Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
[verzoekster 2] , [verzoekster 1] en belanghebbenden zijn (bij plaatsvervulling) erfgenamen van vader. Hun vaderlijk erfdeel is opeisbaar geworden bij het overlijden van moeder.
Rente:
Over de vaderlijke erfdelen (vorderingen op de nalatenschap van moeder) dient op basis van de uiterste wilsbeschikking van vader rente berekend te worden tot het moment van uitbetaling. Het fixatiebeginsel, neergelegd in art. 128 Fw Pro is niet van overeenkomstige toepassing op de vereffening. Ook tijdens de vereffening loopt de rente daarom door. Hiervoor wordt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 augustus 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:3158);
2x € 600,– schuld:
De nalatenschap heeft een schuld van € 600,– aan [verzoekster 2] en € 600,– aan [verzoekster 1] . Dit vanwege girale stortingen van hen op de ervenrekening;
Verrekening verdeelde sieraden:
Aan de activa moet worden toegevoegd een bedrag van € 10.081,93 aan reeds verdeelde sieraden;
Verrekening voorschot erfbelasting:
Er is een bedrag van € 36.548,– aan erfbelasting betaald van de ervenrekening ten behoeve van vijf erfgenamen; [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] hebben erfbelasting in privé betaald. Dit moet nog worden verrekend op de uitdelingslijst;
Opbrengst restant sieraden:
Aan de activa moet worden toegevoegd een PM-post voor de nog te verkopen sieraden;
Gebruiksvergoeding [belanghebbende 1]:
Aan de activa moet worden toegevoegd een PM-post voor de gebruiksvergoeding die [belanghebbende 1] verschuldigd is voor het voortgezet gebruik van het zakelijk onroerend goed van de ouders na de huuropzegging.
Salaris [verweerder]: Het door [verweerder] in rekening gebrachte salaris is te hoog en moet worden gematigd. [verweerder] heeft namelijk onvoldoende informatie verschaft aan [verzoekster 1] en is buiten zijn taak als vereffenaar getreden door zijn werkzaamheden in verband met de pogingen tot verkoop van onroerende zaken, die tot de nalatenschap behoren. Voor het voldoen van de schulden van de nalatenschap was het namelijk niet nodig om onroerende zaken te verkopen.
Er zijn geen schriftelijke opmerkingen ingediend.
3.Bespreking van de prejudiciële vragen
- Moet art. 4:218 lid 5 BW Pro aldus worden uitgelegd dat het in art. 128 van Pro de Faillissementswet neergelegde fixatiebeginsel van overeenkomstige toepassing is op de vereffening van een nalatenschap?
- Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord: dient daarbij onderscheid gemaakt te worden tussen de zogenaamde ‘zware’ en de ‘lichte’ vereffening? Met andere woorden, is het fixatiebeginsel ook van toepassing op erfgenaam-vereffenaars op wie de verplichtingen omschreven in art. 4:218 BW Pro niet rusten? Zo ja, met ingang van welke datum moeten de rentevorderingen in dat geval worden gefixeerd?
- Indien de vraag ontkennend wordt beantwoord: dienen de rentevorderingen zowel bij een positief als bij een negatief saldo van de nalatenschap op de uitdelingslijst te worden opgenomen? Indien deze alleen bij voldoende baten op de uitdelingslijst moeten worden geplaatst, zijn er algemene richtlijnen te geven wanneer sprake is van voldoende baten (rekening houdend met bijvoorbeeld oplopende rente en vereffeningskosten)?
A. De vereffening van een nalatenschap in het algemeen (3.3-3.5).
B. Verplichtingen tot wettelijke vereffening (3.6-3.18).
C. Gradaties van vereffening (3.19-3.30).
D. Uitdelingslijst en verzet (3.31-3.33).
E. Reikwijdte van art. 4:218 lid 5 BW Pro (3.34-3.39).
F. Fixatiebeginsel van art. 128 Fw Pro en de rechtspraak van de Hoge Raad (3.40-3.50).
G. Is art. 128 Fw Pro een op een toepasbaar in het erfrecht? (3.51-3.70).
Ik richt mij daarbij hoofdzakelijk op de beneficiair aanvaarde nalatenschap. De nalatenschap die zuiver is aanvaard, niet is aanvaard of is verworpen (zie art. 4:190 lid 1 BW Pro) blijft dus zo goed als onbesproken.
De wettelijke vereffening van de nalatenschap is sinds 1 januari 2003 geregeld in afdeling 4.6.3 BW (art. 4:202- 4:226 BW). [16] Onder bepaalde hierna aan bod komende omstandigheden moet een nalatenschap volgens deze gedetailleerde wettelijke regels worden vereffend. Daarnaast zijn gedurende de wettelijke vereffening enkele bepalingen van titel 3.7 BW (‘Gemeenschap’) van toepassing (zie art. 4:222 BW Pro).
kande rechtbank een vereffenaar benoemen; hij is daartoe niet verplicht. [24] De rechter kan ook meer dan één vereffenaar benoemen. [25] Gelet op het bepaalde in art. 4:206 lid 4 BW Pro [26] ligt het volgens Kolkman in de meeste gevallen voor de hand te verzoeken dat de benoeming van de vereffenaar uitvoer bij voorraad is. [27]
nietonder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard, dan kan de rechtbank ingevolge art. 4:204 lid 1 BW Pro desondanks een vereffenaar benoemen waardoor de nalatenschap volgens de wet moet worden vereffend (art. 4:202 lid 1 onder Pro b BW). Art. 4:204 BW Pro bevat de voor die gevallen toepasselijke voorschriften. Art. 4:205 BW Pro bepaalt dat wanneer een schuldeiser van een erfgenaam die de nalatenschap verworpen heeft, hierdoor klaarblijkelijk is benadeeld, de rechtbank op zijn verzoek kan bepalen dat de nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers van degene die verworpen heeft zal worden vereffend, en zij zo nodig een vereffenaar kan benoemen.
Ik laat bespreking van de specifieke voorschriften van deze wetsartikelen voor de benoeming van een vereffenaar verder achterwege, gelet op het onderwerp van de gestelde prejudiciële vragen. Wel is art. 4:218 BW Pro ook op wettelijke vereffening door deze door de rechter benoemde vereffenaar van toepassing (behoudens het bepaalde in het later aan bod komende art. 4:221 lid 2 BW Pro) zodat ook de wettelijke vereffening in dat geval een rol speelt bij de beantwoording van de prejudiciële vragen. Zie hierna onder 3.75 e.v.
Deze verplichtingen gelden bij een ‘lichte’ vereffening wel indien de kantonrechter dit heeft bepaald (art. 4:221 lid 1 BW Pro). Deze mogelijkheid van de kantonrechter wordt ook wel aangeduid als het verzwaren van de (lichte) vereffening. [55] Dit zal aan de orde zijn als de erfgenaam/vereffenaar op grond van art. 4:199 lid 2 BW Pro de kantonrechter heeft bericht dat de schulden van de nalatenschap de baten overtreffen. [56] Ik merk derhalve op dat een (verzwaarde) ‘lichte’ vereffening in dat geval dus niet gelijkstaat aan de vereffening van een solvente nalatenschap.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder niet dat de wetgever art. 128 Fw Pro heeft willen uitsluiten van de voorschriften die hier ‘van overeenkomstige toepassing’ zijn. [77]
Koot Beheer/Tideman q.q. [85] geoordeeld dat vorderingen die voortvloeien uit reeds ten tijde van de faillietverklaring bestaande rechtsverhoudingen met de gefailleerde, op de voet van art. 26 Fw Pro voor verificatie in aanmerking komen, ook als ze pas tijdens het faillissement zijn ontstaan. [86] In de prejudiciële beslissing
Credit Suisse Brazil (Bahamas)/Jongepier q.q. [87] heeft de Hoge Raad op het arrest
Koot Beheer/Tideman q.q.de nuancering aangebracht [88] dat het fixatiebeginsel niet zonder meer eraan in de weg staat dat tijdens faillissement uit een bestaande overeenkomst nog nieuwe vorderingen ontstaan die voor verificatie in aanmerking komen, maar dat genoemd beginsel wel meebrengt dat verificatie van dergelijke nieuwe vorderingen uitsluitend mogelijk is indien en voor zover zij reeds besloten lagen in de rechtspositie van de schuldeiser zoals die bij het intreden van het faillissement bestond. Dat laatste is het geval indien de nieuwe vorderingen geen uitbreiding opleveren van de aanspraken die deze schuldeiser op grond van die rechtspositie op dat tijdstip al had. Het fixatiebeginsel houdt immers in dat de rechtspositie van een schuldeiser na het intreden van het faillissement niet te zijnen gunste mag worden gewijzigd.
Boele’s Scheepswerven en Machinefabriek B.V. in liquidatie/Van Galen q.q.(hierna:
Boele II) heeft de Hoge Raad evenwel het volgende overwogen: [89]
NJ2013/291 (
Koot/Tideman), rov. 3.7.2). Weliswaar maakt art. 128 Fw Pro daarop in zoverre een uitzondering dat na de faillietverklaring lopende rente alleen kan worden geverifieerd indien zij door pand of hypotheek is gedekt, maar ook daaruit blijkt dat de wetgever rentevorderingen in beginsel aanmerkt als vorderingen in de zin van art. 26 Fw Pro, die gedurende het faillissement ook tegen de gefailleerde alleen door verificatie geldend kunnen worden gemaakt. Dat art. 128 Fw Pro de verificatie uitsluit van rentevorderingen als de onderhavige die niet door pand of hypotheek zijn gedekt, brengt dan ook mee dat zij gedurende het faillissement niet verhaalbaar zijn, noch jegens de boedel, noch jegens (het vrijgelaten vermogen van) de gefailleerde. Op grond daarvan moet geoordeeld worden dat deze tijdens het faillissement ontstane rentevorderingen gedurende het faillissement niet opeisbaar zijn, zodat de in art. 3:308 BW Pro bedoelde verjaring van deze vorderingen niet gedurende het faillissement begint te lopen.”
Boele II-beschikking heeft de Hoge Raad art. 128 Fw Pro dus onverkort toegepast op rentevorderingen die eerst na het faillissement uit een per die datum reeds bestaande rechtsverhouding ontstaan. [90] Op de discrepantie tussen genoemde uitspraken is in de literatuur de volgende kritiek geuit.
Boele IIallereerst op dat de Hoge Raad in
Koot Beheer/Tideman q.q.het fixatiemoment voor de verifieerbaarheid van vorderingen op een ander moment heeft gelegd en dat daar iets voor valt te zeggen omdat vorderingen die na de faillietverklaring ontstaan, maar toch aan de invloed van de schuldenaar zijn onttrokken, kunnen meedelen in de opbrengst van de boedel. Maar daardoor krijgt art. 128 Fw Pro, aldus Verstijlen, een ander karakter: het wordt van een toepassing van het reguliere criterium, zoals de wetgever dat voor ogen had, tot een uitzondering hierop.
Doordat vervolgens in
Boele IIvoor de toepassing van art. 26 Fw Pro het ‘
Koot-criterium’ wordt gehanteerd, maar art. 128 Fw Pro, met het daaraan ten grondslag liggende oorspronkelijke criterium (fixatie in strikte zin) onverkort wordt toegepast, krijgen de desbetreffende schuldeisers volgens Verstijlen het slechtste van twee werelden: zij kunnen geen verhaal nemen op de boedel én worden uitgesloten van verhaal op het privévermogen.
Koot Beheer/Tideman q.q.– in afwijking van de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever – is beslist dat vorderingen die na datum faillissement worden verkregen uit een reeds bestaande rechtsverhouding, zich voor verificatie in het faillissement van de schuldenaar lenen, de Hoge Raad in de beschikking
Boele IIter zake van dergelijke rentevorderingen art. 128 Fw Pro blijft toepassen. Of dit een bewuste keuze van de Hoge Raad is geweest, dan wel een
slip of the pen, zal de toekomst volgens hen moeten uitwijzen. H.i. is door het arrest
Koot Beheer/Tideman q.q.de basis aan art. 128 Fw Pro komen te ontvallen. [93]
Koot Beheer/Tideman q.q.duidelijk dat art. 128 Fw Pro wetsystematisch afwijkend is en dat dat opnieuw is gebleken uit
Boele II. Uit die beschikking volgt volgens hem dat ook de Hoge Raad ervan uitgaat dat rentevorderingen die voortvloeien uit een voor de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding op grond van
Koot Beheer/Tideman q.q.verifieerbaar zouden zijn geweest, als in art. 128 Fw Pro niet uitdrukkelijk anders zou zijn bepaald. Hij oppert vervolgens de vraag wat deze uitzonderingspositie van de rentevordering rechtvaardigt. Indien het gaat om contractuele rente als tegenprestatie voor het beschikbaar stellen van geld, valt bijvoorbeeld niet in te zien wat het relevante verschil is met een periodieke verplichting van de schuldenaar die de tegenprestatie vormt voor een willekeurige andere doorlopende prestatie onder een andere duurovereenkomst.
De afwikkeling van een nalatenschap verschilt, aldus Biemans, op een aantal punten van de afwikkeling van een faillissementsboedel. [96] Zo dient bij eventuele van overeenkomstige toepassing zijn van art. 128 Fw Pro op de vereffening van de nalatenschap, de vraag te worden betrokken of, en zo ja, wanneer, schulden die na het overlijden van de erflater ontstaan, een schuld van de nalatenschap opleveren, omdat alleen schuldeisers van de nalatenschap hun vorderingen op de goederen der nalatenschap kunnen verhalen (art. 4:184 lid 1 BW Pro) en met de wettelijke vereffening dient te worden gewaarborgd dat de vorderingen van deze schuldeisers van de nalatenschap zoveel mogelijk daadwerkelijk uit de nalatenschap voldaan worden. [97] Of sprake is van een schuld van de nalatenschap is daarnaast van belang voor de vraag in hoeverre beneficiaire aanvaarding het eigen vermogen van de erfgenaam beschermt tegen dergelijke schulden. [98] Om bescherming van beneficiaire aanvaarding te genieten (zie art. 4:184 lid 2 aanhef Pro en onder a BW) moet een schuld onder art. 4:7 BW Pro (schulden van de nalatenschap) vallen. Ik ga daarom eerst kort in op art. 4:7 BW Pro.
goede vereffenaarste beheren en te vereffenen. Is bijvoorbeeld van meet af aan evident dat de woning ook bij een reguliere verkoop nooit genoeg zal opleveren om de bank te voldoen, zodat er geen restantopbrengst zal zijn waarop de andere schuldeisers zich kunnen verhalen, dan zullen de
goede vereffenaarsvan art. 4:211 lid 1 BW Pro volgens hen de betaling van hypotheekrente kunnen en zelfs moeten stopzetten. [103]
buiten de vereffeningzonder meer op de goederen van de nalatenschap worden verhaald.
Art. 4:7 lid 1 BW Pro, dat een opsomming van bevat van ‘schulden van de nalatenschap’, noemt onder a slechts ‘de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan’. In de literatuur hebben enkele schrijvers betoogd dat de onder a genoemde schulden ook ‘nieuwe schulden’ omvatten, om duidelijk te maken dat deze schulden op de nalatenschap kunnen worden verhaald. Deze benadering heeft niet mijn voorkeur. Het onderbrengen van deze nieuwe schulden bij ‘de reeds bestaande schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan’ is niet noodzakelijk om tot de conclusie te komen dat deze schulden kunnen worden verhaald op de goederen van de nalatenschap. De opsomming van art. 4:7 lid 1 BW Pro is niet limitatief. Het is daarom denkbaar dat deze schulden een andere, eigen niet in art. 4:7 lid 1 BW Pro genoemde categorie schulden vormen. Terminologisch gezien verdient dat ook de voorkeur. Art. 4:7 lid 1 BW Pro spreekt immers over ‘de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan’. Dat veronderstelt dat het gaat om reeds ten tijde van het overlijden van de erflater bestaande schulden, welke uitleg aansluit bij de betekenis van art. 4:182 lid 2 BW Pro, dat ook (slechts) ziet op de reeds ten tijde van het overlijden van de erflater bestaande schulden, zoals hiervoor betoogd. (…)”
allevorderingen van schuldeisers van de nalatenschap worden gefixeerd vanaf het door hem genoemde moment.
Credit Suisse/Jongepier q.q., dus mede afhankelijk van het fixatiebeginsel, dat inhoudt dat door de vereffening de rechtspositie van deze schuldeisers van de nalatenschap onveranderlijk wordt. Vorderingen die voortvloeien uit een reeds bestaande rechtsverhouding van de erflater, kunnen ter verificatie worden ingediend, ook als ze pas ná het begin van de vereffening zijn ontstaan. De verificatie van dergelijke nieuwe vorderingen is echter uitsluitend mogelijk indien en voor zover zij reeds besloten lagen in de rechtspositie van de schuldeiser zoals die bij het intreden van de vereffening bestond.
Hij vertaalt
Credit Suisse/Jongepier q.q.naar de vereffening van de nalatenschap vervolgens aldus:
niethet overlijden van de erflater tot uitgangspunt te worden genomen, maar het begin van de vereffening.”
Koot Beheer/Tideman q.q.en
Credit Suisse/Jongepier q.q.aan betekenis heeft verloren. [117] Via deze faillissementsrechtelijke omweg zou dit z.i. een argument kunnen zijn om rentevorderingen alsnog ter verificatie te kunnen indienen tijdens de vereffening van nalatenschappen, indien dat ook in faillissement mogelijk is. Hij sluit dan af met de constatering dat de Hoge Raad ter zake van rentevorderingen die eerst na datum faillissement (uit een per die datum reeds bestaande rechtsverhouding) ontstaan, echter art. 128 Fw Pro is blijven toepassen. [118]
Koot Beheer/Tideman q.q.en
Credit Suisse/Jongepier q.q. Hoewel art. 128 Fw Pro jo art. 4:218 lid 5 BW Pro zich verzet tegen de verificatie van rentevorderingen tijdens vereffening ontstaan, staat de regel op gespannen voet met de genoemde rechtspraak.”
Zoals hiervoor in de behandeling van de verschillende hoofdstukken al aan de orde is geweest, wordt bij de vereffening met regelmaat de vergelijking gemaakt met de afwikkeling van een faillissement.
Hoewel er vele vergelijkingen te maken zijn tussen de situatie van een faillissement en de vereffening van een (negatieve) nalatenschap, kenmerkt de vereffening zich door een aantal bijzonderheden. Niet voor niets heeft de wetgever bij de totstandkoming van het (nieuwe) erfrecht in 2003, gekozen voor een bijzondere regeling, opgenomen in Boek 4 zelf.
Dat vraagt ons inziens om een niet al te ruimhartige overeenkomstige toepassing van het faillissementsrecht bij de beoordeling van vereffeningsvraagstukken. Voldoende waarborg voor het bijzondere karakter van de nalatenschap dient dan ook niet uit het oog te worden verloren.”
Koot Beheer/Tideman q.q.en
Credit Suisse Brazil (Bahamas)/Jongepier q.q., tegenover
Boele II.
dient daarbij onderscheid gemaakt te worden tussen de zogenaamde ‘zware’ en de ‘lichte’ vereffening? Met andere woorden, is het fixatiebeginsel ook van toepassing op erfgenaam-vereffenaars op wie de verplichtingen omschreven in art. 4:218 BW Pro niet rusten? Zo ja, met ingang van welke datum moeten de rentevorderingen in dat geval worden gefixeerd?
Bij een door een of meer erfgenamen beneficiair aanvaarde nalatenschap zullen in beginsel de erfgenamen als vereffenaars optreden en wordt veelal gesproken van een ‘lichte’ vereffening (zie art. 4:202 lid 1 onder Pro a BW). Een dergelijke ‘lichte’ vereffening kan echter ook, indien de kantonrechter dit bepaalt, worden verzwaard ingevolge art. 4:221 lid 1 BW Pro. Hierdoor kunnen onder meer de verplichtingen van art. 4:218 BW Pro alsnog op de erfgenamen-vereffenaars komen te rusten. Een dergelijke verzwaring kan aan de orde zijn als de erfgenaam/vereffenaar op grond van art. 4:199 lid 2 BW Pro de kantonrechter heeft bericht dat de schulden van de nalatenschap de baten overtreffen. [126] De bedoeling van deze bepaling is dat de kantonrechter de erfgenaam kan wijzen op de mogelijkheid een vereffenaar te laten benoemen. [127] Ook kan de kantonrechter in het kader van art. 4:199 lid 2 BW Pro de vereffening verzwaren (vrijstellingen in art. 4:221 lid 1 BW Pro intrekken of andere aanwijzingen geven ingevolge art. 4:210 lid 1 BW Pro). Deze mogelijkheid van de kantonrechter ingevolge art. 4:221 lid 1 BW Pro wordt ook wel aangeduid als het verzwaren van de (lichte) vereffening. [128] Een (verzwaarde) ‘lichte’ vereffening staat in dat geval dus niet gelijk aan de vereffening van een solvente nalatenschap.
Gelet op de bedoeling van de wetgever dat met het zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing vinden van de voorschriften van de Faillissementswet rekening wordt gehouden met het verschil in karakter tussen de vereffening van een nalatenschap “en die van de nagenoeg steeds deficitaire boedel van een schuldenaar die failliet verklaard is”, [134] meen ik dat een duidelijker onderscheid kan worden gemaakt als voor het overeenkomstige toepassing vinden van art. 128 Fw Pro wordt gelet op de vraag of op de vereffenaar de verplichting rust als bedoeld in art. 4:218 BW Pro (al dan niet via art. 4:221 lid 1 BW Pro) oftewel of de nalatenschap solvent is of insolvent. [135] Dit zou betekenen dat als op het nader te beschrijven relevante moment duidelijk is dat de goederen van de nalatenschap niet toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap (waaronder de eventueel reeds lopende rentes) te voldoen, het in art. 128 Fw Pro neergelegde fixatiebeginsel in het kader van de vereffening van een nalatenschap zou gelden voor de nadien lopende rentes. Ik merk daarbij op dat sprake moet zijn van een schuld van de nalatenschap. Kortheidshalve verwijs ik naar mijn conclusie onder 3.52-3.60.
dienen de rentevorderingen zowel bij een positief als bij een negatief saldo van de nalatenschap op de uitdelingslijst te worden opgenomen? Indien deze alleen bij voldoende baten op de uitdelingslijst moeten worden geplaatst, zijn er algemene richtlijnen te geven wanneer sprake is van voldoende baten (rekening houdend met bijvoorbeeld oplopende rente en vereffeningskosten)?