Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
tweedeverdachte, opgeroepen als
[medeverdachte]is: [b-straat 1], [plaats] en het adres van
[verdachte]is: [c-straat 1], [plaats]. Zij hebben allebei werk maar daar kan ik geen stukken van overleggen aan uw hof. Mijn cliënten zouden vandaag bij de terechtzitting aanwezig zijn, maar zij moesten werken. Ik toon u een visitekaartje van het bedrijf van één van beide.
[verdachte]werkt bij de technische dienst van [A] B.V. en
[medeverdachte]werkt in de steigerbouw bij [B] B.V., momenteel in [plaats].’
Matiging: cliënten hebben hun leven op dit moment goed op de rit. Toen zij werden aangehouden was dat anders. Zij bevonden zich toen in een lastige situatie op hun werk.’
onderzoek ter terechtzitting.’ Dat betekent ‘dat de rechter alles wat ter terechtzitting is verklaard of wat in de gedingstukken is neergelegd, in aanmerking mag nemen’. [2] In cassatie kan worden ingegrepen indien deze grens niet in acht is genomen, en ook indien de strafoplegging (in het licht van de gegeven motivering dan wel het ontbreken daarvan) onbegrijpelijk is of verbazing wekt. [3] Wat betreft de LOVS-oriëntatiepunten geldt ten slotte dat de feitenrechter daar niet aan gebonden is en dat de uitleg daarvan aan hem is voorbehouden. [4]
NJ1988/320 had het hof in het bijzonder in aanmerking genomen ‘de ernst van het feit, ook in verhouding tot andere delicten, zulks gelet op het totale karakter van de dienstweigering’, nu dit ‘immers medebrengt dat beklaagde, in tegenstelling tot andere dienstplichtigen, de op hem rustende wettelijke verplichting (…) tot het verrichten van werkelijke militaire dienst, zowel voor eerste oefening als voor herhalingsoefeningen in vredestijd maar ook eventueel in oorlogstijd, dan wel vervangende dienst, niet zal nakomen’. Uw Raad oordeelde dat het de rechter vrijstaat ‘bij de strafoplegging in aanmerking te nemen hetgeen in redelijkheid is te verwachten met betrekking tot het toekomstig gedrag van de beklaagde of verdachte’ en verwierp het cassatieberoep.
NJ1989/774 over een vergelijkbare strafmotivering in een zaak tegen een totaalweigeraar. Uw Raad las in de motivering dat het hof ‘de omstandigheid dat de beklaagde heeft doen blijken dat hij elk dienstbevel zou hebben geweigerd en ook zal weigeren (…) mede in aanmerking (heeft) genomen bij de beoordeling van de ernst van het gepleegde strafbare feit en de persoon van de beklaagde. Het Hof heeft aldus kunnen oordelen zonder strijd met enige rechtsregel. Het middel dat er van uitgaat dat het Hof de opgelegde straf mede heeft gefundeerd op (nog) niet gepleegde misdrijven faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.’ A-G Knigge heeft nadien uit dit arrest afgeleid dat Uw Raad ‘afstand heeft genomen van de gedachte dat een verdachte afgerekend mag worden op feiten die hij nog niet heeft gepleegd’. [7]
NJ1990/804 had de politierechter in zijn door het hof bevestigde vonnis, waarbij de verdachte wegens overtreding van art. 26 WVW Pro (oud), thans art. 8 WVW Pro 1994, was veroordeeld, de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf en rijontzegging gemotiveerd met de overweging ‘dat verdachte na aangehouden te zijn met zo’n hoog alcoholpercentage het laakbare van zijn gedrag niet heeft willen inzien en een paar maanden later weer met zo’n hoog alcoholpercentage rijdend met zijn auto wordt aangehouden, terwijl de ‘pakkans’ bijzonder klein is’. Uw Raad oordeelde dat de strafoplegging voor zover zij mede berustte op de overweging ‘terwijl de “pakkans” bijzonder klein is’ onbegrijpelijk was, ‘aangezien de daarin besloten liggende veronderstelling dat de verdachte zich vaker aan het hem verweten gedrag zou hebben schuldig gemaakt zonder ‘gepakt’ te zijn, geen grondslag vindt in de stukken van het geding en mitsdien niet redengevend kan zijn voor de strafoplegging’.
NJ2007/630 ten slotte was ten laste van de verdachte bewezenverklaard het voorhanden hebben van een wapen (een micro Uzi) en in totaal 92 kogelpatronen, alsmede het opzettelijk aanwezig hebben van iets meer dan een kilo amfetamine en 87 pillen MDMA en iets meer dan een kilo soft drugs. Het hof had mede in het licht van ‘de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat verdachte zich later opnieuw met wapens en opiumwetdelicten zal inlaten’ een hogere straf opgelegd dan was geëist. Uw Raad achtte dit oordeel ‘niet zonder meer begrijpelijk’; Uw Raad nam daarbij in aanmerking dat het hof had vastgesteld ‘dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld’, en voorts dat het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ‘onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat de door het Hof bedoelde recidive in redelijkheid te verwachten is’.
followed the requirement of domestic law to provide particularly thorough reasoning for departing from the assessment given to the evidence by the first instance court’ (rov. 51). Dat was volgens het EHRM een waarborg ‘
against arbitrary or unreasonable assessment of evidence or establishment of the facts’ (rov. 50). Dat er geen aanwijzingen waren van willekeur noemt het EHRM ook al eerder (rov. 48) en lijkt derhalve een belangrijk element. Uw Raad heeft deze rechtspraak vertaald in rechtsregels die in de beschreven situatie van toepassing zijn. [20]