnen worden vernietigd op grond van het auteurscontractenrecht.
Onderdeel 1van het incidentele cassatiemiddel van [eiser] is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7.50 over de toepasselijkheid van het auteurscontractenrecht op de
in 2012gesloten overeenkomsten. Daarin heeft het hof het volgende geoordeeld:
Onderdeel 1 van het principale en incidentele cassatiemiddel van Spinnin c.s.keert zich tegen de oordelen van het hof in rov. 7.53 en rov. 7.66 dat tussen de productie- en de managementovereenkomst een dusdanige verbondenheid bestaat dat de bescherming van art. 25f Aw zich mede uitstrekt tot de bedingen van de co-managementovereenkomst.
Subonderdeel 1.1betoogt dat art. 25f Aw geen bescherming biedt buiten het toepassingsbereik daarvan. Dat betoog strekt ertoe te voorkomen dat de co-managementovereenkomst wordt getoetst aan art. 25f Aw.
1.1.1klaagt het middel dat het oordeel in rov. 7.53 dat de overeenkomsten nauw samenhangen van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Aangenomen moet worden dat de wetgever het toepassingsbereik van het bepaalde in hoofdstuk 1a Aw welbewust heeft afgebakend. Daarmee verdraagt zich niet dat het hof de bescherming van art. 25f Aw uitbreidt tot buiten het door de wetgever afgebakende toepassingsbereik door de bepaling van art. 25f Aw toe te passen op (bedingen in) andere overeenkomsten dan die in art. 25b lid 1 en 2 Aw worden bedoeld. De omstandigheid dat een overeenkomst waarop hoofdstuk 1a Aw niet van toepassing is, nauw samenhangt met een overeenkomst waarop hoofdstuk 1a Aw (c.q. art. 25f Aw) wel van toepassing is, maakt dat niet anders.
1.1.2voert het middel aan dat het oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt omdat het hof daarin heeft miskend dat de Wet auteurscontractenrecht beoogt de contractuele positie van auteurs en uitvoerende kunstenaars ten aanzien van hun werken en uitvoeringen te verstevigen. De co-managementovereenkomst ziet echter noch op exploitatie noch op overdracht of exclusieve licentiering van de werken of uitvoeringen van [eiser] , maar betreft een overeenkomst waarbij de manager aan de artiest diensten verleent ter bevordering van diens carrière.
1.1.3voegt het middel daaraan toe dat het voorgaande temeer klemt in het licht van het oordeel in rov. 7.55 dat [eiser] zich tegenover Spinnin en MAS niet in een structureel zwakkere onderhandelingspositie bevond. Dat wijst er op dat [eiser] de bescherming die art. 25f Aw beoogt te bieden ook niet nodig had.
Subonderdeel 1.2klaagt dat het hof een onjuist oordeel heeft gegeven over de verbondenheid van de productieovereenkomst en de co-managementovereenkomst in die zin dat de vernietiging van het eenzijdige verlengingsbeding in de briefovereenkomst 2013 de vernietiging van het eenzijdige verlengingsbeding in de co-managementovereenkomst meebrengt.
1.2.1klaagt het middel dat het hof bij het beoordelen van de verbondenheid van genoemde overeenkomsten ten onrechte niet heeft onderzocht tot welke verbintenissen partijen zich over en weer jegens elkaar hebben verbonden in de brief- en productieovereenkomst respectievelijk de co-managementovereenkomst en in hoeverre deze verbintenissen onafhankelijk van elkaar kunnen worden nagekomen. Het hof heeft in dit verband miskend dat beide overeenkomsten elk onderscheiden, losstaande en zelfstandige rechtsgevolgen beogen en elk afzonderlijk en onafhankelijk van elkaar kunnen en mogen worden nagekomen.
Haviltex-maatstaf. De vaststelling dat er tussen verschillende overeenkomsten een relevante samenhang bestaat en daarmee het oordeel dat een contractueel beding doorwerkt in een daarmee samenhangende rechtsverhouding, dient specifiek te worden gemotiveerd, aldus de Hoge Raad in het arrest
Eneco/ de Ronde. [75]
Jans/Fiat Creditbetrof de koop van een auto waarvoor een kredietovereenkomst werd gesloten met Fiat Credit. Omdat de auto verborgen gebreken bleek te vertonen wenste Jans de koop te ontbinden op grond van een tekortkoming, dan wel te vernietigen op grond van dwaling. Hij staakte eveneens de betalingen uit hoofde van de kredietovereenkomst, met als reden dat de koopovereenkomst en de financieringsovereenkomst zozeer met elkaar verbonden zijn dat ontbinding of vernietiging van de koopovereenkomst noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat de financieringsovereenkomst evenmin in stand kan blijven. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat niet steeds een zodanig gevolg aanwezig is, maar dat de bescherming van de huurkoper meebrengt dat ook als de overeenkomsten als afzonderlijke overeenkomsten moeten worden beschouwd, de aard van de krachtens die bepaling tussen partijen ontstane rechtsverhouding in beginsel op het ontstaan van een zodanige verbondenheid wijst. Of die verbondenheid in het gegeven geval ook moet worden aanvaard, moet worden vastgesteld aan de hand van uitleg van de rechtsverhouding in het licht van de omstandigheden.
kandus ook verbondenheid tussen overeenkomsten worden aangenomen in het geval van afzonderlijke overeenkomsten die elk onderscheiden, losstaande en zelfstandige rechtsgevolgen beogen.
1.2.2betoogt het middel dat indien het oordeel van het hof erop neerkomt dat er tussen de overeenkomsten een bepaalde mate van samenhang bestaat, het hof ten onrechte niet heeft onderzocht wat de bedoelingen van partijen waren bij het sluiten van de twee afzonderlijke overeenkomsten. In het bijzonder heeft het hof niet onderzocht of partijen erop mochten vertrouwen dat [eiser] niet langer aan de co-managementovereenkomst zou zijn gebonden indien de brief- en productieovereenkomst 2013 zouden zijn beëindigd.
Jans/Fiat Creditmoet de vraag of sprake is van verbondenheid worden beoordeeld op basis van uitleg van de rechtsverhouding in het licht van de omstandigheden van het geval. [76] In dit geval heeft het hof de volgende omstandigheden van belang geacht (rov. 7.53):
1.2.3betoogt het middel dat het oordeel in rov. 7.53 dat onder de genoemde omstandigheden niet van belang is dat de contractspartijen niet dezelfde zijn, rechtens onjuist is. Voor het beoordelen van lotsverbondenheid van overeenkomsten is juist bij uitstek van belang of die overeenkomsten al of niet tussen dezelfde partijen zijn gesloten. Uitgangspunt is immers dat overeenkomsten alleen partijen binden. Verder zijn de oordelen van het hof in rov. 7.53 dat (a) de overeenkomsten door één en hetzelfde team werden uitgevoerd en (b) onder de genoemde omstandigheden niet van belang is dat de contractspartijen niet dezelfde zijn, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Als co-manager hield SBP zich immers bezig met het management van de artiest en niet met de exploitatie van door hem geproduceerde tracks.
1.2.4klaagt het middel dat het hof met zijn overweging dat de co-managementovereenkomst mede is gericht op het creëren van bekendheid met het doel de verkoop van de tracks te stimuleren als dragende grond voor zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd in het licht van hetgeen partijen over het doel van de co-managementovereenkomst hebben aangevoerd.
Punt 1.2.5bevat een veegklacht en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
Onderdeel 4 van het principale cassatiemiddel van [eiser]is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7.54-7.55 en 7.62-7.63 over de concrete toetsing van de overeenkomsten aan art. 25f lid 2 Aw, namelijk voor zover die bepalingen door het hof
nietals onredelijk bezwarend is aangemerkt.
Subonderdeel 4.1is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7.55 dat niet kan worden gezegd dat [eiser] zich tegenover Spinnin c.s. in een structureel zwakkere onderhandelingspositie bevond:
4.1.1gaat het middel ervan uit dat het hof dit oordeel ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordelen in rov. 7.60-7.67 betreffende de toetsing van afzonderlijke bedingen. Geklaagd wordt dat het hof aldus heeft miskend dat de omstandigheid of in het concrete geval daadwerkelijk sprake was van een structureel zwakkere onderhandelingspositie niet relevant is bij het toetsen van een beding aan de norm van art. 25f lid 2 Aw. Voor zover het hof met zijn oordeel dat de toetsing ook een concrete beoordeling vergt van de overige omstandigheden van het geval, ook het oog heeft gehad op de vraag of in het concrete geval daadwerkelijk sprake was van een structureel zwakkere onderhandelingspositie, geeft dat oordeel dan ook evenzeer blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
4.1.2betoogt [eiser] dat dit oordeel bovendien onvoldoende is gemotiveerd, nu het niet kan worden afgeleid uit de door het hof genoemde omstandigheden. Dit geldt temeer nu MAS en Spinnin professionele partijen zijn en [eiser] een minderjarige, nog beginnend artiest, was en zijn vader die hem vertegenwoordigde geen kennis had van of ervaring had in de entertainmentindustrie.
4.1.3volgt een veegklacht die geen afzonderlijke bespreking behoeft.
Subonderdeel 4.2is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7.62 over de hoogte van de royaltyvergoeding in art. 5 productieovereenkomst Pro 2013:
4.2.1betoogt het middel dat voor zover het hof met het woord ‘onredelijk’ iets anders heeft bedoeld dan ‘onredelijk bezwarend’, het een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, althans de stellingen van [eiser] onbegrijpelijk heeft uitgelegd.
onredelijk bezwarendzijn, mede gezien de beperkte looptijd van de overeenkomsten.
Onder 4.2.2wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat de vernietigbaarheid c.q. onredelijk bezwarendheid niet moet worden beoordeeld aan de hand van de nadelen die zich bij de uitvoering van het beding daadwerkelijk hebben verwezenlijkt, maar aan de hand van de eventuele onredelijk bezwarende gevolgen waaraan het beding de maker van aanvang af blootstelde. [eiser] hoefde volgens het middel niet te stellen dat Spinnin daadwerkelijk onbeperkt of ongecontroleerd kosten in mindering bracht. Hieraan koppelt het middel een motiveringsklacht.
ex nuncof
ex tuncmoet beoordelen. De evaluatie stelt ook de vraag aan de orde of het om toetsing
in abstracto(inherent onredelijk bezwarend) of
in concreto(in deze omstandigheden onredelijk bezwarend) gaat. Opgemerkt wordt onder meer: [79]
in abstractoonredelijk vaag of onduidelijk is, maar dat in de praktijk geen onredelijke kosten worden afgetrokken, waardoor het resultaat
in concretodus niet onredelijk is”.
uitvoeringvan de overeenkomst. [80] Voor het overige geldt dat art. 25f lid 2 Aw net als art. 6:233 aanhef Pro en onder a BW naar zijn aard betrekking heeft op omstandigheden die zich voordoen vóór of ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.
4.2.3betoogt, samengevat, dat het hof met zijn zojuist genoemd oordeel heeft miskend dat voor de beantwoording van de vraag of een beding de maker aan bepaalde onredelijke bezwarende gevolgen blootstelt, niet beslissend is of de gestelde onredelijk bezwarende gevolgen zich daadwerkelijk hebben verwezenlijkt. Indien het hof dit niet heeft miskend, dan heeft het zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat [eiser] heeft betoogd dat het begrip ‘netto-ontvangsten’, waar de royalty over wordt berekend, niet gespecificeerd of gedefinieerd is, zodat onduidelijk bleef wat de bruto-inkomsten voor Spinnin waren, en welke kosten in mindering werden gebracht.
Subonderdeel 4.3is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7.63 over het producentendeel Sena in art. 6 van Pro de producentenovereenkomst:
Het producentendeel Sena
4.3.1betoogt het middel dat het hof door te oordelen dat tegenover het aan Spinnin laten toevallen van de producentenvergoeding de overeengekomen vergoedingen in art. 5 van Pro de productieovereenkomst staan, ten onrechte – in strijd met art. 24 Rv Pro – het verweer van Spinnin heeft aangevuld.
4.3.2voert het middel aan dat het hof heeft miskend dat een beding in een exploitatieovereenkomst dat de nabuurrechthebbende verplicht om zijn van een collectieve beheersorganisatie ontvangen billijke vergoeding ingevolge de Wnr, (terug) te betalen aan de wederpartij als onredelijk bezwarend moet worden aangemerkt. In elk geval heeft het hof miskend dat omstandigheden zoals door het hof aan zijn oordeel ten grondslag zijn gelegd, het oordeel niet kunnen dragen dat een dergelijke ‘kickbackregeling’ níet onredelijk bezwarend is. Genoemd oordeel zou voorts onvoldoende zijn gemotiveerd.
subonderdeel 4.4klaagt het middel dat het hof, in strijd met art. 23 en Pro/of 24 Rv dan wel de devolutieve werking van het hoger beroep, de vorderingen van [eiser] niet (kenbaar) heeft behandeld voor zover die erop zien dat de bedingen niet alleen onredelijk bezwarend zijn in de zin van art. 25f lid 2 Aw, maar ook dat deze bedingen onaanvaardbaar zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op de voet van art. 6:2 lid 2 BW Pro en art. 6:248 lid 2 BW Pro. In het bijzonder had het hof de desbetreffende bedingen van de overeenkomsten uit 2012, waarop volgens het hof (rov. 7.50 in samenhang met rov. 7.13) art. 25f Aw niet van toepassing is, tegen de achtergrond van de daarover door [eiser] ingenomen stellingen aan de redelijkheid en billijkheid moeten toetsen. Voor zover in het arrest besloten zou liggen dat het hof daaraan wél heeft getoetst en maar die vorderingen in zoverre heeft afgewezen, heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang.
Onderdeel 2 van het principale en incidentele cassatiemiddel van Spinnin c.s.is gericht tegen het oordeel van het hof dat het eenzijdige verlengingsbeding onredelijk bezwarend is in de zin van art. 25f lid 2 Aw.
Subonderdeel 2.1is gericht tegen rov. 7.50 (geciteerd in 4.157 hiervoor) en betoogt dat het oordeel dat [eiser] het verlengingsbeding terecht heeft vernietigd en dat het gevolg daarvan is dat de briefovereenkomst 2013, de productieovereenkomst 2013 en vanwege de nauwe samenhang ook de co-managementovereenkomst op 30 juli 2015 zijn geëindigd, rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
2.1.1voert het middel aan dat art. 25f Aw in zoverre terugwerkende kracht heeft dat dit artikel ook van toepassing is op overeenkomsten die op 1 juli 2015 bestonden, maar dat het hof heeft miskend dat art. 25f Aw nog niet in werking was getreden toen MAS bij brief van 26 januari 2015 en Spinnin bij brief van 13 mei 2015 een beroep hebben gedaan op het verlengingsbeding.
2.1.2klaagt het middel, kort samengevat, dat het hof daarnaast heeft miskend dat de vernietiging achteraf van het op dat moment al ingeroepen en uitgewerkte verlengingsbeding niet tot gevolg heeft dat de overeenkomsten zijn geëindigd. Zij waren immers al verlengd.
Subonderdeel 2.2is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7.66 (geciteerd in 4.164 hiervoor) dat de eenzijdige verlengingsmogelijkheid van Spinnin in art. 7 van Pro de briefovereenkomst als onredelijk bezwarend moet worden beschouwd.
2.2.1klaagt het middel dat het hof heeft miskend dat de vraag of een beding onredelijk bezwarend is als bedoeld in art. 25f Aw dient te worden beoordeeld naar het moment waarop dit beding wordt overeengekomen en niet aan de hand van de omstandigheden die daarna opkomen, zoals groot commercieel succes. Onder
2.2.2wordt geklaagd dat toetsing aan art. 25f Aw het beding als zodanig betreft en niet de uitoefening daarvan in de concrete omstandigheden van het geval.
2.2.3heeft het hof miskend dat een eenzijdige verlengingsmogelijkheid zoals was overeengekomen, standaard door exploitanten wordt bedongen met het oog op commercieel succes van de maker. Indien groot commercieel succes redengevend zou zijn om een verlengingsbeding als onredelijk bezwarend aan te merken, zou dat een verlengingsbeding van zijn zin beroven.
2.2.4klaagt het middel dat het hof heeft miskend dat exploitanten zoals muziekuitgevers en platenmaatschappijen plegen te investeren in de makers met wie zij contracteren. Bedingen zoals de onderhavige eenzijdige verlengingsmogelijkheid stellen exploitanten in staat om deze investeringen terug te verdienen door overeenkomsten met commercieel succesvolle makers te verlengen (en andere niet). Indien voor een exploitant onzeker is of hij een overeenkomst met een commercieel succesvolle maker zal kunnen verlengen omdat het verlengingsbeding vanwege dat commerciële succes als onredelijk bezwarend kan worden aangemerkt, zal dat de bereidheid tot investeren doen afnemen wat ook de makers niet ten goede komt. De rechter moet daarom terughoudendheid in acht nemen bij het als onredelijk bezwarend vernietigd verklaren van een verlengingsbeding als het onderhavige.
Subonderdeel 2.3is een voortbouwklacht.
Onderdeel 4 van het principale en het incidentele cassatiemiddel van Spinnin c.s.is gericht tegen rov. 7.77-7.86 waarin het hof de vraag beantwoordt wie de fonogrammenproducent van de tracks die, kort gezegd, door [eiser] zijn gerealiseerd en door Spinnin zijn uitgebracht.
fonogrammenproducent. Dat zal bij de zojuist geschetste gang van zaken normaal gesproken de deejay zijn. Het feit dat de platenmaatschappij het finale bestand goedkeurt, daar vervolgens een exploitabele versie van maakt en die uitbrengt acht ik onvoldoende om haar als de fonogrammenproducent te kwalificeren omdat die (op zichzelf essentiële) werkzaamheden vanuit het oogpunt van creatieve en financiële investering niet opwegen tegen al hetgeen de deejay heeft gedaan om de track tot stand te brengen. Zeker indien de deejay (i) het initiatief heeft genomen voor een bepaalde track, (ii) de opnames zelf maakt en (iii) de financiële risico’s draagt (de kosten de productie, die alleen bij succes door royalty’s worden terugverdiend), moet het er
in beginselvoor worden gehouden dat de door hem aangeleverde eindversie van een track de ‘eerste vastlegging’ daarvan is en dat hij (of zij, er zijn ook succesvolle vrouwelijke deejays) zich fonogrammenproducent mag noemen. Ik zeg voorzichtigheidshalve ‘in beginsel’ omdat het antwoord op de hier gestelde vraag afhangt van de feitelijke gang van zaken in het concrete geval.
Subonderdeel 4.1richt zich tegen het oordeel van het hof dat [eiser] procesbelang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht dat hij fonogrammenproducent is in de zin van de Wnr. In rov. 7.77 en 7.78 heeft het hof het volgende overwogen:
4.1.1betoogt het middel, samengevat, dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het onherroepelijke aanbod van Spinnin dat in rechte gestand is gedaan, dat Spinnin na 1 januari 2023 ongeacht de uitkomst van deze bodemzaak de in art. 16-18 van de overeenkomst van 1 december 2015 bedoelde medewerking zal verlenen. Volgens het middel heeft [eiser] na 1 januari 2023 de aanspraak op de Sena-gelden hoe dan ook – en derhalve onafhankelijk van hetgeen de rechter oordeelt over het fonogrammenproducentenschap – op grond van het onherroepelijke gerechtelijke aanbod van Spinnin. Daarom mist [eiser] procesbelang bij de door hem gevorderde verklaring voor recht.
Subonderdeel 4.2is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 7.83 en 7.84:
4.2.1betoogt het middel dat het oordeel dat in geval van elektronische dansmuziek niet iedere nieuwe versie en dus ook de definitieve, uitgebrachte versie van een track (maar alleen de eerste opname daarvan) als eerste vastlegging moet worden aangemerkt, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Voor de toepassing van art. 1 onder Pro c en d Wnr heeft een nieuwe, bewerkte versie van een track zelf ook te gelden als eerste vastlegging en in ieder geval moet de definitieve, uitgebrachte versie als eerste vastlegging worden beschouwd. Een andere opvatting zou zich ook niet verdragen met de ratio van het naburig recht van de fonogrammenproducent: het beschermen van de investeringen van de fonogrammenproducent in een exploitabele opname.
4.2.2voegt het middel daaraan toe dat dit oordeel ook onbegrijpelijk en/of rechtens onjuist is omdat een fonogrammenproducent de op grond van art. 7 lid 1 Wnr Pro verschuldigde billijke vergoeding (ook wel ‘Sena-gelden’ of ‘producentendeel’) ontvangt voor openbaarmaking van een
voor commerciële doeleinden uitgebrachtfonogram of een reproductie daarvan. Het is dan ook ten aanzien van deze definitieve, uitgebrachte opnamen dat [eiser] wil vastgesteld zien dat hij daarvan producent is. Het hof had daarom aan de hand van de definitieve, door Spinnin uitgebrachte versie van de opname moeten beoordelen of [eiser] en/of Spinnin als producent is aan te merken; elke andere versie is in deze zaak irrelevant.
4.2.3betoogt het middel dat als het hof het voorgaande niet heeft miskend, zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd omdat het hof niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken (i) de omstandigheid dat de versie van een track zoals die door [eiser] voor het eerst werd aangeleverd niet de versie is die door Spinnin werd uitgebracht (ii) Spinnins initiatief tot en verantwoordelijkheid voor de uiteindelijk uitgebrachte tracks, (iii) de door Spinnin en MAS gestelde omstandigheden dat het produceren van EDM-opnamen zelf geen substantiële investering vereist van de artiest, maar de investeringen met name zijn gelegen in het vastleggen van een exploitabele opname en de promotie van de opname en (iv) dat bij EDM het proces van componeren en vastleggen samenvallen, zodat bij de EDM-artiest geen afzonderlijk, van het (auteursrechtelijk relevante) componeren te onderscheiden initiatief tot het maken van een eerste vastlegging aan de orde kan zijn.
onder (i)ben ik zojuist ingegaan. De
onder (ii)genoemde bemoeienissen van Spinnin heeft het hof wel degelijk meegewogen, daar waar het naar de vaststelling van de gang van zaken door de rechtbank heeft verwezen en de rechtbank in rov. 5.49 heeft overwogen dat Spinnin geen bemoeienis had met de feitelijke vastlegging van het nummer. Spinnin gaf enkel adviezen en tips (rov. 5.53 rechtbank). Voorts heeft het hof voldoende gerespondeerd op de
onder (iii)genoemde stellingen van Spinnin. Het hof heeft in rov. 7.84 het oordeel van de rechtbank onderschreven dat [eiser] het financiële risico droeg van de investeringen voor de eerste vastlegging van zijn nummers (rov. 5.50), dat de hoogte van de kosten niet relevant is (rov. 5.52) en dat Spinnin wel veel in promotie en exploitatie heeft geïnvesteerd moge zo zijn, maar met de eerste vastlegging van opnames heeft dit niest te maken (rov. 5.53). Ten slotte hoefde het hof niet nader in te gaan op de
onder (iv)genoemde stelling, omdat uit het door het hof geschetste juridisch kader reeds volgt dat het betoog niet opgaat. Uit het voorgaande volgt dat het hof voldoende kenbaar is ingegaan op de door het middel genoemde omstandigheden en stellingen.
Subonderdeel 4.3betoogt dat het hof ten onrechte geen beslissing heeft gegeven op grief XV met betrekking tot de track
Bazinga. Dit betreft een specifiek punt dat los staat van de algemene discussie over hoe moet worden vastgesteld wie bij EDM is aan te merken als de fonogrammenproducent.
4.3.1voert het middel aan dat Spinnin c.s. met grief XV zijn opgekomen tegen de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht dat [eiser] (voor 50%) fonogrammenproducent is van de track
Bazinga(vonnis, dictum 8.2 onder x). Het hof heeft in rov. 7.86 geoordeeld dat grief XV gegrond is. Vervolgens heeft het hof de gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van
Bazingaechter niet alsnog afgewezen, maar het vonnis van de rechtbank op dit punt bekrachtigd, evenwel zonder grief XV met betrekking tot Bazinga inhoudelijk te beoordelen (dictum, 9 onder a). Deze beslissing is volgens het middel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
4.3.2klaagt het middel dat indien het hof van oordeel is geweest dat de verwerping van grief XV besloten zou liggen in het oordeel van het hof in rov. 7.78 over het procesbelang van [eiser] bij het door hem gevorderde declaratoir, dat oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Spinnin en MAS hebben bij grief XV namelijk uiteengezet dat de overeenkomst van 1 december 2015 (vgl. nr. 2.31 hiervoor) geen betrekking heeft op de track Bazinga omdat ten aanzien van deze track een aparte productieovereenkomst was gesloten die nooit is ontbonden of vernietigd. Het oordeel in rov. 7.78 kan een verwerping van grief XV met betrekking tot Bazinga derhalve niet dragen.
onderdeel 5 van het principale en het incidentele cassatiemiddel van Spinnin c.s.. Het gaat om een procesrechtelijke vraag: het hof heeft beslist dat [eiser] aan MAS de managementvergoeding moet doorbetalen tot 30 juli 2015 (de datum waarop de co-managementovereenkomst afliep). Het hof heeft vervolgens naar de schadestaat verwezen. Kon dat?
Subonderdeel 5.1betoogt, samengevat, het volgende. Indien de overweging dat [eiser] alsnog de overeengekomen vergoeding aan MAS dient te betalen zo moet worden begrepen dat naar het oordeel van het hof [eiser] de co-managementovereenkomst alsnog moet nakomen, dan heeft het hof miskend dat art. 612 e.v. Rv uitsluitend toepassing kan vinden bij wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding, zoals die uit wanprestatie, maar niet ter begroting van een vordering tot of uit nakoming.
Subonderdeel 5.3voegt daaraan toe dat indien subonderdeel 5.1 zou falen omdat [eiser] in de schadestaatprocedure wél kan worden veroordeeld tot betaling aan MAS van de nog verschuldigde vergoeding, MAS de Hoge Raad verzoekt om dit expliciet in zijn arrest te bevestigen ter voorkoming van debat hierover tijdens een schadestaatprocedure.
Subonderdeel 5.2klaagt dat in het licht van de vaststelling in rov. 8.7 dat er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om tot een vaststelling van de verschuldigde managementvergoeding te komen, de beslissing in rov. 7.2 om op de voet van art. 356 Rv Pro de zaak zelf af te doen en de beslissing in rov. 8.7 om de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen, niet begrijpelijk zijn.
Onderdeel 6 van het principale en incidentele cassatiemiddel van Spinnin c.s.is gericht tegen rov. 8.7 in verbinding met het dictum onder h, waar het hof de vordering op de voet van art. 843a Rv ten behoeve van MAS heeft afgewezen. Aan het begin van rov. 8.7 heeft het hof, voor zover relevant, het volgende overwogen:
Subonderdeel 6.1klaagt dat het hof de bij petitum onder ii ingestelde 843a Rv-vordering ten onrechte zonder enige motivering heeft afgewezen. Het middel voert aan dat dit temeer klemt omdat (a) het hof een veroordeling tot de hiervoor genoemde schadevergoeding heeft uitgesproken, (b) het hof aan zijn verwijzing naar de schadestaatprocedure in rov. 8.7 ten grondslag heeft gelegd dat er “
onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om tot vaststelling van de managementvergoeding over de periode tot 30 juli 2015 te komen”, terwijl (c) de 843a Rv-vordering nu juist betrekking heeft op bescheiden die daarvoor relevant zijn en (d) MAS dus opnieuw dezelfde vordering zou moeten instellen teneinde een op de voet van art. 613 lid 1 Rv Pro te betekenen schadestaat te kunnen opstellen.
Subonderdeel 6.2voert aan dat het hof ook de reconventionele vordering onder iii zonder kenbare motivering heeft afgewezen, zodat het arrest ook in dat opzicht ontoereikend gemotiveerd is.
Onderdeel 7 van het principale en incidentele cassatiemiddel van Spinnin c.s.is gericht tegen rov. 8.7 en 8.8 en voert aan dat het hof de in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de co-managementovereenkomst resp. de brief- en productieovereenkomst en aansprakelijk is voor de dientengevolge geleden schade en de gevorderde schadevergoeding ten onrechte heeft afgewezen, dan wel dat het oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
Onderdeel 8 van het principale en incidentele cassatiemiddel van Spinnin c.s.bevat enkel een veegklacht.