Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van veertig uur, subsidiair twintig dagen hechtenis.
eerste middelbevat de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2019 niet blijkt dat aan de verdachte de mogelijkheid is geboden om als laatste te spreken.
inhoudelijke op de strafzaak tegen de verdachte betrekking hebbende argumenten”. [1] Dat aan de verdachte deze mogelijkheid is geboden moet expliciet blijken uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting. [2] In zijn arrest van HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0820,
NJ1998/243 m.nt. De Hullu, overwoog de Hoge Raad dat artikel 311 lid 4 Sv Pro, gelezen in combinatie met artikel 331 lid 1 Sv Pro, [3] niet inhoudt “
dat aan de raadsman, evenals aan de verdachte het laatste woord moet worden gelaten, doch vloeit uit die bepalingen slechts voort dat aan de raadsman de bevoegdheid toekomt om het laatst te spreken”. [4] De raadsman moet dus om het laatste woord vragen en aan de verdachte
moetde mogelijkheid om als laatste te spreken worden geboden. [5]
NJ2018/173. In die zaak werd aan de verdachte en de raadsman
tegelijkhet recht gelaten om het laatste te spreken. De Hoge Raad keurde deze gang van zaken goed en oordeelde daartoe als volgt:
nietdat ook aan de verdachte die gelegenheid is geboden. Het hof heeft het voorschrift van artikel 311 lid 4 Sv Pro op straffe van nietigheid veronachtzaamd zodat het middel terecht is voorgesteld.