ECLI:NL:PHR:2021:455

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 maart 2021
Publicatiedatum
7 mei 2021
Zaaknummer
19/03194
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 WVW 1994Art. 311 lid 4 SvArt. 331 lid 1 SvArt. 279 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-naleving recht laatste woord verdachte

De verdachte was door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor het rijden terwijl het rijbewijs ongeldig was verklaard. In hoger beroep werd het arrest van het hof bestreden omdat uit het proces-verbaal niet bleek dat de verdachte expliciet het recht had gekregen om als laatste te spreken, zoals voorgeschreven in artikel 311 lid 4 Sv Pro.

De Hoge Raad oordeelde dat dit voorschrift op straffe van nietigheid moet worden nageleefd en dat het proces-verbaal expliciet moet vermelden dat de verdachte deze mogelijkheid heeft gekregen. In de onderhavige zaak bleek uit het proces-verbaal alleen dat de raadsman het laatste woord kreeg, maar niet dat de verdachte zelf dit recht had, waardoor het arrest nietig is.

De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd bevestigd dat het recht van de verdachte om als laatste te spreken een fundamenteel procesrecht is. Omdat het middel slaagde, werden de overige middelen niet inhoudelijk behandeld. De zaak werd vernietigd en terugverwezen naar het hof voor een nieuwe behandeling in hoger beroep.

Deze uitspraak benadrukt het belang van het recht van de verdachte om zich als laatste uit te spreken in het strafproces en de noodzaak dat dit expliciet wordt vastgelegd in het proces-verbaal.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens niet-naleving van het recht van de verdachte om als laatste te spreken en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/03194
Zitting23 maart 2021 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 28 juni 2019 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch met betrekking tot parketnummers 96/229474-17 en 96/224271-17 wegens “
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van veertig uur, subsidiair twintig dagen hechtenis.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelbevat de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2019 niet blijkt dat aan de verdachte de mogelijkheid is geboden om als laatste te spreken.
4. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2019 houdt – voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang – het volgende in:
“De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
wonende te [plaats], [a-straat 1]
Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. T.J.F. Wassenaar, advocaat te ’s-Hertogenbosch.
(…)
De advocaat-generaal legt de schriftelijke vordering aan het hof over.
De raadsman pleit overeenkomstig de door hem aan het hof overgelegde pleitnotitie, welke aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.
De advocaat-generaal doet afstand van repliek.
Aan de raadsman wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De raadsman geeft te kennen daarvan geen gebruik te willen maken.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen.
De voorzitter spreekt vervolgens het arrest uit.”
5. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge artikel 311 lid 4 Sv Pro moet aan de verdachte op straffe van nietigheid de mogelijkheid worden geboden om als laatste te spreken. De gedachte hierachter is dat de verdachte zich op deze manier voor een laatste keer kan uitlaten over “
inhoudelijke op de strafzaak tegen de verdachte betrekking hebbende argumenten”. [1] Dat aan de verdachte deze mogelijkheid is geboden moet expliciet blijken uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting. [2] In zijn arrest van HR 14 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0820,
NJ1998/243 m.nt. De Hullu, overwoog de Hoge Raad dat artikel 311 lid 4 Sv Pro, gelezen in combinatie met artikel 331 lid 1 Sv Pro, [3] niet inhoudt “
dat aan de raadsman, evenals aan de verdachte het laatste woord moet worden gelaten, doch vloeit uit die bepalingen slechts voort dat aan de raadsman de bevoegdheid toekomt om het laatst te spreken”. [4] De raadsman moet dus om het laatste woord vragen en aan de verdachte
moetde mogelijkheid om als laatste te spreken worden geboden. [5]
6. Een vergelijkbaar geval als onderliggend geval deed zich voor in het arrest van HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9179. In die zaak bleek uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting, hoewel de verdachte eveneens aanwezig was, dat enkel aan de raadsman het recht werd gelaten om als laatste te spreken. De Hoge Raad oordeelde dat hiermee hetgeen in artikel 311 lid 4 Sv Pro op straffe van nietigheid is voorgeschreven niet in acht is genomen. Anders was dit in de zaak die leidde tot HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372,
NJ2018/173. In die zaak werd aan de verdachte en de raadsman
tegelijkhet recht gelaten om het laatste te spreken. De Hoge Raad keurde deze gang van zaken goed en oordeelde daartoe als volgt:
“Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat, nadat de Advocaat-Generaal het woord had gevoerd tot repliek, de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Noch uit dit proces-verbaal, noch uit hetgeen ter toelichting op het middel is aangevoerd, volgt dat de verdachte van dit recht geen gebruik heeft kunnen maken. Ook de omstandigheid dat de raadsman van de verdachte na de mededeling hieromtrent het woord nog heeft gevoerd, leidt niet tot die gevolgtrekking.”
7. Ik keer terug naar de voorliggende zaak. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juni 2019 blijkt enkel dat aan de raadsman de gelegenheid is geboden om als laatste te spreken en
nietdat ook aan de verdachte die gelegenheid is geboden. Het hof heeft het voorschrift van artikel 311 lid 4 Sv Pro op straffe van nietigheid veronachtzaamd zodat het middel terecht is voorgesteld.
8. Het middel slaagt.
9. Nu het eerste middel mijns inziens slaagt, meen ik dat het tweede en het derde middel, waarmee wordt opgekomen tegen de bewezenverklaring en de schending van de redelijke termijn, geen bespreking behoeven. Mocht Uw Raad daarover anders oordelen, dan ben ik graag bereid tot het nemen van een aanvullende conclusie.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.C.M. Pelser in C.P.M. Cleiren, J.H. Crijns & M.J.M. Verpalen (red.)
2.HR 14 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4134, en HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3773.
3.Art. 331 lid 1 Sv Pro luidt: “
4.Zie daarentegen echter ook HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3250.
5.Zie ook Corstens, a.w., p. 750.