Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als poging tot diefstal van vee uit de weide, omdat, aldus de steller van het middel, een kunuku geen weide is in de zin van art. 324 Wetboek Pro van Strafrecht BES (verder: Sr BES) en er daarmee een innerlijke tegenstrijdigheid is ontstaan aangezien het Hof uitdrukkelijk heeft aangenomen dat een kunuku geen weide is.
hem, verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen, uit een kunuku, gelegen te [plaats] , stuks vee, te weten 24 geiten, toebehorende aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ,
Ter plaatse aangekomen wees de melder ons aan waar het voertuig geparkeerd stond. Wij troffen ter plaatse het voertuig aan. Wij zagen drie personen staan en voor die personen lagen enkele geiten op de grond. Toen heb ik, verbalisant [verbalisant 3] de verdachten hardop aangeroepen. Wij zagen dat de verdachten probeerden te vluchten en één van hen ging in het bos. Ik, verbalisant [verbalisant 3] , heb wederom de verdachten hardop aangeroepen. Wij, zagen dat de verdachten vervolgens zijn blijven staan. Bij het benaderen van de verdachten, herkende ik, verbalisant [verbalisant 3] , één van de verdachten als [verdachte] (het Hof begrijpt: de verdachte). Wij, zagen dat er heel veel geiten op de grond lagen. De geiten waren met touw vastgebonden. Wij zagen dat een hek was vastgebonden aan een hek van een andere knoek en dat het hek zodanig was vastgebonden en gezet, dat de geiten geen andere kant op konden. Wij hebben vervolgens de drie verdachten op 15 januari 2017 aangehouden. De melder en zijn zoon gingen kijken of ze enkele van de geiten konden herkennen. Wij zagen dat één van de geiten dood was en dat deze geit een oormerk had. De melder herkende het oormerk als dat van de geiten van zijn broer genaamd [betrokkene 3] . De melder vertelde aan mij, verbalisant [verbalisant 3] , dat de andere geiten volgens hem van [betrokkene 1] zijn.”
Er waren in totaal 24 geiten, waarvan 1 geit is doodgegaan.”
De twee tangen werden gebruikt om het hek vast te houden."
U toont mij 24 geiten. 23 geiten van deze geiten herken ik als mijn eigendom. Ik herken deze geiten aan hun kleurcombinatie en ras. Ik ben in deze buurt de enige persoon in het bezit van geiten in deze kleurcombinatie. Ik heb deze geiten gisteren nog gezien op mijn terrein.”
Mijn vader heeft een knoek gelegen te [plaats] . Onze geiten hebben een oormerk onder de naam van mijn vader [betrokkene 3] . Op 15 januari 2017 kwam mijn oom bij mij thuis. Hij vertelde dat de politie mensen heeft aangehouden voor diefstal van geiten. Hij heeft ter plaatse waargenomen dat één van de geiten dood was en dat de geit van mij was, omdat hij het oormerk herkende. Toen mijn oom het oormerk en de kleur van de geit omschreef, wist ik meteen dat deze geit inderdaad mijn geit was.”
Op 15 januari 2017 ging ik (het Hof begrijpt: naar [plaats] ) met een vriend en mijn vrouw om mij te helpen. Wij hadden toen een val gezet en een aantal geiten gevangen. Tijdens het vangen was een geit doodgegaan.”
De dag daarna (het Hof begrijpt: 15 januari 2017) gingen [betrokkene 4] , mijn vrouw en ik weer in de knoek van [betrokkene 6] (het Hof begrijpt: knoek ter hoogte van [plaats] ). [betrokkene 5] en ik hebben samen een val gemaakt. Toen wij klaar waren met de val gingen wij in de richting van de geiten om de geiten in de richting van de val te jagen. Toen wij de geiten in de val hadden gekregen begonnen [betrokkene 5] en ik de geiten vast te binden. Toen wij wilden gaan beginnen om de geiten richting de auto te brengen, zag ik dat de politie ter plaatse was gekomen. Ik zag dat één van de geiten dood is gegaan. Ik denk dat toen ze in de val was gelokt zij al moe was en dat ze door de drukte van al de geiten op elkaar is doodgegaan. De kniptangen zijn van mij. Ik heb ze zelf daar naartoe meegenomen.”
dans les champs, des chevaux, ou bêtes de charge, de voiture ou de monture, gros et menus bestiaux, des instruments d'agriculture, des récoltes ou meules de grains faisant partie de récoltes, sera puni de la réclusion.
Stb. 102) werd de reikwijdte van art. 388 (oud) Code Pénal ingeperkt, in die zin dat onder die bepaling in feite enkel strafbaar bleef de diefstal van paarden of lastbeesten, koets-, wagen-, of karrebeesten, of rijbeesten, groot en klein vee – kort gezegd: vee – uit de weide. [3] Een eenvoudiger omschreven bepaling kwam met art. 337 ORO Pro tot stand, dat, voor zover hier van belang, simpelweg diefstal van vee uit de weide (als strafverzwarende omstandigheid) strafbaar stelde. [4] Gelet op de wetsgeschiedenis mag worden aangenomen dat daarmee niet beoogd werd het toepassingsgebied van deze strafbepaling verder te verkleinen. Uiteindelijk is de strafbaarstelling van ‘diefstal van vee uit de weide’ terechtgekomen in art. 311, eerste lid, Sr.
W.2471 stond min of meer dezelfde klacht centraal als in de onderhavige zaak, namelijk dat hetgeen was voorgevallen ten onrechte werd gekwalificeerd als diefstal van vee uit de weide “terwijl de plaats, waar de diefstallen zijn gepleegd, niet als weide zou zijn aan te merken”. De verdachte had tweemaal een schaap gestolen: het eerste schaap was vastgebonden aan een touw op een stuk (gras)grond naast de openbare weg dat de eigenaar van het schaap in huur had en dat werd gebruikt om vee te weiden. Het bij de tweede diefstal ontvreemde schaap liep op stadsgrond aan de Wierdijk te Enkhuizen, tussen twee publieke straten, “welke grond door den eigenaar van het schaap was ingerigt tot weide, en door dezen van de stads-regering [werd] gebruikt voor het schoonhouden der straten”. De Hoge Raad oordeelde als volgt:
O., dat, ofschoon ook verder in het bedoelde arrest is aangenomen, dat de in de laatste plaats vermelde grond voor ieder toegankelijk is, en tevens gebruikt wordt voor het droogen van vischnetten, deze omstandigheden niet in strijd zijn met de aangenomen bestemming en inrigting van dat land tot weide;
weide(
champs) verstaan worden allerlei gronden, zoowel bouwlanden en beemden als heidevelden en andere gronden, waarin paarden en lastbeesten, groot en klein vee om te weiden aan de openbare trouw zijn overgelaten;
champsniet in den weg staat, daar dit woord geenszins eene omsloten grondruimte, maar eene vlakte of veld aanduidt, terwijl door de omstandigheid dat geene afsluiting aanwezig is, het zicht op dergelijke weiden bevindend vee nog des te meer aan de openbare trouw is overgelaten;
weide. Dat is volgens de steller van het middel een onjuiste kwalificatie, omdat daarmee in de eerste plaats een innerlijke tegenstrijdigheid is ontstaan, nu volgens het Hof een kunuku geen weide is, en in de tweede plaats – zo meen ik in de toelichting op het middel te lezen – een te ruime uitleg is gegeven aan de term weide in de zin van art. 324 Sr Pro BES door daaronder ook de kunuku te scharen.
weideanderzijds. Daarmee zou het Hof, aldus de steller van het middel, te kennen hebben gegeven dat een kunuku geen weide is.
tweede middelbehelst eveneens een kwalificatieklacht en houdt in dat het Hof het onder 2 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als – kort gezegd – het vernielen van een goed als bedoeld in art. 366, eerste lid, Sr BES, terwijl uit de bewijsvoering blijkt dat het ging om het doden van een dier, namelijk een geit, zodat de kwalificatie haar grondslag had moeten vinden in art. 366,
tweedelid, Sr BES.
een goedis
vernield. Op zichzelf is het aldus bewezenverklaarde door het Hof correct gekwalificeerd. Voor zover het middel daartegen wil opkomen, faalt het.
een dier(een geit) had
gedooden de bewezenverklaring in zoverre aangepast
,dan had het vermoedelijk op een ontoelaatbare manier de grondslag van de tenlastelegging verlaten. [15]
vernielt of beschadigt. […] Eindelijk geeft de Commissie in overweging in het eerste lid op te nemen:
doodt. Het tweede lid zou dan kunnen vervallen. Dieren behooren immers ook tot de goederen die aan iemand toebehooren.
om die redentwee afzonderlijke bepalingen nodig waren. [17]