Conclusie
6.0 Fixatie van de kolommen
7.0 Conclusies en aanbevelingen
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Onderdeel 1ziet op de vraag of het hof bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van VVE ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij pas is opgericht op 24 september 2003. De klachten richten zich tegen (passages uit) rov. 3.10, 3.14, 3.22 en 3.23.
Onderdeel 2bestrijdt de door het hof geformuleerde maatstaf voor aansprakelijkheid van VVE c.s. in rov. 3.13.
Onderdeel 3bevat een aantal voortbouwende klachten en klaagt verder dat het hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of kenbaar was dat de verwezenlijking van bedoelde gevaren tot ernstige schade kon leiden.
Onderdeel 4bestrijdt het oordeel in rov. 3.22 dat VVE en Q-Park door het plan van aanpak van W&N uit te voeren zonder eerst het advies van Geoconsult op te volgen om SoM te raadplegen hebben nagelaten tijdig de gezien de omstandigheden van het geval passende en redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen om het ontstaan van schade als gevolg van de aanwezigheid van de mijnen te voorkomen, en zij daarmee onzorgvuldig hebben gehandeld, althans nalatig zijn geweest in de zin van de BBr 2000. Het onderdeel bestrijdt in het bijzonder de verwerping van het verweer van VVE dat zij mocht vertrouwen op het advies van W&N en het hofoordeel dat het advies van W&N redelijkerwijs niet zo mocht worden begrepen dat met haar plan van aanpak adequate maatregelen werden genomen om mijnschade te voorkomen.
Onderdeel 5keert zich tegen het oordeel in rov. 3.23 dat er een causaal vestigingsverband (condicio sine qua non) aanwezig is tussen het door het hof aangenomen onzorgvuldig handelen of nalaten van VVE en Q-Park en het ontstaan van schade als gevolg van de sinkhole.
Onderdeel 6komt op tegen het oordeel in rov. 3.23 over het toerekeningsverband volgens art. 6:98 BW Pro.
Kelderluik-arrest [9] heeft Uw Raad aangegeven welke gezichtspunten in aanmerking moeten worden genomen bij het onrechtmatigheidsoordeel in gevaarzettingssituaties:
wist of behoorde te wetenvan het door hem gecreëerde gevaar en de dreigende verwezenlijking daarvan (het kennisvereiste) [13] . De maatschappelijke zorgvuldigheid reikt immers niet zo ver dat ook voorzorgsmaatregelen zouden moeten worden getroffen, wanneer de laedens niet weet en ook geen redenen heeft om aan te nemen dat er enig gevaar dreigt [14] . De ratio hiervan is dat van deelnemers aan het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat zij hun gedrag afstemmen op onbekende gevaren [15] . Voor het aannemen van onzorgvuldigheid moet de kennis van de laedens betrekking hebben op:
daadwerkelijkheeft voorzien: objectivering en generalisering [17] .
behoren te wetendat aan zijn handelen een zeker risico was verbonden. Dit geeft de rechter de mogelijkheid om niet alleen de risico’s die de laedens kende (subjectieve kennis), maar ook de risico’s die hij behoorde te kennen (objectieve kennis) aan zijn onrechtmatigheidsoordeel ten grondslag te leggen [18] . Onder omstandigheden kan de onrechtmatigheid van het handelen van de laedens worden aangenomen op grond van schending van een onderzoeksplicht met betrekking tot gevaren die de laedens niet kende, maar – vanwege de mogelijkheid van (nagelaten) nader onderzoek – wel had behoren te kennen [19] . Objectivering kan ook plaatsvinden door kennispresumptie: de onrechtmatigheid wordt dan gebaseerd op wat de laedens wordt
verondersteldte weten, bijvoorbeeld op grond van zijn deskundigheid of zijn maatschappelijke functie [20] .
in algemene zinwist of had behoren te weten over de aan zijn gedrag verbonden risico’s. Op basis van die algemene kennis had de laedens zijn gedrag dan al behoren aan te passen [21] .
voorzienbaarheidvan het gevaar dat hij met zijn gedrag oproept [22] . De jurisprudentie laat zien dat het bijvoorbeeld kan gaan om het algemene gevaar op verkeersongevallen [23] , een algemeen gevaar voor gezondheid [24] . Vereist is dus
nietde voorzienbaarheid van de concrete causaliteit tot het ongeval of tot de schade, noch van het concrete ongeval of de wijze waarop dat zich verwezenlijkt heeft [25] . Voldoende is de voorzienbaarheid van een categorie van gevaren die naar ervaringsregels op een of andere wijze uit het betreffende gedrag zouden kunnen voortvloeien. Een voorbeeld is het Legionella-arrest: het was voldoende dat de laedens behoorde te weten dat een zekere veiligheidsnorm strekte tot bescherming tegen gezondheidsschade. Het gaat er om dat de laedens wist dat hij de doos van Pandora opende, bekendheid met de plagen die daaraan zouden ontsnappen is niet nodig.” [26]
Legionella-arrest [30] is een voorbeeld van generalisering. In die zaak hadden bezoekers van de Westfriese Flora een legionellabesmetting opgelopen. In cassatie staat vast dat de handelaar van whirlpools bekend was of behoorde te zijn met het gevaar van bacteriegroei in whirlpools en met de ernstige gevolgen hiervan voor de gezondheid van mensen als hij niet de normale maatregelen ter bestrijding ervan zou nemen. De handelaar verweerde zich echter met de stelling dat hij niet bekend was en ook niet kon zijn met de
specifiekelegionellabacterie en het gevaar daarvan, en evenmin met de
specifiekemanier waarop deze bacterie zich kon verspreiden. Uw Raad verwierp dit verweer met de volgende redenering: de handelaar is tekortgeschoten in het treffen van de normale maatregelen ter vermijding van het hem bekende ernstige gevaar voor de gezondheid van mensen. Dan is hij ook aansprakelijk wanneer hij niet wist op welke specifieke wijze en met welke specifieke ernstige gevolgen dit gevaar zich in een situatie als in die zaak aan de orde zou kunnen verwezenlijken. Dit zou alleen anders zijn, wanneer hij had kunnen aantonen dat ook als hij wél alle normale maatregelen had genomen ter vermijding van het hem bekende gevaar, de legionellabesmetting niet zou zijn voorkomen [31] . In dit arrest was voor het aannemen van onrechtmatigheid specifieke kennis omtrent het gecreëerde risico dus niet vereist; in beginsel volstond de algemene kennis over gevaar van bacteriegroei in whirlpools aan de zijde van de laedens [32] . In de arresten
De Schelde I [33] en
De Schelde II [34] is sprake van een vergelijkbare vorm van generalisering [35] . In die zaken over werkgeversaansprakelijkheid op grond van art. 7A:1638x BW (oud) was De Schelde tekortgeschoten in haar verplichting om al die veiligheidsmaatregelen te nemen die nodig waren met het oog op de haar bekende gevaren van het werken met asbest (het risico van
asbestose). Daardoor was de kans op
mesothelioom(een andere asbestziekte) in aanmerkelijke mate verhoogd. De Schelde werd aansprakelijk gehouden, ook al had de nalatigheid geleid tot de verwezenlijking van het haar toen niet bekende gevaar van mesothelioom. Dit is volgens Uw Raad alleen anders, wanneer De Schelde aannemelijk zou maken dat het nemen van de destijds vereiste veiligheidsmaatregelen de verwezenlijking van het gevaar voor mesothelioom waarschijnlijk niet had kunnen voorkomen.
‘t Ruige Veld [41] volgt dat ten aanzien daarvan een vergaande vorm van generalisering is toegestaan. Die zaak betrof de aansprakelijkheid van een psychiatrische kliniek voor de brandstichting door een ontsnapte patiënte. In geschil was of brandstichting door de patiënte voor de kliniek wel voorzienbaar was. Uw Raad oordeelde dat alleen al het feit dat aan het weglopen van de patiënte verhoogd gevaar voor enigerlei schade aan derden was verbonden, de kliniek aanleiding had moeten geven om nadere maatregelen ter voorkoming van weglopen te treffen die verder gingen dan het gebruikelijke toezicht, onverschillig of al dan niet viel te verwachten tot welke soort schade weglopen van de patiënten in concreto zou kunnen leiden [42] .
Melchemie/Delbanco [44] was het feit dat de laedens in algemene zin bekend was met de betrokken risico’s in de omstandigheden van dat geval onvoldoende voor het aannemen van onrechtmatigheid [45] .
In die zaak had Melchemie gevaarlijke stoffen ter bewaring gegeven aan CMI. Uit een brief van de Milieudienst Rijnmond bleek dat CMI in haar opslagloodsen de Wet milieubeheer overtrad en op grond daarvan op korte termijn maatregelen moest treffen. Melchemie was hiervan op de hoogte. Op enig moment is in een loods van CMI waar de chemische stoffen van Melchemie waren opgeslagen brand ontstaan die vervolgens was overgeslagen naar een naburige loods, waardoor een aan Delbanco toebehorende voorraad paardenhaar verloren is gegaan. Delbanco en haar verzekeraars vorderden een verklaring voor recht dat Melchemie aansprakelijk was voor de schade wegens schending van een op haar rustende zorgplicht. Het hof wees deze vordering toe. Uw Raad casseerde en overwoog daartoe als volgt:
Struikelende broodbezorger [51] .In die zaak hadden kinderen een touwtje gespannen bij een voordeur. Twee andere kinderen (kleuters) zagen dit gebeuren maar laten na om de broodbezorger te waarschuwen. De broodbezorger valt vervolgens over het touwtje. Het hof was van oordeel dat het nalaten van de kinderen een onrechtmatige daad opleverde ondanks dat zij te jong waren om het aan de situatie verbonden acute gevaar te beseffen. Maar dat hield geen stand in cassatie:
[…] [52] en
Ponzi-zwendel [53] heeft Uw Raad het vereiste van gevaarsbewustzijn bevestigd [54] .
Het arrest
[…]ziet op de beroepsaansprakelijkheid van een belastingadviseur. De opdracht hield op zich niet in dat de belastingadviseur zich op de hoogte moest stellen van de financiële belangen van zijn cliënte en haar daarover, ook ongevraagd, moest adviseren. Uw Raad vernietigde het oordeel van het hof dat de belastingadviseur onrechtmatig had gehandeld door zijn cliënte niet op het bestaan van een optie en op de noodzaak van tijdige uitoefening daarvan te wijzen, omdat niet bleek dat de belastingadviseur zich ervan bewust is geweest dat zijn cliënte haar optierecht over het hoofd zag en desondanks heeft nagelaten haar op het bestaan van het optierecht te wijzen.
In
Ponzi-zwendelging het om aansprakelijkheid van de bank voor beleggingsfraude. Het hof had concrete feiten vastgesteld waaruit volgde dat de bank zich daadwerkelijk bewust was van de ongebruikelijke (beleggings)activiteiten op de bij haar aangehouden rekeningen. In rov. 4.6 wordt geoordeeld dat voor aansprakelijkheid van de bank was vereist bewustheid van het daaraan verbonden ‘gevaar’ bij de bank. Gelet op de functie van de bank in het maatschappelijk verkeer en haar specifieke deskundigheid op het gebied van financiële dienstverlening werd dat bewustzijn evenwel verondersteld.
Struikelende broodbezorgervolgt dat bijzondere verplichtingen tot zorg en oplettendheid kunnen voortvloeien uit (i) een speciale relatie met het slachtoffer, of (ii) een speciale relatie met de plaats waar de gevaarssituatie zich voordoet, zo hebben we hiervoor gezien in 2.17. Dergelijke
bijzondere zorgplichtenbrengen mee dat aan het gedrag van de zorgplichtige persoon bijzondere eisen worden gesteld, die uitstijgen boven wat van de gemiddelde deelnemer aan het maatschappelijk verkeer wordt gevergd [60] . Die bijzondere zorgplichten nopen tot een zekere mate van zorg en onder omstandigheden ook tot actief handelen. Bij de aansprakelijkheid van een zorgplichtige persoon gaat het meestal om de vraag of deze voldoende zorg heeft betracht ter voorkoming van de verwezenlijking van het gevaar [61] . Nalaten van een persoon op wie een bijzondere zorgplicht rust, kan – zo volgt uit
Struikelende broodbezorger– niet alleen indien hij zich daadwerkelijk bewust is geweest van het gevaar, maar ook indien dat gevaar voor hem objectief kenbaar was, aansprakelijk worden gehouden wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm [62] . Nalaten door een persoon met een bijzondere zorgplicht kwalificeert niet als zuiver nalaten [63] .
Struikelende broodbezorgerbetoogt Scholten dat bijzondere verplichtingen tot zorg en oplettendheid niet te snel moeten worden aanvaard:
Lycos/[…]:
NJ1975, 149 m.nt. GJS, "O. aangaande dit middel", tweede alinea ("gespannen touwtje"); HR 27 mei 1988,
NJ1989, 29 m.nt. G., rov. 3.2 ("veenbroei").
NJ1994, 172 m.nt. PvS, rov. 3.4; HR 9 mei 1986,
NJ1986, 792 m.nt. G., rov. 3.2; HR 25 september 1981,
NJ1982, 443 m.nt. Ma, rov. 2.
NJ1930 p. 929 e.v. m.nt. PS, "O. omtrent de gegrondheid van het beroep"; interessante verdere casuïstiek in de noot.
voorafgaandeaan de renovatie van het complex. Dat is volgens de klacht onbegrijpelijk, omdat VVE uitdrukkelijk heeft gesteld dat zij pas is opgericht op 24 september 2003 en zij die stelling onder meer naar voren heeft gebracht in het kader van haar verweer dat zij vóór die datum geen wetenschap had (en kon hebben) van de (beweerdelijke) aan de aanwezigheid van mijnen verbonden gevaren, zoals blijkend uit de vóór die datum opgestelde rapporten (en wetenschap van vóór die datum ook niet aan VVE kan worden toegerekend) [72] . Volgens de klacht staat vast dat op 16 april 2003 voor de renovatie van het complex, daaronder begrepen de parkeergarage, een bouwvergunning is afgegeven en dat de parkeergarage na de uitgevoerde renovatie op 14 november 2003 gebruiksklaar is opgeleverd [73] . In de hiervoor bedoelde stelling en het hiervoor bedoelde verweer ligt volgens de klacht – mede gelet op de genoemde vaststaande feiten –
“uiteraard”besloten dat VVE niet v
oorafgaandeaan de renovatie kennis heeft genomen (en kon nemen) van de inhoud van de bedoelde rapporten.
voorafgaand aan de renovatie van het complexkennis heeft genomen van bedoelde rapportages van W&N en Geoconsult [74] . Kennelijk heeft het hof de (enkele) stelling van VVE dat zij pas is opgericht op 24 september 2003 – in het kader van haar verweer dat zij vóór die datum geen wetenschap had (en ook niet kon hebben) van de (beweerdelijke) aan de aanwezigheid van mijnen verbonden gevaren, zoals blijkend uit de vóór die datum opgestelde rapporten van rapportages van W&N en Geoconsult (en wetenschap van vóór 24 september 2003 ook niet aan VVE kan worden toegerekend) – ook niet als een zodanige betwisting opgevat. In cassatie-technisch opzicht is dat volgens mij niet onbegrijpelijk. Bedoelde stelling in het kader van dat verweer leidt niet dwingend tot de conclusie dat VVE daarmee (ook) bestrijdt
voorafgaand aan de renovatie van het complexkennis te hebben genomen van de rapporten. Ook niet in het licht van de vaststellingen dat op 16 april 2003 voor de renovatie van het complex een bouwvergunning is afgegeven en dat de parkeergarage na de uitgevoerde renovatie op 14 november 2003 gebruiksklaar is opgeleverd. De klacht trekt mede op grond van deze vaststellingen de conclusie dat de renovatie op 24 september 2003 al geruime tijd bezig was. Kennelijk heeft het hof die conclusie niet getrokken. Bij gebreke van een daartoe strekkend betoog is dat volgens mij niet onbegrijpelijk. Deze vaststellingen zeggen op zichzelf niets over
wanneerde renovatie is aangevangen; zij sluiten ook niet zonder meer uit dat de renovatie pas na de oprichting van VVE op 24 september 2003 is begonnen [75] . Daar stuit deze motiveringsklacht op af [76] .
“voorafgaand aan de renovatie van het complex”leest als voorafgaand aan
de aanvang vande renovatie [77] . Deze zinsnede laat zich echter ook lezen als: voorafgaand aan
de voltooiing vande renovatie. Is die lezing juist, dan is het bestreden oordeel te minder onbegrijpelijk. VVE is immers opgericht op 24 september 2003 en de parkeergarage is na de uitgevoerde renovatie op 14 november 2003 gebruiksklaar opgeleverd [78] . Hieruit volgt dat VVE in ieder geval voor
de voltooiing vande renovatie van het complex kennis heeft genomen/kunnen nemen van de inhoud van de rapporten [79] . In cassatie wordt ook niet betwist door VVE dat zij vanaf de datum van haar oprichting, dus 24 september 2003, bekend was met de scheurvorming, en dat zij kennis had genomen van de rapportages [80] .
voorafgaande aan de renovatie van het complex. Dit brengt mee dat – voor zover de renovatie van het complex in werkelijkheid inderdaad is aangevangen vóór de datum van oprichting van VVE (24 september 2003) zoals het middel tot uitganspunt neemt – in zoverre in cassatie-technisch opzicht (ook) niet onbegrijpelijk is dat hof in rov. 3.10 en/of rov. 3.14 heeft geoordeeld dat de daar bedoelde bekendheid, beschikking en kennisname ook in zoverre ook betrekking hebben op de periode vóór 24 september 2003. De stelling van VVE dat op 30 augustus 2011 voor het eerst na de renovatie in 2003 scheurvorming wordt geconstateerd en dat dit voor het eerst is dat VVE
“direct”zelf te maken krijgt met scheurvorming, maakt dit volgens mij niet anders.
uitgaande van hun bekendheid met de rapportages van W&N en Geoconsult”,betwisten dat deze aanleiding gaven tot andere acties dan die zijn genomen). Volgens de klacht is de hiervoor genoemde klacht van subonderdeel 1.2 dan van overeenkomstige toepassing en is ook de eerste volzin van rov. 3.21 onbegrijpelijk.
eerstde door Geoconsult in haar rapport van 23 september 2002 gegeven adviezen heeft opgevolgd en bestaat er causaal verband tussen dát onzorgvuldig handelen of nalaten en het ontstaan van schade als gevolg van de sinkhole (waaronder de schade van C&A), omdat het door W&N geadviseerde plan niet zou zijn uitgevoerd als een van die adviezen was opgevolgd (volgens de klacht: het advies contact op te nemen met SoM c.q. SoM te raadplegen c.q. een
“deugdelijk vooronderzoek”laten uitvoeren). Het onzorgvuldig handelen of nalaten waarop het hof in rov. 3.22 en rov. 3.23 doelt en waarop het zijn verdere oordelen en beslissingen heeft gebaseerd, ziet volgens de klacht op de periode na 16/17 oktober 2002 en vóór de aanvang van de renovatie (waarvoor de bouwvergunning werd afgegeven op 16 april 2003) en in ieder geval vóór de oprichting van VVE op 24 september 2003. Aangezien VVE in die periode nog niet was opgericht, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, volgens de klacht reeds daarom onbegrijpelijk dat VVE in die periode onzorgvuldig zou (kunnen) hebben gehandeld of nagelaten en dat causaal verband (condicio sine qua non-verband en toerekeningsverband) zou (kunnen) bestaan met de schade van C&A (en VVE op die grond voor die schade aansprakelijk zou kunnen zijn).
na de aanvang(maar voor de oplevering) van de renovatie is opgericht en bekend is geworden met de scheurvorming en kennis heeft genomen van bedoelde rapporten – VVE naar het oordeel van het hof aansprakelijk is voor de schade die C&A heeft geleden. Uit rov. 3.14 volgt immers dat VVE in de redenering van het hof dan in ieder geval vanaf 14 september 2003 bekend was met of had moeten zijn met (i) de aanwezigheid van mijnen, (ii) dat aan die mijnen gevaren waren verbonden en dat (iii) de kans op verwezenlijking van deze gevaren reëel was en het noodzakelijk was om maatregelen te treffen, en VVE passende preventiemaatregelen had moeten treffen ter voorkoming van schade als gevolg van mijnen. Gelet op rov. 3.22 had VVE dan op of kort na haar oprichting de adviezen van Geoconsult moeten opvolgen en onder meer contact moeten opnemen met SoM. Blijkens rov. 3.23 zou dit contact volgens het hof dan hebben geleid tot een nader onderzoek door SoM en zou er alsdan rekening zijn gehouden met de mogelijkheid dat ter plaatse een sinkhole zou kunnen ontstaan en zou het door W&N geadviseerde plan niet (zonder meer) zijn uitgevoerd, maar zouden er specifieke maatregelen zijn getroffen om schade als gevolg van een sinkhole te voorkomen (en dus causaal verband aanwezig zijn tussen het onzorgvuldig handelen of nalaten van VVE en het ontstaan van schade als gevolg van de sinkhole). Gelet op de motivering daarvan (“Door het optreden … C&A schade geleden.”) zou ook het hofoordeel over het toerekeningsverband in de laatste vier volzinnen van rov. 3.23 dan niet anders zijn uitgepakt. De klacht is zodoende tevergeefs voorgesteld.
bekend waren of moesten zijn met (i)de aanwezigheid van mijnen,
(ii) dat aan die mijnen gevaren waren verbonden,
(iii)de kans op verwezenlijking van deze gevaren reëel was, en
(iv)de verwezenlijking van die gevaren tot ernstige schade kon leiden, maar zij desalniettemin hebben nagelaten tijdig de gelet op de omstandigheden passende en te vergen preventiemaatregelen te treffen om het ontstaan van schade als gevolg van de aanwezigheid van de mijnen te voorkomen. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel getuigt van onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het kennisvereiste dat geldt voor het aannemen van onzorgvuldig handelen of nalaten in een geval als het onze en/of niet naar behoren is gemotiveerd in het licht van de stellingen van VVE. Hetzelfde geldt volgens het onderdeel voor de daarop voortbouwende oordelen in rov. 3.14 en 3.22. Deze algemene klacht wordt verder uitgewerkt in zeven subonderdelen.
bekend wasmet de achter
(i)tot en met
(iv)genoemde omstandigheden en dat onvoldoende is dat de aansprakelijke gestelde (rechts)persoon daarmee
bekend moest zijn.Van een rechtsplicht om een waargenomen gevaarssituatie die men niet zelf in het leven heeft geroepen en voor het ontstaan waarvan men niet verantwoordelijk is, op te heffen (of anderen daarvoor te waarschuwen), kan immers alleen sprake zijn, wanneer de ernst van het gevaar dat die situatie voor anderen meebrengt tot het bewustzijn van de waarnemer is doorgedrongen, zulks behoudens het bestaan van bijzondere verplichtingen tot zorg en oplettendheid zoals kunnen voortvloeien uit een speciale relatie met het slachtoffer of met de plaats waar de gevaarssituatie zich voordoet [84] . Het hof heeft derhalve miskend dat van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad voor zogeheten
zuiver nalaten –volgens de klacht: het laten voortbestaan van een gevaarlijke situatie die men niet zelf in het leven heeft geroepen – slechts sprake kan zijn indien (ten minste) is voldaan aan het vereiste dat de aansprakelijk gestelde (rechts)persoon
subjectieve wetenschap [85] heeft van het gevaar dat die situatie voor anderen meebrengt, van het feit dat de kans op verwezenlijking van dat gevaar reëel is en van het feit dat de verwezenlijking van dat gevaar tot ernstige schade kan leiden. Geobjectiveerde wetenschap (“behoren te weten” [86] ) is – behoudens in het geval van een bijzondere zorgplicht als hiervoor bedoeld – volgens de klacht niet voldoende.
Indien het hofoordeel aldus moet worden begrepen dat er in onze zaak
geensprake is van een bijzondere zorgplicht van VVE in voormelde zin, maar zij wél onzorgvuldig heeft gehandeld of nagelaten (ook) in het geval VVE met de in rov. 3.13 achter sub (i) tot en met (v) bedoelde omstandigheden
bekend moest zijn, is de klacht volgens mij terecht voorgesteld. In die lezing, dus zonder dat sprake is van een bijzondere zorgplicht van VVE, is in onze zaak volgens mij inderdaad sprake van een
zuiver nalatenen dan heeft het hof miskend dat voor aansprakelijkheid van VVE niet volstaat dat zij
bekend moest zijnmet de hiervoor genoemde omstandigheden, kort gezegd: het gevaar van mijnschade. Geobjectiveerde wetenschap (“behoren te weten”) is voor het aannemen van aansprakelijkheid in een geval van
zuiver nalatenonvoldoende.
In mijn ogen moet het oordeel echter zo worden begrepen dat het hof de gehanteerde maatstaf “bekend waren of
moesten zijn” kennelijk wél heeft gebaseerd op het bestaan van een bijzondere zorgplicht van VVE (en de overige appartementseigenaren) in voormelde zin, met de kennelijke impliciete gedachte dat deze een speciale relatie hebben met de plaats waar de gevaarssituatie zich voordoet. Indien die lezing juist is, en die lijkt mij de beste papieren te hebben, dan kan de klacht niet tot cassatie leiden wegens gemis aan feitelijke grondslag. Daar houd ik het dus op met betrekking tot subonderdeel 2.1.
Subonderdeel 2.4is ook geformuleerd voor het geval het oordeel van het hof moet worden begrepen in de in subonderdeel 2.3 bedoelde zin en klaagt dat het oordeel dan in ieder geval niet naar behoren is gemotiveerd, aangezien het hof niet (kenbaar) ingaat op het (essentiële) betoog van VVE [94] dat: (i) zij geen eigenaar, bezitter, gebruiker [95] of beheerder is van het complex (het gebouw, de opstal) en ook niet van de (onder)grond of de ondergrondse werken (de mijnbouwwerken [96] ), (ii) zij slechts een vereniging van eigenaars is die ten doel heeft het behartigen van (uitsluitend) de gemeenschappelijke belangen van de appartementseigenaars (met het karakter zoals in subonderdeel 2.3 aangegeven), en (iii) zij daarom geen bijzondere zorgplicht heeft, althans niet jegens een huurder zoals C&A. Het hof stelt niet (kenbaar) vast dat, en op grond waarvan, sprake zou zijn van een bijzondere zorgplicht van VVE jegens C&A. Het hof heeft – mede in het licht van dit betoog van VVE – dus niet, althans onvoldoende, duidelijk gemaakt waarom naar zijn oordeel in ons geval kennelijk sprake zou zijn van een speciale relatie van VVE met C&A of met de plaats waar zich de gevaarssituatie heeft voorgedaan (het complex en/of de (onder)grond en/of de mijnbouwwerken), laat staan waarom uit die relatie een bijzondere zorgplicht zou voortvloeien.
Bij de bespreking van subonderdeel 2.1 gaf ik al aan dat rov. 3.13, vierde volzin in mijn ogen inderdaad zo moet worden begrepen dat het hof de gehanteerde maatstaf “bekend waren of moesten zijn” kennelijk heeft gebaseerd op het bestaan van een bijzondere verplichting tot zorg en oplettendheid zoals die kan voortvloeien uit een speciale relatie met het slachtoffer of met de plaats waar de gevaarssituatie zich voordoet. Of op VVE een bijzondere zorgplicht rust, en wat die zorgplicht inhoudt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zo zagen we hiervoor in 2.26.
Het hof heeft niet kenbaar vastgesteld op grond waarvan in onze zaak sprake is van een bijzondere zorgplicht van VVE. De (eventuele juridische en/of feitelijke) relatie van VVE tot de gebruikers van het gebouw (waaronder C&A), het gebouw zelf en/of de (onder)grond waar de gevaarssituatie zich heeft voorgedaan is volgens mij zonder nadere, maar ontbrekende, toelichting niet van dien aard dat daar zonder meer een bijzondere zorgplicht van VVE uit voortvloeit. Althans is dat niet zo wanneer VVE, zoals zij heeft gesteld, zelf geen eigenaar of bezitter (of gebruiker [97] ) is van het gebouw of de (onder)grond (en de ondergrondse werken, zoals aanwezige mijnen) en daarvan ook geen beheerder is. Ik wijs er in dit verband op dat de goederenrechtelijke gemeenschap van de bij de splitsing betrokken appartementseigenaars en de vereniging van eigenaars niet samenvallen, maar naast elkaar bestaan [98] . Verder is hierbij nog van belang dat een vereniging van eigenaars volgens mij ook geen bijzondere deskundigheid of maatschappelijke functie heeft die een bijzondere zorgplicht (zonder meer) zou kunnen rechtvaardigen. Het enkele feit dat een vereniging van eigenaars op grond van art. 5:126 BW Pro het beheer voert over de gemeenschap, met uitzondering van de gedeelten die bestemd zijn als afzonderlijk geheel te worden gebruikt (lid 1), en – binnen de grenzen van haar bevoegdheid – de gezamenlijke appartementseigenaars in en buiten rechte vertegenwoordigt (lid 5) [99] , maakt dit volgens mij niet anders. Althans is dat niet zo zonder nadere toelichting, maar die ontbreekt op dit punt. Dit geldt temeer nu de (wettelijk verplichte) oprichting van een vereniging van eigenaars ten doel heeft het behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de appartementseigenaars (art. 5:112 lid 1 sub e BW Pro) en het beheer van (alleen) de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw in dat kader moeten worden gezien [100] [101] .
Struikelende broodbezorger-arrest rust met betrekking tot gevaarlijke situaties die zich voordoen in het gebouw of op de grond van de (appartements)eigenaars en/of in de ondergrond daarvan. Het hof heeft althans in mijn ogen niet voldoende duidelijk gemaakt waarom in onze zaak naar zijn kennelijke oordeel sprake moet zijn van zo’n bijzondere zorgplicht van VVE in het licht van het uitvoerige betoog van VVE dat en waarom hiervan geen sprake is. De subonderdelen 2.3 of 2.4 lijken mij daarom doel te treffen.
Dit brengt ook mee dat de door hof geformuleerde maatstaf voor aansprakelijkheid van VVE in de vierde volzin van rov. 3.13 inderdaad onjuist is met betrekking tot het kennisvereiste dat geldt voor het aannemen van onzorgvuldig handelen of nalaten van VVE in onze zaak, althans dat hier niet naar behoren is gemotiveerd in het licht van genoemde stellingen van VVE. Deze maatstaf omvat namelijk ook het geval dat VVE met de in rov. 3.13 ad (i) t/m (iv) genoemde omstandigheden bekend had moeten zijn (objectieve wetenschap), ook al was zij daarmee niet daadwerkelijk bekend (subjectieve wetenschap). Hiervoor bleek dat deze maatstaf in cassatie geen stand houdt, nu ook het kennelijke oordeel over het bestaan van een bijzondere zorgplicht van VVE geen stand houdt.
In rov. 3.14 en 3.22 past het hof deze maatstaf toe en acht het hof VVE op grond van deze maatstaf aansprakelijk omdat VVE bekend was of
had moeten zijnmet de in rov. 3.13 achter (i) t/m (iv) genoemde omstandigheden. Ook deze voortbouwende oordelen kunnen dan niet in stand blijven.
specifiekegevaar dat zich in concreto heeft verwezenlijkt (en op het feit dat de kans op verwezenlijking van dat specifieke gevaar reëel is en op het feit dat de verwezenlijking van dat specifieke gevaar tot ernstige schade kan leiden). Het hof vereist ten onrechte geen (subjectieve of geobjectiveerde) bekendheid met het specifieke gevaar dat zich heeft verwezenlijkt (in casu
het gevaar op het ontstaan van een sinkhole), en met de reële kans op verwezenlijking van dat specifieke gevaar en met de ernst van de schade als gevolg daarvan, maar acht (geobjectiveerde) bekendheid met –
in algemene zin–
de gevaren verbonden aan de aanwezigheid van mijnen(in de processtukken door partijen ook wel aangeduid als
“mijnschade”), voldoende als vereiste voor het aannemen van onzorgvuldig handelen of nalaten. Het hof heeft miskend dat het bij onzorgvuldig handelen of nalaten in een geval als het onze gaat om (ten minste) de kenbaarheid of voorzienbaarheid van het specifieke gevaar dat zich in concreto heeft verwezenlijkt en dat generalisering van het gevaar en/of de kenniseis in dat kader niet geoorloofd is. Het hof had derhalve (net als in rov. 3.23 [102] ) bij de kenniseis moeten uitgaan van het specifieke gevaar van het (ter plaatse van het complex) ontstaan van een sinkhole en de schade als gevolg daarvan.
specifiekegevaar dat zich in concreto heeft verwezenlijkt. Dat miskent volgens mij de hiervoor in 2.11 genoemde rechtsregel dat schending van de plicht effectieve veiligheidsmaatregelen te nemen leidt tot aansprakelijkheid indien het gevaar zich realiseert op een wijze of met gevolgen die de laedens niet kende, als de verwezenlijking van dat gevaar zou zijn voorkomen door de veiligheidsmaatregelen die hadden behoren te worden getroffen ten aanzien van de bekende (althans kenbare) risico's, in het geval dat de aangesproken partij zijn plicht veiligheidsmaatregelen te nemen ter vermijding van de hem bekende (althans kenbare) gevaren heeft geschonden. Blijkens rov. 3.22 en 3.23 doet deze regel zich naar het oordeel van het hof in onze zaak voor. Het hof baseert de aansprakelijkheid van VVE in (rov. 3.13-3.14 gelezen in samenhang met) rov. 3.22 immers op het tekortschieten door VVE van haar verplichting tot het nemen van effectieve veiligheidsmaatregelen ter vermijding van de haar bekende (althans kenbare) gevaren verbonden aan de aanwezigheid van mijnen: door het plan van aanpak van W&N uit te voeren zonder eerst de adviezen van Geoconsult op te volgen heeft VVE nagelaten tijdig de gezien de omstandigheden van het geval passende en redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen om het ontstaan van schade als gevolg van de aanwezigheid van de mijnen te voorkomen. Het hof oordeelt vervolgens in rov. 3.23 dat – indien het advies van Geoconsult wél was opgevolgd en contact was opgenomen met SOM – het door W&N geadviseerde plan niet zou zijn uitgevoerd, maar specifieke maatregelen zouden zijn getroffen om schade als gevolg van een sinkhole te voorkomen. Toepassing van genoemde regel in onze zaak leidt – zoals het hof in zoverre terecht heeft geoordeeld – tot aansprakelijkheid van VVE (ook) indien het gevaar zich realiseert op een wijze of met gevolgen die zij niet kende.
variant of the foreseeable’. Dat lijkt mij verdedigbaar, omdat naar het hofoordeel in rov. 3.14 en 3.22 voor VVE kenbaar was dat aan de aanwezigheid van mijnen gevaren waren verbonden voor de constructieve veiligheid van het complex en het VVE duidelijk had moeten zijn dat een serieus en reëel gevaar bestond op het optreden van schade als gevolg van de aanwezigheid van mijnen (“mijnschade”). In zoverre zijn – anders dan het middel tot uitganspunt neemt – in onze zaak het algemene risico op mijnschade en het specifieke risico op het ontstaan van een sinkhole gezien hun aard en ernst wel degelijk van gelijke orde. Daarnaast geldt dat VVE wordt afgerekend op een risico waarop zij volgens het hof haar gedrag redelijkerwijs ook heeft kúnnen afstemmen (vgl. daarvoor ook wat hiervoor in 2.52 aan de orde kwam en hierna nog in 2.55 aan de orde komt).
geleidelijkebodemverzakking (door nazettingen) met schade (“mijnschade”) in de vorm van scheuren die op relatief eenvoudige wijze kunnen worden hersteld en niet de constructieve veiligheid van het gebouw (de opstal) bedreigen. Het hof heeft in dit verband verder geen of onvoldoende rekening gehouden met het (door VVE gestelde [104] ) feit dat het fenomeen van het gevaar van “mijnschade” (een geleidelijke bodemverzakking en scheurvorming) in de hiervoor bedoelde zin moet worden onderscheiden van het – qua aard en ernst onvergelijkbare – fenomeen van het gevaar van schade als gevolg van het ontstaan van een sinkhole (een
plotselingeinstortingsstructuur). De kans op verwezenlijking van het eerstbedoelde gevaar (scheurvorming) moest in 2002/2003 op de plaats van het complex reëel worden geacht, maar de kans op verwezenlijking van het tweede gevaar (een sinkhole) niet, terwijl de ernst van de schade als gevolg van de verwezenlijking van het tweede gevaar (een sinkhole) vele malen ernstiger is dan de ernst van de schade als gevolg van het eerstbedoelde gevaar (scheurvorming). Het tweede gevaar vergt bovendien hele andere maatregelen dan het eerste gevaar. Voor wat betreft de kans op verwezenlijking van het gevaar van het ontstaan van een sinkhole (en de voorzienbaarheid of kenbaarheid daarvan) verwijst de klacht ook naar het hierna in de inleiding van onderdeel 5 achter (a) tot en met (h) samengevatte betoog van VVE dat kort gezegd een sinkhole in 2002/2003 een onbekend dan wel dermate uniek fenomeen was dat zelfs SoM in 2002/2003 geen rekening zou hebben gehouden (hield) met de mogelijkheid dat ter plaatse een sinkhole zou kunnen ontstaan (en dat dit gevaar in 2002/2003 dus niet voorzienbaar of kenbaar was voor SoM, laat staan voor VVE). Het hof is aldus uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans heeft zijn oordeel in het licht van de in dit subonderdeel bedoelde stellingen van VVE niet naar behoren gemotiveerd.
normaliterslechts leidt tot geleidelijke bodemverzakking met schade in de vorm van scheuren die op relatief eenvoudige wijze kunnen worden hersteld en niet de constructieve veiligheid van het gebouw bedreigen. Uit rov. 3.14 (“Op grond van de bevindingen van Geoconsult en W&N is geen andere conclusie mogelijk dan dat aan de aanwezigheid van mijnen gevaren waren verbonden voor de constructieve veiligheid van het complex”) en rov. 3.22 (“Gelet op de verdere bevindingen van Geoconsult (…) had duidelijk moeten zijn dat een serieus en reëel gevaar bestond op het optreden van mijnschade.”) volgt immers dat naar het oordeel van het hof deze ‘normale’ situatie zich in onze zaak niet voordoet [106] .
“althans”)in dat het in de subonderdelen 2.5 en 2.6 gestelde geldt indien, zoals volgens de klacht in het onze geval, sprake is van aansprakelijkheid voor zogeheten
zuiver nalaten– het laten voortbestaan van een gevaarlijke situatie die men niet zelf in het leven heeft geroepen – en geen sprake is van een bijzondere zorgplicht. Indien het hof heeft miskend dat sprake is van zuiver nalaten en geen sprake is van een bijzondere zorgplicht, zijn de in de subonderdelen 2.2 tot en met 2.4 opgenomen klachten volgens het subonderdeel van (overeenkomstige) toepassing.
.Bij de bespreking van dat subonderdeel zagen we dat dit niet tot cassatie kan leiden.
“Dit brengt mee dat zij bekend waren of hadden moeten zijn met (i) de aanwezigheid van mijnen, (ii) dat aan die mijnen gevaren waren verbonden en dat (iii) de kans op verwezenlijking van deze gevaren reëel was en het noodzakelijk was om maatregelen te treffen.”, niet in stand kan blijven. Alleen voor zover het voortbouwt op de slagende klachten van de subonderdelen 2.3 en 2.4 treft deze klacht doel, zie hiervoor in 2.48.
(iv)de verwezenlijking van de door het hof bedoelde gevaren tot
ernstige schadekon leiden. Het hof stelt immers slechts vast dat VVE bekend was of moest zijn met (kort gezegd) de achter
(i), (
ii)en
(iii)genoemde omstandigheden. Het hof past de door het hof in rov. 3.13 geformuleerde maatstaf [107] dus ten onrechte slechts gedeeltelijk toe.
In eerste aanleg heeft VVE gesteld dat uit geen van de beschikbare rapporten opgesteld in de periode tot en met 2003 – waaronder de rapporten van Geoconsult en W&N waarop het oordeel van het hof ziet [110] – bleek dat (als gevolg van de verzakkingen en de daardoor opgetreden scheurvorming) de constructieve veiligheid van het complex in het geding was [111] . VVE heeft daarbij gewezen op een rapport van TNO van 1 november 2012 dat is opgesteld in het kader van de besluitvorming van de gemeente Heerlen rondom de sinkhole [112] , en in het bijzonder de volgende passage:
afgeraden. Op p. 10 van dit rapport staat: (…)
“In de periode tot aan de melding van de scheurvorming in augustus 2011 was de heersende opvatting dat verzakkingen zoals onder 't Loon zich zouden stabiliseren. In kringen van deskundigen was geen aanleiding om van mogelijke sinkhole vorming uit te gaan. De verticale dynamiek van de bodem is daardoor niet als acute dreiging van de constructieve veiligheid beschouwd.
nietwerd veroorzaakt door de verticale verplaatsingen van de kolommen, maar door de horizontale verplaatsing daarvan [119] . Die horizontale verplaatsing kon volgens W&N met het balkenrooster worden verholpen, waarmee volgens haar de constructieve veiligheid was gewaarborgd. Daarom is volgens mij niet (zonder meer) in te zien dat scheurvorming
seceen bedreiging vormde voor de constructieve veiligheid.
Het onderdeel bestrijdt in het bijzonder de verwerping van het verweer van VVE dat zij mocht vertrouwen op het advies van W&N en het oordeel van het hof dat het advies van W&N redelijkerwijs niet zo mocht worden begrepen dat met haar plan van aanpak adequate maatregelen werden genomen om mijnschade te voorkomen.
Het onderdeel klaagt dat deze oordelen getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet naar behoren zijn gemotiveerd.
Deze algemene klacht wordt uitgewerkt in vier subonderdelen.
“renovatie/reparatie te handhaven deel parkeergarage”), met als bijlage 4 het plan van aanpak renovatie van 16 oktober 2002.
W&Nals deskundige naar het oordeel van het hof niet ervan uit kon gaan dat het door haar voorgestelde plan van aanpak toereikend was (op grond van de door het hof aangegeven redenen, wat daar verder volgens de klacht ook van zij) en dat – naar mogelijk in de redenering van het hof besloten ligt –
W&Nde genoemde twee (specifieke) adviezen van Geoconsult in haar rapport had moeten overnemen, brengt nog niet mee dat
VVEer niet (in navolging van de gemeente Heerlen) van uit mocht gaan, en erop mocht vertrouwen (de gerechtvaardigde verwachting mocht hebben), dat het door W&N voorgestelde plan van aanpak toereikend was en het dus niet nodig was om die twee (specifieke) adviezen van Geoconsult op te volgen.
In rov. 3.22 ligt inderdaad besloten het kennelijke oordeel van het hof dat VVE het rapport van W&N van 17 oktober 2002 redelijkerwijs niet zo mocht begrijpen dat met (de uitvoering van) het plan van aanpak van W&N adequate maatregelen werden genomen om mijnschade te voorkomen (zonder dat eerst was vastgesteld wat de mogelijke gevolgen van de in de bodem aanwezige mijnen zouden kunnen zijn) [129] . Dit oordeel is volgens mij onjuist, omdat het te hoge eisen stelt aan de van VVE te vergen zorgvuldigheid in onze zaak. Althans is dit oordeel gelet op de door de klacht genoemde (vast)stellingen niet zonder meer begrijpelijk. De omstandigheid dat
W&Nnaar het oordeel van het hof niet ervan uit kon gaan dat het door haar voorgestelde plan van aanpak toereikend was, zonder dat eerst was vastgesteld wat de mogelijke gevolgen van de in de bodem aanwezige mijnen zouden kunnen zijn (rov. 3.22, tweede alinea, tweede volzin), brengt – zoals de klacht terecht aanvoert – immers nog niet (zonder meer) mee dat
VVEals leek er niet van uit mocht gaan, en erop mocht vertrouwen, dat het door W&N geadviseerde plan van aanpak toereikend was om mijnschade te voorkomen (en het dus niet nodig was om de door het hof bedoelde adviezen van Geoconsult op te volgen). In het licht van genoemde (vast)stellingen valt in mijn optiek niet zonder meer in te zien dat – zoals het hof kennelijk van VVE verlangt – VVE het rapport van Geoconsult van 23 september 2002 zelf had moeten beoordelen, en andere maatregelen had moeten treffen dan door W&N geadviseerd in haar rapport van 17 oktober 2002. In wezen verlangt het hof van VVE dat zij als leek had moeten begrijpen dat – gelet op het advies van de feitelijk door W&N ingeschakelde specifieke deskundige Geoconsult – (de uitvoering van) het daarop volgende plan van aanpak van deskundige W&N niet voldoende was om mijnschade te voorkomen, en er andere maatregelen nodig waren dan door W&N geadviseerd. In mijn optiek gaat een dergelijke aansprakelijkheid van VVE op grond van onzorgvuldig handelen van VVE, althans nalatig zijn in de zin van de BBr 2000, zonder nadere, maar niet gegeven toelichting, te ver, omdat het hof VVE in wezen verantwoordelijk houdt voor een fout van W&N [130] .
Uit rov. 3.22 15e en 16de volzin (
“Weliswaar adviseerde W&N (…) de verzakking nodig.”) volgt het kennelijke oordeel van het hof dat eerst raadpleging van SoM en monitoring van de verzakking nodig was om de oorzaak en omvang van de bodemdaling vast te stellen, alvorens op basis daarvan te kunnen besluiten of (ook) verticale stabilisatie door middel van injectering noodzakelijk was om mijnschade te voorkomen. Dit oordeel is volgens mij niet toereikend gemotiveerd in het licht van het door de klacht genoemde betoog van VVE. Indien dit betoog juist is, had VVE immers gegronde reden om aan te nemen dat verticale stabilisatie door middel van injectering niet noodzakelijk was om mijnschade te voorkomen, ongeacht de oorzaak en omvang van de bodemdaling, zodat nader onderzoek daarnaar niet nodig was. In ieder geval valt in mijn ogen, mede in het licht van de bespreking van subonderdeel 4.1 hiervoor, niet in te zien waarom VVE er gezien het rapport van W&N van 17 oktober 2002 niet op mocht vertrouwen dat verticale stabilisatie door middel van injectering geen te adviseren maatregel meer was en in verband daarmee dus ook geen raadpleging van SoM en monitoring van de verzakking nodig was. Althans valt dat niet zonder nader toelichting in te zien, maar die ontbreekt.
Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel dan ook getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of ook hier niet toereikend is gemotiveerd.
Volgens de klacht volgt dat alleen al uit de in cassatie vaststaande feiten dat (i) W&N en Geoconsult hun onderzoeken hebben verricht in opdracht van de beheerders (RCV en RVM) en
nietvan VVE [137] en (ii) die beheerders bovendien zijn aangesteld door de (appartements)eigenaren VVE [138] .
Ook los daarvan geldt dat er geen grond bestaat voor de aansprakelijkheid van VVE voor (beweerdelijke) fouten van W&N en dat die (beweerdelijke) fouten geen onzorgvuldig handelen of nalaten (in de zin van de BBr 2000) van VVE opleveren en dus ook geen verhaalsrecht van Chubb jegens VVE.
In ieder geval heeft het hof niet duidelijk gemaakt op grond waarvan dit anders zou zijn.
enige resterende oorzaak”was voor de verplaatsingen van de kolommen en de scheuren als gevolg daarvan, zodat het niet (meer) nodig was daarover (wederom) contact op te nemen met SoM. W&N stemde de te adviseren maatregelen daar al op af. In ieder geval valt volgens de klacht niet in te zien dat VVE er gezien het rapport van W&N (mede gelet op het gestelde in subonderdeel 4.1) niet op mocht vertrouwen dat dit niet meer nodig was en dat dit advies van Geoconsult dus niet meer opgevolgd hoefde te worden.
Het hof oordeelt in rov. 3.22 eerste alinea dat Geoconsult in 2002 tot de conclusie is gekomen dat er maar één oorzaak voor de zettingen was aan te wijzen, de aanwezigheid van mijnen en dat daarom het optreden van mijnschade niet mag worden uitgesloten. Met het oog daarop adviseert Geoconsult volgens het hof om (wederom) contact op te nemen met SoM. VVE en Q-Park zijn volgens het hof aldus gewezen op de mogelijkheid dat mijnschade zou kunnen optreden en dat deze nieuwe bevindingen gedeeld moesten worden met SoM. Gelet op de verdere bevindingen van Geoconsult had volgens het hof duidelijk moeten zijn dat een serieus en reëel gevaar bestond op het optreden van mijnschade en was overleg met SoM nodig om uitsluitsel te krijgen.
Gelet op de stelling van VVE dat W&N in haar (latere) rapport van 17 oktober 2002 heeft opgenomen dát schade door aanwezige mijnen (mijnschade) de enige resterende oorzaak was voor de verplaatsingen van de kolommen en de scheuren als gevolg daarvan, zodat het niet (meer) nodig was daarover (wederom) contact op te nemen met SoM, omdat W&N de door haar geadviseerde maatregelen daarop al had afgestemd, is dit oordeel volgens mij niet begrijpelijk. Althans is het dat niet zonder nadere toelichting, maar die is niet verschaft. In ieder geval valt – mede gelet op de volgens mij terecht voorgestelde subonderdelen 4.1-4.3 – niet in te zien dat VVE er gezien het rapport van W&N van 17 oktober 2002 niet op mocht vertrouwen dat het niet meer nodig was om contact op te nemen met SoM. Gelet op de hiervoor genoemde stelling van VVE zou het (wederom) contact opnemen met SoM in zoverre slechts kunnen bevestigen wat W&N toch al aannam en waarop zij haar plan van aanpak al baseerde: dat inderdaad sprake was van schade als gevolg van de aanwezigheid van mijnen (“mijnschade”) [142] .
(i)en
(ii)):
(i)Met Chubb is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat, als het advies van Geoconsult was opgevolgd en contact was opgenomen met SoM, een nader onderzoek door SoM zou zijn uitgevoerd en dat alsdan rekening zou zijn gehouden met de mogelijkheid dat ter plaatse een sinkhole zou kunnen ontstaan. Volgens VVE en Q-Park was een sinkhole een onbekend dan wel dermate uniek fenomeen dat SoM daarmee geen rekening zou hebben gehouden, maar zij hebben dit verweer in het licht van de door Chubb aangehaalde stukken onvoldoende gemotiveerd.
verweervan VVE en de
motiveringdaarvan als volgt samen [143] :
ándere locatie(dan het gebied waarin het complex 't Loon ligt), namelijk een smalle strook langs de Duitse grens, waar sprake is geweest van relatief ondiepe winning van steenkool, en ziet op een
ánder fenomeen(een andere situatie dan bij het complex 't Loon), namelijk op het risico van het ontstaan van een sinkhole als gevolg van stijgend mijnwater (hetgeen bij 't Loon niet de oorzaak was van de sinkhole). Dit blijkt ook uit het door VVE overgelegde TNO-rapport van 1 november 2012 [145] en een artikel uit het Limburgsch Dagblad van 16 november 1995 [146] .
nietvolgt uit dat artikel.
In kringen van deskundigen was geen aanleiding om van mogelijke sinkhole vorming uit te gaan.De verticale dynamiek van de bodem is daardoor niet als acute dreiging van de constructieve veiligheid beschouwd.” [148] (cursivering toegevoegd door mr. Van Wijk)
“SodM ging er tot aan het incident bij 't Loon vanuit dat dit soort incidenten aan het oppervlak zich met name in een smalle strook, langs de Duitse grens, waar sprake is geweest van relatief ondiepe winning van steenkool, voor zouden kunnen doen.” [149] Uit het TNO-rapport en uit recente stukken (in de periode 2013-2016) opgesteld in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken [150] blijkt dat de kennisontwikkeling de afgelopen jaren aanmerkelijk is toegenomen, juist door onderzoek
naar aanleiding vande in 2011 bij 't Loon opgetreden sinkhole. Voordien was de heersende opvatting dat bij verzakkingen zoals onder 't Loon sprake was van een geleidelijke deformatie en dat een dergelijke bodemdaling zich zou stabiliseren. Sinds 2005 is ook de Rijks Geologische Dienst onderdeel van TNO, zodat TNO ook de expertise op het gebied van deze kennisontwikkeling in huis had. TNO heeft bij de totstandkoming van dit rapport ook met SoM gesproken en met de heer Bekendam.
de oorzaak vande sinkhole, niet naar de mogelijkheid tot het ontstaan van een sinkhole in de toekomst en (3) Hageman de beschikking had over kennis en onderzoek dat beschikbaar is gekomen na de renovatie in 2003. Uit de lijst met door Hageman gebruikte documenten bij dit rapport blijkt dat het overgrote deel van de gebruikte documenten van 2012 dateert en Hageman geeft zelf aan dat hij deze “met de huidige kennis en aandacht” voor het fenomeen verzakkingen heeft bestudeerd. Hageman concludeert dat de eerdere verzakkingen niet betekenden dat verwacht mocht worden dat zich op enig moment een sinkhole (dat wil zeggen een plotselinge instortingsstructuur) zou kunnen voordoen. Het leek alsof zich een stabiel systeem had ontwikkeld totdat de sinkhole zich plotseling voordeed. Uit het rapport van Hageman blijkt dat de bevindingen in 2011/2012 een belangrijke aanvulling zijn op eerder bekende informatie.
(a)-(c)) gestelde zeer onwaarschijnlijk. Niet blijkt immers dat SoM sinds het eerste contact in 2001 tot nieuwe inzichten zou zijn gekomen. Bovendien was de sinkhole geen oorzaak van de zettingen en ging geen van de deskundigen ervan uit dat de bodemdaling op enig moment tot een sinkhole kon leiden. Aan het rapport van Crux kan geen waarde worden gehecht.
theoretischemogelijkheid genoemd. Zelfs op dat moment overheerst echter nog steeds de indruk dat sprake is van een mechanisme van geleidelijke deformatie en wordt door SoM niet geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat op korte termijn een sinkhole zou plaatshebben, maar wordt de situatie als veilig beoordeeld. Dit betreft bovendien de situatie in 2011. Als we kijken naar de situatie in 2002/2003, dan kan worden vastgesteld dat niet aannemelijk is dat het optreden van een sinkhole voorspeld had kunnen worden.
(i)en
(ii), niet naar behoren zijn gemotiveerd.
(i)vermelde oordeel dat (onder meer) VVE het door het hof bedoelde verweer onvoldoende heeft gemotiveerd. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk en/of zelf onvoldoende gemotiveerd is, omdat blijkens de hiervoor achter
(a)tot en met
(h)opgenomen samenvatting van de motivering van het bedoelde verweer, de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat VVE dit essentiële verweer wel degelijk voldoende heeft gemotiveerd. VVE heeft volgens de klacht het verweer zelfs uitvoerig gemotiveerd en is daarbij ook ingegaan op “
de door Chubb aangehaalde stukken”. Het hof maakt volgens de klacht
in het geheel nietduidelijk
waaromhet verweer van VVE onvoldoende gemotiveerd zou zijn. De motivering van het oordeel van het hof voldoet niet aan het vereiste dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
De rechtbank oordeelde in eerste aanleg in haar eindvonnis als volgt:
“Ground movements over the coal mines of southern Limburg, The Netherlands, and their relation to rising mine waters”, in het geding gebracht, waarvan de heer J.J. Pöttgens (hierna: Pöttgens) één van de auteurs is. Pöttgens was destijds medewerker bij Staatstoezicht op de Mijnen. In dit artikel wijzen de auteurs op het risico op sinkholes als gevolg van de stijging van mijnwater:
“The rise of mine water towards the surface will bring about a risk of sinkhole development in the southeastern concession areas of the Domaniale-Neu Prick and Goaley-Laurweg, situated in the Dutch-German borderland.”Vast staat dat er in 2001 contact is geweest tussen Geoconsult en Pöttgens, in het kader van het door Geoconsult op 2 april 2001 uitgebrachte onderzoeksrapport. Dit rapport biedt geen enkele aanwijzing dat Staatstoezicht op de Mijnen in 2001 van oordeel was dat een risico op sinkholevorming bestond onder het complex en dit aan Geoconsult heeft meegedeeld. Genoemd artikel uit 1995 duidt ook niet op dat risico. De geciteerde passage ziet op andere locaties en een andere situatie (stijging van mijnwater) dan in die periode bij het complex aan de orde was. Enig ander aanknopingspunt voor de veronderstelling dat Staatstoezicht op de Mijnen in de periode tot 2011 rekening hield met dit risico ten aanzien van het complex, biedt het dossier niet. Integendeel, in het rapport van TNO “Review besluitvormingsproces gemeente Heerlen inzake 't Loon” van 1 november 2012 is als conclusie op het onderdeel “risicobeoordeling” het volgende opgenomen:
“In de periode tot aan de melding van de scheurvorming in augustus 2011 was de heersende opvatting dat verzakkingen zoals onder 't Loon zich zouden stabiliseren. In kringen van deskundigen was geen aanleiding om van mogelijke sinkhole vorming uit te gaan. De verticale dynamiek van de bodem is daardoor niet als acute dreiging van de constructieve veiligheid beschouwd.
(a)tot en met
(h). Hieruit volgt dat VVE haar verweer uitvoerig heeft gemotiveerd en daarbij ook is ingegaan op door Chubb aangehaalde stukken, waaronder het artikel van Bekendam en Pöttgens uit 1995, het rapport van Geoconsult van 2 april 2001 en het TNO-rapport van 1 november 2012 (die volgens Chubb niet kunnen dienen ter betwisting van haar stelling), het rapport van Crux en het rapport van Hageman [154] . Gelet op dit uitvoerige en specifieke verweer van VVE is het hiervoor in 2.83 achter
(i)vermelde hofoordeel dat VVE het door het hof bedoelde verweer onvoldoende heeft gemotiveerd, in mijn ogen zelf niet toereikend gemotiveerd. Het hof heeft volstaan met het niet toegelichte oordeel
datVVE haar verweer onvoldoende heeft gemotiveerd tegenover de door Chubb aangehaalde stukken (zonder daarbij duidelijk te maken op welke stukken dit oordeel precies ziet). Dit oordeel biedt geen inzicht
waaromde argumenten die VVE heeft aangevoerd niet zouden opgaan. Met haar verweer bestreed VVE uitdrukkelijk ook inhoudelijk door Chubb aangehaalde stukken, alsmede de daaraan door Chubb verbonden conclusies. Zonder de argumenten van dit verweer van VVE inhoudelijk te behandelen geeft het hof in wezen niet meer dan een Salomonsoordeel. De summiere motivering van het hofoordeel voldoet in mijn ogen dan ook niet aan het vereiste dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken. De klacht is zodoende terecht voorgesteld.
(i)vermelde oordeel dat voldoende aannemelijk is dat, als het advies van Geoconsult was opgevolgd en contact was opgenomen met SoM, een nader onderzoek door SoM zou zijn uitgevoerd en dat alsdan rekening zou zijn gehouden met de mogelijkheid dat ter plaatse een sinkhole zou kunnen ontstaan. Dat oordeel is in het licht van het hiervoor in
(a)tot en met
(h)samengevatte betoog van VVE volgens de klacht in ieder geval onvoldoende gemotiveerd, mede gezien de redelijk uitvoerige motivering van het diametraal daartegenover staande oordeel van de rechtbank, hiervoor weergegeven in 2.85 [155] . Ook deze voortbouwende klacht treft volgens mij doel, hetgeen in het licht van het vorenbesprokene meen ik geen nadere toelichting behoeft.
“dit verweer” van VVE – “Volgens VVE en Q-Park was een sinkhole een onbekend dan wel dermate uniek fenomeen dat SoM daarmee geen rekening zou hebben gehouden” – afgeleid zou moeten worden dat het hof het verweer van VVE beperkter heeft opgevat dan hiervoor in
(a) tot en met
(h)samengevat weergegeven. Het subonderdeel klaagt dat de wijze waarop het hof dat verweer dan heeft opgevat onbegrijpelijk is in het licht van de stellingen van VVE waarnaar in
(a)tot en met
(h)wordt verwezen.
(a)tot en me
t (h)samengevat weergegeven [156] .
ii)vermelde oordeel van het hof, dat voortbouwt op de achter
(i)vermelde oordelen, niet in stand kan blijven. Alleen voor zover het voortbouwt op de slagende klacht van subonderdeel 5.1 treft ook deze klacht doel.
(ii)vermelde oordeel dat door (onder meer) VVE niet gemotiveerd is bestreden dat áls met de mogelijkheid van het optreden van een sinkhole rekening was gehouden, het door W&N geadviseerde plan niet zou zijn uitgevoerd, maar specifieke maatregelen zouden zijn getroffen om schade als gevolg van een sinkhole te voorkomen. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat VVE dit wél gemotiveerd heeft bestreden. Het subonderdeel stelt dat VVE heeft aangevoerd dat (kort samengevat) [157] :
De klacht lijkt er vanuit te gaan dat VVE voldoende gemotiveerd heeft bestreden dat er in bedoeld hypothetische geval (überhaupt) doeltreffende maatregelen hadden kunnen worden getroffen [158] . Dat het hof kennelijk tot een andere conclusie komt, is volgens mij goed te volgen. Het verweer van VVE ziet alleen op monitoring en injectie van de (diepere) bodem. Dit betekent echter niet dat er geen (andere) specifieke maatregelen getroffen hadden kunnen worden om schade als gevolg van een sinkhole te voorkomen. De stelling genoemd achter
(e)impliceert dat zulke maatregelen wel degelijk getroffen hadden kunnen worden indien de locatie van de sinkhole (of de holte waaruit deze ontstaat) bekend is, en in het hypothetische geval zou daar zeker onderzoek naar zijn gedaan, lijkt mij. Verder leert bestudering van de door het middel genoemde vindplaatsen dat het verweer van VVE veelal niet ziet op bedoeld hypothetische geval. Volgens VVE was het bijvoorbeeld onaannemelijk dat al in een eerder stadium zou zijn geadviseerd tot injectie van de bodem (stelling genoemd achter
(a)), onder meer omdat het volgens VVE onaannemelijk is dat een link zou zijn gemaakt met het onbekende fenomeen van een sinkhole [159] . Dat argument gaat in het hypothetisch geval uiteraard niet op.
maar specifieke maatregelen zouden zijn getroffen om schade als gevolg van een sinkhole te voorkomen” in rov. 3.23 volgens mij dan ook geen dragende overweging. In zoverre faalt de klacht ook bij gebrek aan belang.
(i)en
(ii)vermelde oordelen, niet in stand kan blijven. Alleen voor zover het voortbouwt op de slagende klachten van de subonderdelen 5.1 en 5.3 treft ook deze klacht doel.
(i)en
(ii)weergegeven argumenten van VVE in zijn oordeel had moeten betrekken. In het kader van de aard van de schade had het hof het hiervoor achter
(iii)weergegeven argument van VVE moeten betrekken.
als gevolg van een sinkholehet naar ervaringsregels redelijkerwijze te verwachten gevolg was van het onzorgvuldig handelen of nalaten van VVE (het zogenoemde adequatiecriterium), dus of dit een voorzienbaar gevolg was. Gelet op het verweer van VVE was volgens de klacht schade als gevolg van een sinkhole niet het normaliter te verwachten gevolg van het (beweerdelijk) zonder deugdelijk onderzoek laten uitvoeren van de renovatie; volgens VVE was een sinkhole namelijk (in 2002/2003) een onbekend dan wel dermate uniek fenomeen dat SoM daarmee geen rekening zou hebben gehouden,
laat staan dat VVE daarmee rekening behoefde te houden [161] .Het hof had volgens de klacht dus ook het hiervoor achter
(iv [162] )weergegeven argument van VVE in zijn oordeel moeten betrekken.
(i)tot en met
(iv)weergegeven. Dat klemt volgens de klacht temeer nu Chubb in het geheel niet op die argumenten is ingegaan.
(i)-(iv)weergegeven stellingen van VVE. Deze stellingen zien op de aard van de aansprakelijkheid (
(i)en
(ii)), de aard van de schade (
(iii)), en de voorzienbaarheid van de schade (
(iv)). Het hof heeft miskend dat het die factoren (kenbaar) had moeten betrekken in zijn beoordeling of de schade (als gevolg van de sinkole) in zodanig verband staat met het onzorgvuldig handelen/nalaten van VVE dat zij haar als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend, nu VVE daarop gemotiveerd een beroep heeft gedaan. Door dit na te laten is het hof hetzij uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de factoren die relevant zijn voor de beoordeling van het toerekeningsverband onder miskenning dat bij die beoordeling alle (relevante) omstandigheden van het geval moeten worden betrokken, hetzij is zijn toerekeningsoordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in het licht van de hiervoor weergegeven stellingen van VVE. De subonderdelen 6.1-6.4 zijn zodoende terecht voorgesteld.
3.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
In geval van onrechtmatige daad, zoals in onze zaak aan de orde, vangt de looptijd van de wettelijk rente aan op het moment van het ontstaan van de schade. De
benadeeldekan vanaf dat moment jegens de laedens aanspraak maken op wettelijke rente en deze is zonder ingebrekestelling in verzuim [176] . Maar hoe zit het met de
verzekeraardie de schade van de benadeelde heeft vergoed? In het arrest
BAM/Aqua+is daarover als volgt geoordeeld:
datzij aan C&A wettelijke rente heeft vergoed (vanaf het moment waarop de individuele schadeposten zijn ontstaan) [179] , zodat zij ten aanzien daarvan geen regres kan nemen op VVE.
wanneerzij de schade van C&A heeft vergoed in de veronderstelling dat dit niet relevant was [181] .
primairgevorderde aanvangsdata van de wettelijke rente – vanaf het moment waarop de individuele schadeposten zijn ontstaan – geen feitelijke grondslag. Bij die stand van zaken kon het hof volgens mij niet anders dan terugvallen op de
subsidiairerentevordering, wettelijke rente vanaf de datum van de inleidende dagvaarding. In mijn ogen heeft het hof dan ook terecht en voldoende begrijpelijk de primaire rentevordering van Chubb afgewezen.
Het staat de rechter vrij een contractsbepaling zelfstandig uit te leggen, ook al is deze uitleg door geen van de partijen aangevoerd of verdedigd [184] . De rechter moet met zijn uitleg wel binnen de grenzen van de rechtsstrijd blijven: indien partijen het bijvoorbeeld eens zijn over de uitleg van een contractsbepaling of dat óf uitleg X óf uitleg Y juist is, dan staat het de rechter niet vrij ambtshalve een andere uitleg te geven [185] . In onze zaak geldt voor de uitleg van art. 2 BBr Pro 2000 volgens mij hetzelfde.
adviesuitgebracht om de expertisekosten niet te verhalen. Dat impliceert geen afstand van recht.” [187]
expertisekostenvoor vergoeding in aanmerking komen
bovenop de regreslimiet.Uit het hiervoor in 3.10 weergegeven betoog van Chubb volgt dat zij dit laatste heeft gesteld ten aanzien van de post “buitengerechtelijke kosten”. Deze stelling, waarvan een inhoudelijke onderbouwing in feitelijke instanties overigens ontbreekt, laat zich echter ook zo lezen dat dit alleen ziet op kosten in de zin van art. 6:96 lid 2 sub c BW Pro (redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte), en niet (ook) op kosten in de zin van art. 6:96 lid 2 sub Pro b (redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid). In ieder geval heeft Chubb niet met zoveel woorden gesteld dat (ook) expertisekosten onder de post “buitengerechtelijke kosten” vallen.
zonder expertisekosten van deze regreslimiet uit te zonderen. Hierin ligt in mijn ogen wel degelijk een betwisting besloten van de (blote) stelling van Chubb dat zij voor de post “buitengerechtelijke kosten” verhaal heeft bovenop de regreslimiet. Dat VVE (ook) heeft betoogd dat in de toelichting op art. 2 BBr Pro 2000 is opgenomen dat expertisekosten (überhaupt) niet zullen worden verhaald en alleen al om die reden deze post niet voor vergoeding in aanmerking komt (los van de regreslimiet), maakt dit volgens mij niet anders [191] .
Voor zover deze kosten (…) het maximale verhaalsbedrag van f 1.000.000,-.”, kan zo worden gelezen dat deze alleen ziet op de in de daaraan voorafgaande volzin genoemde (externe) kosten die buiten de sfeer van expertisekosten vallen. Anders gezegd: een verdedigbare lezing is dat de uitzondering op de regreslimiet in de laatste volzin niet ook ziet op expertisekosten (waarvan het Verbond van Verzekeraars de leden het praktische advies heeft gegeven om over en weer af te spreken deze niet te verhalen). Ook indien wordt uitgegaan van de door de klacht voorgestane objectieve uitleg is een dergelijke lezing en het daarmee overeenkomende hofoordeel niet onbegrijpelijk, lijkt mij.