Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Algemeen kader: het verbod van tweezijdige courtageberekening
3.Bespreking van de prejudiciële vragen
4.Samenvatting
5.Conclusie
1.Feiten en procesverloop
kantonrechter) is uitgegaan van de volgende feiten: [1]
Airbnb) exploiteert een digitaal platform voor de verhuur en boeking van accommodaties (hierna: het
Airbnb-platform).
platformovereenkomst [2] ). De platformovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd en is van toepassing op alle activiteiten die de gebruikers op het Airbnb-platform uitoefenen.
Listing’ de aanbieding van een accommodatie op het Airbnb-platform is bedoeld, met ‘
Host’ de aanbieder en met ‘
Guest’ de gebruiker die de accommodatie reserveert):
6. Service Fees
“Host Fees”) and/or Guests (
“Guest Fees”) (collectively,
“Service Fees”) in consideration for the use of the Airbnb Platform. More information about when Service Fees apply and how they are calculated can be found on our Service Fees page. (…)
8. Terms specific for Guests
“Total Fees”) will be presented to you prior to booking a Listing. You agree to pay the Total Fees for any booking requested in connection with your Airbnb Account. (…)”
[verzoekster]) heeft zich op 4 februari 2016 geregistreerd bij Airbnb. In de periode van 25 juli 2019 tot en met 16 augustus 2019 heeft zij in verschillende steden in Schotland accommodaties geboekt via het Airbnb-platform. Het ging daarbij steeds om reserveringen van accommodaties voor korte duur, variërend van één tot twee nachten. [verzoekster] heeft daarvoor in totaal € 105,83 aan bemiddelingskosten betaald aan Airbnb.
de Consumentenbond) op de voet van art. 217 Rv Pro een incidentele vordering tot voeging aan de zijde van [verzoekster] ingediend.
2.Algemeen kader: het verbod van tweezijdige courtageberekening
overeenkomst van lastgevinggeregeld. Het betreft een overeenkomst van opdracht in de zin van art. 7:400 e.v. BW, waarbij de ene partij (de lasthebber) zich jegens de andere partij (de lastgever) verbindt om voor rekening van laatstgenoemde een of meer rechtshandelingen te verrichten (art. 7:414 lid 1 BW Pro). De last kan strekken tot het aangaan van rechtshandelingen in eigen naam of in naam van de lastgever (art. 7:414 lid 2 BW Pro).
Selbsteintritt’ is slechts toegestaan indien de inhoud van de te verrichten rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat, dat strijd tussen de belangen van de lasthebber en die van de lastgever is uitgesloten (leden 1 en 2). Bovendien is schriftelijke toestemming van de lastgever vereist, indien deze een consument is (in de zin van art. 7:408 lid 3 BW Pro). Bij gebreke van deze toestemming is de krachtens de last verrichte rechtshandeling vernietigbaar (lid 3). De lasthebber verliest tevens zijn recht op loon (als bedoeld in art. 7:405 BW Pro), indien hij in strijd met de voorgaande regels handelt (lid 4).
beidepartijen bij de te verrichten rechtshandeling. Dat is slechts toegestaan indien de inhoud van de te verrichten rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat, dat strijd tussen hun beider belangen is uitgesloten (lid 1), terwijl ook hier schriftelijke toestemming van de lastgever(s) is vereist, indien het een consument (of consumenten) betreft (lid 2). De lasthebber heeft geen recht op loon jegens de lastgever(s) ten opzichte van wie hij in strijd met de voorgaande regels handelt (lid 3). Verder bevat dit artikel een bijzondere bepaling voor gevallen van tweezijdige bemiddeling bij de koop of huur van onroerend goed waarbij een of meer consumenten zijn betrokken (lid 4). Deze bepaling wordt ook wel aangeduid als ‘het verbod van tweezijdige courtageberekening’ en is de bepaling waar het in deze zaak om gaat.
Bemiddeling en belangenconflicten (art. 7:425 e.v. BW)
bemiddelingsovereenkomstgeregeld. Het betreft, evenals lastgeving, een overeenkomst van opdracht, met dit verschil dat de bemiddelaar zich (in beginsel [20] ) niet verbindt om voor rekening van de opdrachtgever rechtshandelingen te verrichten, maar om ‘als tussenpersoon werkzaam te zijn bij het tot stand brengen van een of meer overeenkomsten tussen de opdrachtgever en derden’ (art. 7:425 BW Pro). De opgedragen werkzaamheden hebben bij bemiddeling dus primair een feitelijk karakter: een bemiddelaar
faciliteertde te sluiten overeenkomst, maar sluit deze niet noodzakelijkerwijze zelf af (zoals een lasthebber). [21] Een bemiddelaar kan bijvoorbeeld contractspartijen met elkaar in contact brengen, gesprekken tussen hen arrangeren en boodschappen overbrengen van de ene naar de andere contractspartij. Als prototype van de bemiddelaar wordt van oudsher de vastgoedmakelaar genoemd. [22]
om nietkan geschieden, dus zonder dat de bemiddelaar recht heeft op loon. [23] Dit is in 2015 door de Hoge Raad bevestigd in het arrest
Duinzigt. [24]
Wet tweezijdige courtageberekening), [26] als onderdeel van het toenmalige art. 1843a (oud) BW. [27] In de memorie van toelichting bij het betreffende wetsvoorstel (19 385) is de kern van het vierde lid als volgt omschreven:
courtage(‘loon’) in rekening te brengen aan beide opdrachtgevers. Indien ten minste één van de opdrachtgevers een consument is (in de zin van art. 7:408 lid 3 BW Pro) en de tussen hen te sluiten overeenkomst de koop of huur van onroerend goed betreft (in de praktijk meestal een woning [29] ), heeft de bemiddelaar jegens de koper c.q. huurder geen recht op loon. Van deze bepaling mag niet ten nadele van de koper c.q. huurder worden afgeweken, aldus de tweede volzin van art. 7:417 lid 4 BW Pro.
verbod van tweezijdige courtageberekening. [30] Ook in de literatuur wordt die terminologie gebruikt. [31] Ik wijs er evenwel op dat het dwingendrechtelijke regime van art. 7:417 lid 4 BW Pro geldt ongeacht of de verkoper c.q. verhuurder loon is verschuldigd (zoals het slot van de tweede volzin sinds 1 juli 2016 expliciteert). De bepaling verbiedt dus óók een ‘eenzijdige courtageberekening’ aan de koper c.q. huurder van onroerend goed, indien de bemiddelaar tevens (om niet) optreedt voor de verkoper c.q. verhuurder (en ten minste één van de betrokken partijen consument is). Die situatie was aan de orde in de hierna te bespreken
Duinzigt-zaak. [32] In zoverre strekt de bepaling verder dan alleen een verbod van ‘tweezijdige courtageberekening’: zij schrijft dwingend voor aan wie van de betrokken opdrachtgevers courtage in rekening mag worden gebracht.
Totstandkomingsgeschiedenis van het verbod van tweezijdige courtageberekening
Aanleiding voor het verbod
vrije wilsvormingbij consumenten ten aanzien van tweezijdige courtageberekening problematisch heeft geacht: consumenten gingen noodgedwongen akkoord of werden pas achteraf geconfronteerd met courtagebedingen waarvan zij de inhoud en reikwijdte op voorhand niet konden overzien.
Afbakening van het verbod
aanleidinggevormd voor de invoering van het verbod, maar hebben ook gefungeerd als referentiekader voor de
afbakeningervan. Zo heeft de wetgever het verbod, ondanks herhaalde verzoeken daartoe vanuit delen van het parlement, niet willen uitbreiden tot vastgoedbemiddeling in het midden- en kleinbedrijf (MKB), omdat dáárover geen klachten ontvangen waren. Ook was aanvankelijk voorzien in een (per 1 juli 2016 geschrapte) uitzondering voor kamerbemiddelingsbureaus, omdat die (vaak niet-commerciële) bureaus volgens de wetgever een ‘nuttige functie op de kamermarkt’ vervulden. De memorie van toelichting vermeldt over deze afbakeningskwesties:
consumenten.
hoogtevan de bemiddelingskosten die uiteindelijk voor rekening van de koper of huurder kunnen komen, als wel om
transparantiebij het overeenkomen ervan. Doordat alleen de verkoper c.q. verhuurder bemiddelingskosten verschuldigd is, ontstaat een overzichtelijke situatie waarin partijen kunnen onderhandelen over de vraag wie welk deel van de kosten zal dragen. De koper c.q. huurder wordt aldus bij het aangaan van de overeenkomst niet geconfronteerd met ‘verborgen’ of ‘dubbele’ kosten. [41]
Vormgeving als algemene regel van consumentenbescherming
waartegenart. 7:417 lid 4 BW Pro consumenten precies beoogt te beschermen, volgt uit de in 2.14 geciteerde voorbeelden die de wetgever ter rechtvaardiging van de regeling heeft aangevoerd en de in 2.18 geciteerde argumenten die de wetgever heeft aangevoerd voor de keuze van de courtageplichtige partij, dat de regeling strekt ter bescherming van consumenten tegen courtagebedingen en daaruit voortvloeiende bemiddelingskosten die hun worden opgedrongen door een tweezijdig bemiddelaar van wiens dienstverlening zij afhankelijk zijn bij de totstandkoming van de beoogde huur- of koopovereenkomst. Deze doelstelling vindt steun in de
Duinzigt-uitspraak, [45] die ik hierna zal bespreken. Zij wordt ook bevestigd door de nu te bespreken uitbreiding en verduidelijking van de regeling met ingang van 1 juli 2016.
Wet dubbele bemiddelingskosten: uitbreiding van het verbod
Wet dubbele bemiddelingskosten). [48]
alleen aan huurdersbemiddelingskosten in rekening te brengen. Dat was volgens de wetgever nooit de bedoeling geweest. Om dit te verduidelijken is in art. 7:417 lid 4 BW Pro en in de schakelbepaling van art 7:427 BW Pro geëxpliciteerd dat het verbod eveneens geldt als de verkoper c.q. verhuurder geen courtage is verschuldigd. De memorie van toelichting vermeldt hierover:
alle kostenbetreft die ter zake van tweezijdige bemiddeling aan de koper of huurder in rekening worden gebracht, ‘onder welke benaming dan ook’. [54] Desgevraagd heeft de regering toegelicht dat alleen kosten van eventuele werkzaamheden die ná het tot stand komen van de bemiddelde overeenkomst zijn verricht, zoals de kosten van het aanbrengen van voorzieningen in de woning of het laten verrichten van schilderwerk, aan de koper of huurder in rekening kunnen worden gebracht. [55]
Rechtsgevolgen van de schending van het verbod
rechtsgevolgenvan een eventuele schending van die bepaling. Een mogelijke verklaring is dat die rechtsgevolgen in de visie van de wetgever besloten liggen in de wettekst zelf. De eerste volzin van het vierde lid bepaalt immers dat de lasthebber in de daar omschreven gevallen ‘geen recht op loon’ heeft jegens de koper of huurder. Men zou deze formulering aldus kunnen opvatten, dat ieder andersluidend beding, dat wél voorziet in een recht op loon jegens de koper of huurder, van rechtswege nietig is. Het zou dan gaan om een nietigheid die niet uit art. 3:40 BW Pro voortvloeit (de algemene regeling voor nietigheden), maar rechtstreeks uit art. 7:417 lid 4 BW Pro. [56]
regelvoorschrijft (het verbod van tweezijdige courtageberekening), maar niet de
civielrechtelijke rechtsgevolgenvan de schending daarvan (voor de rechtsgeldigheid van het courtagebeding). Voor deze lezing pleit dat in de tweede volzin van het vierde lid is bepaald dat van de eerste volzin ‘niet ten nadele van de koper of huurder’ kan worden afgeweken. Dat is de bekende formule die ook elders in het BW wordt gebruikt om aan te duiden dat het een bepaling betreft die ‘uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling’, met tot gevolg dat een daarvan afwijkend beding op grond van art. 3:40 lid 2 BW Pro niet nietig, maar
vernietigbaaris. De ratio hiervan is dat de wederpartij van de beschermde partij niet moet kunnen profiteren van de door de regeling geboden bescherming. [63]
tussenvormtussen nietigheid en vernietigbaarheid mogelijk, met name bij de schending van dwingendrechtelijke bepalingen van Europees consumentenrecht, waarbij de nietigheid niet van rechtswege ontstaat maar wel ambtshalve door de rechter kan worden geconstateerd, zonder dat de consument daarop een beroep heeft gedaan. [66] Aangenomen wordt dat bij twijfel de
strekkingvan de overtreden wetsbepaling bepaalt of deze tot nietigheid dan wel vernietigbaarheid (of een tussenvorm) leidt. Indien de overtreden wetsbepaling strekt tot bescherming van een bepaalde persoon tegen een andere, zal de sanctie gelet op het voorgaande doorgaans een
vernietigbaarheidzijn. Strekt de bepaling tot bescherming van verschillende belangen (waaronder bijvoorbeeld het algemeen belang), dan kan er reden zijn om de bedoelde tussenvorm te hanteren. [67]
verjaringstermijn. Indien een van art. 7:417 lid 4 BW Pro afwijkend courtagebeding van rechtswege nietig is, zijn de daarop gebaseerde courtagekosten onverschuldigd betaald en heeft de koper c.q. huurder ingevolge art. 6:203 lid 2 BW Pro recht op teruggave van een gelijk bedrag. [68] De op deze terugbetalingsvordering toepasselijke verjaringstermijn bedraagt ingevolge art. 3:309 BW Pro vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser met het bestaan van de vordering en de aansprakelijke persoon bekend is geworden. Indien het courtagebeding vernietigbaar is, ontstaat pas een vordering uit onverschuldigde betaling op het moment dat de koper c.q. huurder het beding vernietigt. De vordering tot vernietiging verjaart ingevolge art. 3:52 lid 1 onder Pro d BW drie jaren nadat de bevoegdheid tot vernietiging aan de betrokkene ‘ten dienste is komen te staan’, met dien verstande dat ingevolge art. 3:51 lid 3 BW Pro te allen tijde een verwerend beroep op de vernietigbaarheid kan worden gedaan.
Toepasselijkheid van het verbod op bemiddeling via websites (Duinzigt)
Duinzigt-zaak uit 2015 [73] heeft de Hoge Raad bevestigd dat het verbod van tweezijdige courtageberekening ook van toepassing is op een bemiddelaar die via een website huurders en verhuurders met elkaar in contact brengt. Het betrof een prejudiciële procedure met als voornaamste geschilpunt de vraag of bemiddelingsbureau Duinzigt zowel voor huurders als voor verhuurders optrad (dus als tweezijdig bemiddelaar in de zin van art. 7:417 BW Pro). Duinzigt betoogde van niet, omdat zij alleen bemiddelingskosten rekende aan
huurders. Verhuurders bood Duinzigt naar eigen zeggen enkel de mogelijkheid om, via haar website, hun woningen ‘kosteloos en vrijblijvend aan het publiek te presenteren’. De Hoge Raad verwierp dit betoog, in lijn met de verduidelijking die de wetgever intussen had voorgesteld in het (toen nog aanhangige) wetsvoorstel dubbele bemiddelingskosten.
afhankelijkzijn van de bemiddelaar, omdat deze rechtstreeks contact met aspirant-verhuurders onmogelijk maakt. In die situatie wordt het courtagebeding de aspirant-huurders feitelijk
opgedrongen. Zij hebben, in de woorden van de Hoge Raad, ‘praktisch geen andere mogelijkheid’ dan het beding te accepteren (rov. 4.3). Men herkent hierin de doelstelling die hiervoor in 2.23 uit de wetsgeschiedenis werd afgeleid.
Duinzigt-uitspraak. Daarin formuleerde de Hoge Raad een specifiek op websites toegesneden
uitzonderingop het verbod van tweezijdige courtageberekening. Art. 7:417 lid 4 BW Pro is volgens de Hoge Raad ‘niet overeenkomstig van toepassing’ als de beheerder van de website stelt en zo nodig bewijst dat de website alleen als ‘elektronisch prikbord’ functioneert, dat wil zeggen ‘dat de beheerder daarvan niet de aspirant-verhuurder en -huurder van elkaar afschermt en het hun dus niet onmogelijk maakt dat zij rechtstreeks en zonder zijn tussenkomst met elkaar in contact treden om over totstandkoming van een huurovereenkomst te onderhandelen’ (rov. 4.4.5). In die situatie is de huurder niet afhankelijk van de dienstverlening van de bemiddelaar en wordt het courtagebeding hem dus niet opgedrongen in de eerder bedoelde zin. Dan staat art. 7:417 lid 4 BW Pro niet in de weg aan het in rekening brengen van courtage aan de huurder.
Duinzigt-uitspraak doet vermoeden dat er ook in geval van een elektronisch prikbord weliswaar sprake kan zijn van bemiddeling, [74] maar dat op deze ‘lichte’ bemiddelingsvorm het verbod van tweezijdige courtageberekening niet overeenkomstig van toepassing is.
Toepasselijkheid van het verbod op bemiddeling via online platforms (Booking.com)
Duinzigt-uitspraak ging het om een klassieke huurbemiddelaar die zijn diensten via internet aanbood. Nadien is de vraag gerezen of art. 7:417 lid 4 BW Pro ook geldt voor online platforms, meer in het bijzonder de zogenoemde ‘intermediaire platforms’. Dat zijn platforms (websites) die, zoals Airbnb, gebruikers in staat stellen om met elkaar in contact te komen en te contracteren, via het platform of daarbuiten. [75] Daarbij worden vraag en aanbod doorgaans in belangrijke mate door het platform gegenereerd. Bij intermediaire platforms is – evenals bij bemiddeling – sprake van een contractuele driehoeksverhouding: de beide gebruikers sluiten een ‘platformovereenkomst’ met het platform en (al dan niet) een ‘hoofdovereenkomst’ met elkaar. [76]
De chatfunctie van het platform verzorgt direct contact tussen gebruikers, zonder tussenkomst van Airbnb (…).’ [77] Ook elders stelt Airbnb dat gebruikers
via haar platform‘rechtstreeks’ met elkaar zouden onderhandelen en contracteren. [78] In de literatuur is opgemerkt dat (exploitanten van) intermediaire platforms doen wat klassieke bemiddelaars van oudsher hebben gedaan, namelijk het faciliteren van de totstandkoming van overeenkomsten, zij het niet door menselijke tussenkomst maar door middel van moderne techniek (zoals algoritmes). [79] Er wordt zelfs betoogd dat platforms een veel grotere invloed uitoefenen op de bemiddelde overeenkomst dan klassieke bemiddelaars. [80]
Booking.com [81] heeft de Hoge Raad bevestigd dat intermediaire platforms als bemiddelaar in de zin van art. 7:425 e.v. BW kunnen fungeren, ook als zij enkel in technische zin dienstbaar zijn aan de totstandkoming van overeenkomsten. Het ging in deze zaak om de vraag of Booking.com, als exploitant van een reserveringsplatform voor toeristische en zakelijke accommodaties (hotels e.d.), is aan te merken als een ‘(online) reisagent’ in de zin van het Verplichtstellingsbesluit voor verplichte deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor de reisbranche. Het hof had die vraag ontkennend beantwoord, bij gebreke van ‘betrokkenheid van Booking.com bij het daadwerkelijk tot stand komen van de overeenkomst tussen de klant en de accommodatieverstrekker’. [82]
mogelijkheidom via haar website een overeenkomst met de accommodatieverstrekker aan te gaan, en door klanten en aanbieders van accommodaties de administratieve verwerking van reserveringen uit handen te nemen, verricht Booking.com werkzaamheden die ‘dienstbaar zijn aan het tot stand brengen van reisovereenkomsten’ (rov. 4.2.2).
Booking.comniet ging om de kwalificatie van een concrete overeenkomst tussen een accommodatiehouder en een derde, maar meer in algemene zin om de vraag of Booking.com ‘bemiddelt’ in de zin van het verplichtstellingsbesluit. In dat verband gaat het erom ‘hoe het bedrijfsmodel van Booking.com is ingericht’. Dat het
bedrijfsmodelvan Booking.com ‘bemiddelen’ in de zin van het verplichtstellingsbesluit behelst, sluit volgens de Hoge Raad niet uit ‘dat de mogelijkheid bestaat dat de website van Booking.com door bezoekers daarvan in voorkomend geval ook kan worden gebruikt om het aanbod van verscheidene accommodatiehouders te bekijken teneinde vervolgens zelf (buiten de website van Booking.com om) contact op te nemen met een accommodatiehouder om een overeenkomst te sluiten’ (rov. 4.1.7). Men herkent hierin de prikbord-uitzondering uit de
Duinzigt-uitspraak: indien het platform alleen als ‘elektronisch prikbord’ wordt gebruikt en gebruikers buiten het platform om met elkaar contracteren, is geen sprake van bemiddeling, althans niet van bemiddeling waarop het verbod van tweezijdige courtage overeenkomstig toepasselijk is (vgl. hiervoor, 2.44 e.v.). [83]
bedrijfsmodelvan een platform ‘hoofdzakelijk bemiddeling’ inhoudt, nog geen uitsluitsel geeft over de kwalificatie van de ‘concrete rechtsverhoudingen’ tussen individuele gebruikers en het platform. [84]
3.Bespreking van de prejudiciële vragen
Geldt het verbod van tweezijdige courtageberekening voor Airbnb? (vragen 1-3)
Inleidende opmerkingen
huur van woonruimtein de zin van afdeling 7.4.5 BW, zij het dat ingevolge art. 7:232 lid 2 BW Pro de desbetreffende bepalingen – waaronder art. 7:264 BW Pro dat hiervoor zijdelings aan de orde kwam (zie 2.32) – niet van toepassing zijn op huur van woonruimte die ‘naar zijn aard slechts van korte duur’ is (zoals bij Airbnb-huur het geval is). [89]
huur van korte duur, al dan niet voor vakantiedoeleinden van de huurder. [90] Het woord ‘vakantieaccommodaties’ in vraag 1 kan daarom mijns inziens beter worden gelezen als ‘accommodaties’. [91] Deze terminologische verduidelijking is mede van belang om de herhaalde stellingname van Airbnb, dat zij actief is in de ‘reisbranche’, [92] in perspectief te plaatsen.
verhuurder;
huurder;
een in Nederland woonachtige consumentvia Airbnb een accommodatie huurt. [95]
Geldt het verbod ook bij kortdurende huur?(vraag 1)
tekstvan art. 7:417 lid 4 BW Pro biedt immers geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit type huur buiten het toepassingsbereik van de regeling zou vallen. Naar de letter mist het vierde lid alleen toepassing indien de huur betrekking heeft op een
roerendezaak dan wel indien geen van de partijen bij de huurovereenkomst een
consumentis. In het geval van [verzoekster] , dat als prototype mag worden beschouwd, is een en ander niet aan de orde. Art. 7:417 lid 4 BW Pro is daarom naar de letter van de wet toepasselijk.
bedoelingvan de wetgever. [96] Dit betoog berust hoofdzakelijk op drie argumenten. [97] Ten eerstebetoogt Airbnb dat art. 7:417 lid 4 BW Pro zijn oorsprong vindt in ‘misstanden op de woningmarkt’, [98] namelijk ‘een gebrek aan transparantie in de makelaardij’. [99] De werkingssfeer van de regeling zou ‘bewust beperkt’ zijn gehouden. [100] In het verlengde hiervan betoogt Airbnb,
ten tweede, dat met art. 7:417 lid 4 BW Pro slechts zou zijn beoogd ‘te voorkomen dat de volledige bemiddelingskosten dubbel worden betaald’. [101] Een
verdelingvan bemiddelingskosten over beide opdrachtgevers zou wel zijn toegestaan. [102] Ten derdebetoogt Airbnb dat art. 7:417 lid 4 BW Pro hoe dan ook ‘nooit is bedoeld om de reisbranche te reguleren’. [103] Toepassing van die bepaling op de reisbranche zou tot ‘ongerijmde resultaten’ leiden. [104]
eerste argumentbetreft de
aanleidingvoor de invoering van art. 7:417 lid 4 BW Pro. Zoals hiervoor uiteengezet in 2.13 e.v. was die aanleiding inderdaad gelegen in klachten die waren geuit over tweezijdige courtageberekening op de woningmarkt. Desalniettemin heeft de wetgever gekozen voor een algemeen geformuleerde regeling, in plaats van een specifiek(er) op de bewuste klachten toegesneden bepaling (vgl. hiervoor, 2.20 e.v.). Later heeft de wetgever de regeling uitgebreid tot bemiddeling bij de huur van onzelfstandige woonruimte, waarbij hij uitdrukkelijk ook het fenomeen van bemiddeling via websites en online platforms onder ogen heeft gezien (vgl. hiervoor, 2.25 e.v.). Een en ander rechtvaardigt niet de conclusie dat art. 7:417 lid 4 BW Pro, naar de bedoeling van de wetgever, geen toepassing zou kunnen vinden op dienstverlening als die van Airbnb.
afhankelijkzijn van het Airbnb-platform, omdat zij geen (of beperkte) mogelijkheden hebben om buiten dat platform om met die wederpartijen in contact te komen en met hen te contracteren. Dat geldt voor particuliere verhuurders van woonruimte vermoedelijk in nog sterkere mate dan voor geïnteresseerde huurders. Door de werkwijze van Airbnb worden gebruikers in een positie gebracht waarin zij, in de woorden van de Hoge Raad in de
Duinzigt-uitspraak, [105] ‘praktisch geen andere mogelijkheid’ hebben dan de dienstverlening door Airbnb en het door Airbnb gehanteerde courtagebeding te aanvaarden. Een en ander is uiteraard geen reden om te eisen dat Airbnb haar diensten kosteloos aanbiedt, maar wel om te eisen dat Airbnb voldoet aan art. 7:417 lid 4 BW Pro, door uitsluitend kosten in rekening te brengen aan
verhuurders, opdat partijen de mogelijkheid hebben te onderhandelen over de wijze waarop die kosten onderling worden verdeeld. Zo beschouwd sluit toepassing van art. 7:417 lid 4 BW Pro op Airbnb juist goed aan bij de doelstelling die de wetgever met de bepaling voor ogen heeft gehad. [106] Dat de wetgever destijds bij totstandkoming van art. 7:417 lid 4 BW Pro geen verhuurplatform à la Airbnb voor ogen stond moge duidelijk zijn, maar wil niet zeggen dat deze regeling niet van toepassing kan zijn op Airbnb. De regeling is ook techniekonafhankelijk geformuleerd.
tweede argumentwaarom toepassing van art. 7:417 lid 4 BW Pro in strijd zou zijn met de bedoeling van de wetgever betreft de
inhoudvan de regeling: de vraag tegen welk soort courtagebedingen zij zich verzet. Op zichzelf is juist dat de wetgever is vertrokken van het standpunt dat de regeling zich primair zou moeten richten tegen ‘het aan beide partijen in rekening brengen van de volledige courtage’. [107] Vervolgens zag de wetgever zich gesteld voor het praktische probleem hoe een dergelijke regeling vormgegeven en gehandhaafd zou kunnen worden. Dit heeft ertoe geleid dat is gekozen voor een enigszins rigide, maar eenvoudig hanteerbare regel, die inhoudt dat courtagekosten alleen aan de verkoper c.q. verhuurder gerekend mogen worden (vgl. hiervoor, 2.18). De veronderstelling van Airbnb, dat
spreidingvan bemiddelingskosten over beide partijen zou zijn toegestaan, is dus onjuist (daargelaten of en hoe Airbnb haar kosten spreidt [108] ). Bij de totstandkoming van de Wet dubbele bemiddelingskosten heeft de regering voornoemde veronderstelling uitdrukkelijk van de hand gewezen (vgl. hiervoor, 2.28). Ook uit de
Duinzigt-uitspraak blijkt dat de regeling méér behelst dan alleen een verbod van ‘dubbele’ courtagekosten, namelijk ook (en zelfs) een verbod van ‘eenzijdige’ courtageberekening aan de koper c.q. huurder.
derde argumentwaarom toepassing van art. 7:417 lid 4 BW Pro in strijd zou zijn met de bedoeling van de wetgever betreft de
reikwijdtevan de regeling: de vraag of zij toepasbaar is op bemiddeling in de ‘reisbranche’. Hierbij stel ik voorop dat via het Airbnb-platform zoals gezegd niet uitsluitend vakantieaccommodaties worden verhuurd, maar ook woningen (vgl. hiervoor, 3.34). Zo beschouwd lijkt dit argument slechts voor een deel van de door Airbnb verrichte diensten relevant. Verder geldt ook hier dat de
aanleidingvoor de invoering van de regeling weliswaar niet was gelegen in problemen in de reisbranche, maar dat de regeling naar de letter en naar de bedoeling van de wetgever breder toepasbaar is. Art. 7:417 lid 4 specificeert Pro ook niet wat het doel of de (minimale) lengte van de verhuur zou moeten zijn. Bij die stand van zaken zie ik geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de regeling, naar de bedoeling van de wetgever, niet op bemiddeling in de reisbranche zou kunnen worden toegepast.
woningenonder het bereik van art. 7:417 lid 4 BW Pro zouden vallen. Die bedoeling blijkt echter niet met zoveel woorden uit de wettekst (die spreekt van ‘een onroerende zaak’) [110] of de wetsgeschiedenis. [111] Het is wel zo dat art. 7:417 lid 4 BW Pro, door de beperking tot onroerend goed in combinatie met de vereiste betrokkenheid van een consument, in de praktijk vooral voor woonruimte van belang is. [112] De dienstverlening van Airbnb heeft ook voornamelijk op woonruimte betrekking. Het lijkt mij niet ongerijmd, maar juist consequent om art. 7:417 lid 4 BW Pro toepasselijk te achten op alle via het Airbnb-platform aangeboden onroerende zaken. [113] Overigens merkt [verzoekster] op dat Airbnb bij het boeken van
hotelsvia haar website slechts eenzijdig bemiddelingskosten aan het hotel in rekening brengt, conform art. 7:417 lid 4 BW Pro, [114] hetgeen door de rechtbank Amsterdam is bevestigd in haar genoemde vonnis van 9 maart 2020. [115]
roerendeaccommodaties, zoals tenten, caravans e.d., niet onder het bereik van art. 7:417 lid 4 BW Pro vallen. Dat is juist, maar niet ongerijmd. De regeling is beperkt tot bemiddeling bij de koop of huur van onroerend goed.
zakelijkegebruikers wordt gebruikt, waarvoor art. 7:417 lid 4 BW Pro niet is bedoeld. Ook hiervoor geldt dat het niet ongerijmd is dat de regeling in bepaalde opzichten is afgebakend. Indien Airbnb bemiddelt voor twee partijen die geen van beiden zijn aan te merken als consument in de zin van art. 7:408 lid 3 BW Pro, mist art. 7:417 lid 4 BW Pro toepassing.
buitenlandseaccommodaties worden aangeboden, waardoor de regeling van art. 7:417 lid 4 BW Pro ‘ook effect zou hebben over de grenzen’. Dat is juist maar al evenmin ongerijmd, althans ervan uitgaande dat Nederlands consumentenrecht toepasselijk is op de rechtsverhouding tussen Airbnb en haar Nederlandse gebruikers, zoals in deze procedure tot uitgangspunt dient. [116]
uitbreidingvan de regeling van art. 7:417 lid 4 BW Pro tot ‘alle online platformen die tweezijdig bemiddelen’. [119]
beantwoording van vraag 1. Artikel 7:417 lid 4 BW Pro is van toepassing op de korte termijn verhuur van accommodaties, zoals die worden aangeboden op een online platform als dat van Airbnb, indien het gaat om onroerende accommodaties en ten minste één van de partijen bij de huurovereenkomst een persoon is als bedoeld in art. 7:408 lid 3 BW Pro.
Booking.com(hiervoor besproken in 2.48 e.v.). Dat antwoord luidt bevestigend, althans voor zover het de algemene werkwijze van Airbnb betreft (haar ‘bedrijfsmodel’). Net als Booking.com biedt Airbnb gebruikers de mogelijkheid om via haar platform een overeenkomst aan te gaan en neemt zij gebruikers de administratieve verwerking van reserveringen uit handen. [120] Aldus verricht Airbnb werkzaamheden die, in de woorden van de Hoge Raad, ‘dienstbaar zijn’ aan het tot stand komen van overeenkomsten, en daarmee bemiddelingswerkzaamheden in de zin van art. 7:425 BW Pro. [121]
Booking.com, sprake van bemiddeling in de zin van art. 7:425 BW Pro. Daarvóór is de kwalificatie van Airbnb als bemiddelaar niet relevant, althans niet voor de beantwoording van de hier voorliggende vraag of het verbod van tweezijdige courtageberekening toepasselijk is, omdat Airbnb in die fase nog geen tweezijdige courtage in rekening brengt.
Booking.comen voor zover niet reeds besproken in het kader van de eerste vraag).
Duinzigt-uitspraak [129] en ook niet te vergelijken met bijvoorbeeld Marktplaats.
via het Airbnb-platform, en dus door tussenkomst van Airbnb, die daarmee ‘dienstbaar’ is aan de totstandkoming van de overeenkomst (in de zin van het arrest
Booking.com).
beantwoording van vraag 2. In het geval van platforms als Airbnb, waar gebruikers zelf accommodaties aanbieden respectievelijk zoeken en contact tussen partijen enkel mogelijk is via het platform van Airbnb, is sprake van bemiddeling in de zin van art. 7:425 BW Pro, waarop ingevolge art. 7:427 BW Pro het bepaalde in art. 7:417 lid 4 BW Pro overeenkomstig toepasselijk is, indien gebruikers via het platform een overeenkomst met elkaar aangaan.
Welke omstandigheden zijn voor kwalificatie bemiddelaar van belang?(vraag 3)
welkeomstandigheden in dat geval van belang zijn.
Booking.comheeft de Hoge Raad een aantal gezichtspunten genoemd die in dit verband een rol kunnen spelen (vgl. hiervoor, 2.50). Die omstandigheden zijn echter niet van belang voor de toelaatbaarheid van tweezijdige courtageberekening waar het in deze zaak om gaat, namelijk een tweezijdige courtageberekening die plaatsvindt op het moment dat een gebruiker een overeenkomst aangaat via het Airbnb-platform. Op dat moment is namelijk, gelet op het arrest
Booking.com, per definitie sprake van bemiddeling in de zin van art. 7:425 BW Pro.
vraag 3 geen beantwoording.
Is toepassing van het verbod in strijd met het Unierecht?
Inleidende opmerkingen
de Commissie) aangemeld. Daarom moet art. 7:417 lid 4 BW Pro buiten toepassing blijven en kan deze bepaling niet aan Airbnb worden tegengeworpen, ook niet door een consument als [verzoekster] . [132]
E-commercerichtlijn
eerste plaatssprake zijn van een
dienst van de informatiemaatschappij. Dit is de – wat gedateerd klinkende – benaming die in de E-commercerichtlijn, onder verwijzing naar de definitie van dat begrip in de zogeheten Notificatierichtlijn uit 1998, [142] wordt gebruikt voor online diensten. Uit het arrest
Airbnb Irelandvan het Hof van Justitie van 19 december 2019 volgt dat de daarin expliciet als ‘bemiddelingsdienst’ aangeduide dienst van Airbnb is aan te merken als een dienst van de informatiemaatschappij. [143] In dat arrest is tevens uitgemaakt dat de bemiddelingsdienst van Airbnb los staat van de door haar bemiddelde vastgoedtransactie (verhuurdienst):
tweede plaatssprake zijn van een maatregel die een
beperkingvormt van het aanbieden van een dienst van de informatiemaatschappij. Aan die voorwaarde lijkt hier voldaan, omdat de toepasselijkheid van het verbod van art. 7:417 lid 4 BW Pro meebrengt dat Airbnb voor een bemiddeling die leidt tot een huurovereenkomst met een in Nederland woonachtige huurder zoals [verzoekster] (ongeacht waar de gehuurde accommodatie zich bevindt) een ander betalingsmodel moet hanteren dan zij – naar ik althans begrijp – gewoonlijk hanteert. Weliswaar moet Airbnb in staat worden geacht om haar systemen zo in te richten dat aan een in Nederland woonachtige huurder niet langer servicekosten in rekening worden gebracht, toch gaat het in Unierechtelijke zin om een beperking van haar bemiddelingsdienst. Het feit dat in andere zaken bij het Hof van Justitie over Airbnb verdergaande beperkingen, zoals vergunningseisen [144] of fiscale verplichtingen aan de orde zijn [145] wijzigt de beoordeling op dit punt al evenmin.
derde plaatsvereist dat het gaat om een beperking (van het vrij verkeer van diensten) die valt binnen het ‘
gecoördineerd gebied’van die richtlijn. Dat ‘gebied’ is heel ruim omschreven. In wezen vallen daaronder alle eisen die aan een binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallende dienst of aan de aanbieder van een dergelijke dienst worden gesteld. [146] Het gecoördineerd gebied is aanzienlijk ruimer dan de onderwerpen die door deze richtlijn inhoudelijk zijn geharmoniseerd. [147] Het verbod van art. 7:417 lid 4 BW Pro valt derhalve binnen de reikwijdte van het gecoördineerd gebied.
eerste uitzonderingrelevant. Een van de ‘gebieden’ die op grond van art. 3 lid 3 in Pro verbinding met de bijlage zijn uitgezonderd van de toepassing van art. 3 lid 1 en Pro 2 ziet op ‘contractuele verplichtingen betreffende consumentenovereenkomsten’ (
contractual obligations concerning consumer contacts).
verplichtingen) als meer verstrekkend (immers betreffende een geheel
gebiedwaarop de leden 1 én 2 niet van toepassing zijn).
tweede uitzondering, die is opgenomen in art. 3 lid 4 van Pro de E-commercerichtlijn. Zij heeft dat gedaan in het kader van haar betoog dat art. 56 VWEU Pro is geschonden. [152] Het notificatiemechanisme in art. 3 lid 4 onder Pro b) van deze richtlijn is echter uitsluitend relevant als art. 3 lid Pro 2 E-commercerichtlijn is geschonden en geldt daarbuiten niet. [153] Het notificatievereiste ziet voorts alleen op maatregelen die de overheid
voornemensis vast te stellen (en die afwijken van art. 3 lid Pro 2). Daarom kan dit mechanisme niet slaan op nationale wettelijke maatregelen die al van kracht waren toen de E-commercerichtlijn in werking trad en die later door de rechter worden toegepast op een nieuwe dienst. [154] Dat is de situatie die zich hier voordoet. Het feit dat art. 7:417 lid 4 BW Pro per 1 juli 2016 van toepassing is geworden op onzelfstandige woonruimte leidt niet tot een andere beoordeling, omdat de bemiddeling door Airbnb voor een belangrijk deel ziet op zelfstandige woonruimte waarvoor het verbod op tweezijdige courtageberekening reeds vóór 1 juli 2016 gold. [155] De uitbreiding van het toepassingsbereik van art. 7:417 lid 4 BW Pro levert daarom niet een nieuwe en van na de inwerkingtreding van de E-commercerichtlijn daterende beperking op van de door Airbnb aangeboden bemiddelingsdienst.
Dienstenrichtlijn
verhuur van accommodatieonder de Dienstenrichtlijn valt, maar dat het verband tussen de bemiddelingsdienst van Airbnb en deze verhuur niet rechtvaardigt dat de bemiddelingsdienst van Airbnb wordt uitgesloten van de kwalificatie ‘dienst van de informatiemaatschappij’ en dus van de toepassing van de E-commercerichtlijn. Anders dan Airbnb aanvoert, heeft het Hof van Justitie daar dus niet uitgemaakt dat de bemiddelingsdienst binnen de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn valt, maar juist geoordeeld dat die dienst onder de E-commercerichtlijn valt.
in beginselwel onder de Dienstenrichtlijn, ware het niet dat die laatste richtlijn vervoersdiensten van haar werkingssfeer uitzondert, waar ook een taxidienst onder valt.
zonder onderscheidnaar nationaliteit wordt toegepast. De omstandigheid dat een in Nederland woonachtige consument die via Airbnb in Dublin een appartement huurt de bescherming van art. 7:417 lid 4 BW Pro geniet, maar omgekeerd een in Ierland woonachtige consument die via Airbnb in Amsterdam een appartement huurt niet, maakt dat niet anders. Dit verschil vindt overigens zijn verklaring enerzijds in de territoriale werkingssfeer van de Nederlandse wetgeving en anderzijds in art. 21 van Pro de algemene voorwaarden van Airbnb (vgl. hiervoor, 3.31).
dwingend vereiste van algemeen belang. Dat de maatregel een sectorale toepassing heeft (omdat art. 7:417 lid 4 BW Pro enkel van toepassing is op overeenkomsten met betrekking tot onroerend goed), doet daar niet aan af.
geschikt middelom genoemd doel na te streven. Het verbod van tweezijdige courtageberekening is zo vormgegeven dat wordt bereikt dat de consument-huurder aan de bemiddelaar geen ‘loon’ (onder welke benaming ook) verschuldigd is. De maatregel draagt er op die manier toe bij dat de consument wordt beschermd tegen belangenverstrengeling (vgl. hiervoor, 3.5 en 3.6) [161] en minder afhankelijk wordt van de bemiddelaar (vgl. 2.23 en 2.43). Dat de doelstellingen van de maatregel niet op coherente wijze worden nagestreefd zie ik niet. Aan de consistentie en de effectiviteit van de maatregel zou juist worden afgedaan als zij
niettoepasselijk is op platforms als Airbnb. [162]
noodzakelijk en evenredigvoor het doel dat ermee wordt nagestreefd. De maatregel is noodzakelijk omdat zonder die maatregel, in aanmerking genomen de machtsverhoudingen, de consument-huurder niet ontkomt aan betaling van een bemiddelingsvergoeding in de vorm van bemiddelingskosten aan (in dit geval) Airbnb indien Airbnb dat als voorwaarde stelt. De maatregel is bovendien evenredig aan het daarmee nagestreefde doel omdat de toepasselijkheid van art. 7:417 lid 4 BW Pro als zodanig geen gevolgen heeft voor de vrijheid van Airbnb om haar dienstverlening aan te bieden: tweezijdige bemiddeling mag (vgl. hiervoor, 2.10), alleen tweezijdige courtageberekening mag niet, in die zin dat aan de huurder geen loon berekend mag worden als ten minste één van de betrokken partijen consument is. Het risico van belangenverstrengeling bij tweezijdige bemiddeling zal zich in de eerste plaats manifesteren in de vergoedingenstructuur.
verhuurderconsument is (en daarom aan de huurder geen courtage mag worden berekend), kan onbesproken blijven omdat die hypothese niet door de kantonrechter is voorgelegd (vgl. hiervoor, 3.8). Mede daarom acht ik geen directe noodzaak aanwezig voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Overigens heeft geen van de partijen die schriftelijke opmerkingen hebben ingediend uw Raad in overweging gegeven dat te doen.
Wat zijn de rechtsgevolgen van het verbod? (vragen 4-6)
rechtsgevolgenvan de toepasselijkheid van art. 7:417 lid 4 BW Pro op de werkzaamheden van Airbnb. Zij luiden als volgt:
Is het courtagebeding nietig of vernietigbaar?(vraag 4)
nietigheidvan het courtagebeding. Sommige passages uit de wetsgeschiedenis bieden hiervoor impliciete steun (vgl. hiervoor, 2.310 e.v.). [165]
vernietigbaarheidvan het courtagebeding, welke sanctie meer in overeenstemming lijkt met de systematiek van art. 3:40 lid 2 BW Pro. Ook de op dit punt meest uitgesproken passage uit de wetsgeschiedenis wijst in die richting. Die benadering geniet in de literatuur ruime steun (vgl. hiervoor, 2.33-2.35). Deze sanctie lijkt bovendien (meer) in lijn met de strekking van art. 7:417 lid 4 BW Pro tot bescherming van één van de bij de koop of huur betrokken partijen, namelijk de koper c.q. huurder. [166] Men bedenke hierbij dat de koper c.q. huurder in voorkomende gevallen ook profijt zou kunnen hebben van de tweezijdige bemiddeling en op die grond bereid zou kunnen zijn daarvoor (tweezijdig) te betalen. [167]
tweedevolzin van art. 7:417 lid 4 BW Pro, waaruit volgt dat courtagebedingen die ten nadele van de koper c.q. huurder afwijken van de eerste volzin, ingevolge art. 3:40 lid 2 BW Pro vernietigbaar zijn. Voor deze benadering pleit mijns inziens ook een wetshistorisch argument. Tot 1 juli 2016 was in de tweede volzin van het vierde lid bepaald dat afwijkingen ter zake van de huur van onzelfstandige woonruimte (kamerhuur) toelaatbaar waren (vgl. hiervoor, 2.244 e.v.). Zou men uitgaan van de hiervoor als eerst genoemde benadering, waarin reeds op grond van de eerste volzin zou vaststaan dat zulke afwijkende bedingen van rechtswege nietig zijn, dan zou die (inmiddels geschrapte) uitzondering in de tweede volzin zinledig zijn geweest. Ook dit duidt erop dat moet worden uitgegaan van vernietigbaarheid.
beantwoording van vraag 4. Indien Airbnb een courtagevergoeding bedingt die ten nadele van de huurder afwijkt van het bepaalde in art. 7:417 lid Pro 4, eerste volzin, in verbinding met art. 7:427 BW Pro, is het courtagebeding ingevolge art. 3:40 lid 2 BW Pro vernietigbaar. Voor het ontstaan van een verbintenis tot terugbetaling van bemiddelingskosten die de huurder op grond van het courtagebeding aan Airbnb heeft betaald, is dus vereist dat de huurder dit beding vernietigt.
Welke verjaringstermijn is toepasselijk en wanneer vangt die aan?(vraag 5)
ten dienstekomt te staan aan huurders, en meer concreet op het moment waarop zij die bevoegdheid
daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Ik zal dat moment nu nader specificeren, uitgaande van de feiten die in deze prejudiciële procedure tot uitgangspunt dienen.
mogelijkheiddat Airbnb tweezijdig bemiddelingskosten in rekening brengt: ‘
Airbnbmay chargefees to Hosts (“Host Fees”)and/orGuests (“Guest Fees”)’. [172] Airbnb bevestigt dit zelf met haar stelling dat de algemene voorwaarden ‘open [laten] of de servicekosten in rekening worden gebracht bij de accommodatieaanbieder, de reiziger, of bij beiden’. [173]
reserveringplaatst: ‘
All applicable fees (…) will be presented to youprior to booking a Listing. Youagree to pay the Total Fees for any bookingrequested in connection with your Airbnb Account’. [174] Airbnb bevestigt dit zelf met haar stelling dat gebruikers met het aangaan van de algemene voorwaarden ‘geen enkele financiële verplichting’ aangaan en dat een dergelijke verplichting pas ontstaat ‘na het maken van de reservering, met accordering van de servicekosten’. [175]
registratieop het platform, [177] zou immers impliceren dat Airbnb zich ten opzichte van gebruikers die langer dan drie jaren geregistreerd staan ‘straffeloos’ [178] zou kunnen onttrekken aan het bepaalde in art. 7:417 lid 4 BW Pro. [179]
beantwoording van vraag 5. Het beding dat ingevolge art. 7:417 lid 4 BW Pro voor vernietiging in aanmerking komt, is het beding op grond waarvan Airbnb bemiddelingskosten in rekening brengt aan huurders. Ingevolge art. 3:52 lid 1 onder Pro d BW verjaart de vordering tot vernietiging van dit beding drie jaren na de dag waarop Airbnb dit beding is overeengekomen met de betrokken huurder. Ingevolge art. 8.1 van de toepasselijke algemene voorwaarden van Airbnb is dat de dag waarop de huurder een reservering heeft gemaakt via het Airbnb-platform.
Moeten huurders een vergoeding betalen voor gebruik Airbnb-platform?(vraag 6)
uitlegvan de betrokken rechtshandeling (in dit geval de bemiddelingsovereenkomst, zoals vervat in de platformovereenkomst en het bij de boeking overeengekomen courtagebeding). [181] De door Airbnb verdedigde uitleg komt erop neer dat zij de platformovereenkomst (ten tijde van de registratie) niet zou zijn aangegaan, als zij had geweten dat de huurder het courtagebeding (ten tijde van de boeking) niet zou aanvaarden. Die uitleg komt mij niet aannemelijk voor, nu Airbnb zelf benadrukt dat het de gebruiker vrijstaat om de bij de boeking voorgestelde bemiddelingskosten al dan niet te accepteren. Die laatste stelling lijkt er veeleer op te duiden dat de platformovereenkomst en het latere courtagebeding los van elkaar staan.
strekking van de overtreden wetsbepaling(in dit geval art. 7:417 lid 4 BW Pro) in aanmerking moet worden genomen. Indien die bepaling strekt tot bescherming van een der contractanten, moet voorzichtigheid worden betracht met het aannemen van nietigheid van de gehele overeenkomst. De achterliggende gedachte is dat algehele nietigheid de beschermde partij ook van de voordelen van de overeenkomst zou beroven en zelfs onder omstandigheden zou beletten dat zij de prestatie zonder de voor haar bezwarende contractsbepaling kan bedingen. [182]
redelijkis. Die verbintenis vindt haar rechtvaardiging in ‘de wenselijkheid dat ongerechtvaardigde verrijking wordt tegengegaan’. [183]
alle kostenomvat die ter zake van tweezijdige bemiddeling aan de koper of huurder in rekening worden gebracht, ‘
onder welke benaming dan ook’(vgl. hiervoor, 2.29).
beantwoording van vraag 6. [187] Gebruikers jegens wie Airbnb in strijd heeft gehandeld met art. 7:417 lid 4 BW Pro en die op grond daarvan aanspraak maken op terugbetaling van door hen betaalde bemiddelingskosten, zijn níet gehouden de waarde te vergoeden van door Airbnb verrichte prestaties.
Is tweezijdige courtageberekening door Airbnb verenigbaar met het Unierecht? (vragen 7-9)
Inleidende opmerkingen
You agree to pay the Total Fees for any booking requested in connection with your Airbnb Account.
”De betalingsverplichting ontstaat echter pas als een reservering is gemaakt (vgl. hiervoor, 3.71).
Oneerlijk beding in consumentenovereenkomsten?(vraag 7)
Richtlijn oneerlijke bedingen). [188] Deze richtlijn regelt, kort gezegd, dat de consument niet gebonden is aan bedingen in overeenkomsten waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, indien die bedingen oneerlijk zijn. De gedachte achter deze vorm van consumentenbescherming is dat de consument zich ten opzichte van de verkoper of dienstverrichter in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de tevoren door de verkoper of dienstverrichter opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen. [189]
rechtskader.
toepassingvan het voorgaande op de onderhavige zaak.
take it or leave it’ doet aan die onderhandelingssituatie niet af. De richtlijn is daarom op het courtagebeding niet van toepassing.
nietis onderhandeld, moet worden onderzocht of dit beding is aan te merken als een kernbeding. Dat is het geval. Een beding over de prijs is immers geen algemene voorwaarde maar een kernbeding, omdat de prijs de kern vormt van de prestatie. [200]
Consumentenbondwordt betoogd dat het beding op grond waarvan Airbnb aan een consument servicekosten in rekening brengt wel degelijk een oneerlijk beding vormt en daarom de consument niet bindt.
eerste plaatsacht de Consumentenbond oneerlijk dat Airbnb bij de registratie niet kenbaar maakt wat de
hoogtevan de verschuldigde fee is. Naar mijn mening is dat echter niet noodzakelijk omdat registratie als gezegd geen betalingsverplichting doet ontstaan. De consument wordt op dat moment geïnformeerd dat aan hem bij het maken van een reservering een fee in rekening
kanworden gebracht. Dit voorkomt overigens ook dat de eventuele verwachting wordt gewekt dat bij reservering geen fee verschuldigd zou zijn. Voorts voert de Consumentenbond in dat verband aan dat Airbnb “bij het sluiten van de overeenkomst” niet alle informatie verschaft die van invloed kan zijn op de omvang van de betalingsverplichtingen. Ervan uitgaande dat de hier gebruikte woorden “bij het sluiten van de overeenkomst” betrekking hebben op het hiervoor genoemde courtagebeding dat bij het maken van een reservering wordt gesloten, geldt als gezegd dat Airbnb de consument van te voren duidelijk toont welk bedrag hij voor de reservering in het totaal moet betalen. Anders gezegd, de consument weet sinds zijn registratie
dathij (mogelijk) moet betalen en weet voorafgaand aan de reservering ook
wathij precies moet betalen. Dat is niet oneerlijk.
tweede plaatsis volgens de Consumentenbond oneerlijk dat Airbnb niet transparant is jegens de huurder over de
verdeelsleutelvan de totale servicekosten tussen verhuurder en huurder. Airbnb zou bovendien moeten aantonen dat de in rekening gebrachte kosten de door haar gemaakte kosten moeten reflecteren. Op zich sluit dit betoog aan bij de doelstelling van transparantie die mede aan art. 7:417 lid 4 BW Pro ten grondslag ligt (vgl. hiervoor, 2.19). In de context van de Richtlijn oneerlijke bedingen ga ik daar echter niet in mee. Naar mijn mening is de consument-huurder voldoende geïnformeerd – in de zin van het Unierechtelijke transparantievereiste ten aanzien van kernbedingen – als hij duidelijk kan zien wat hij moet betalen en waarvoor. [202] Ik wijs er op dat bij koop via internet vaker administratiekosten, transportkosten of andere kosten in rekening worden gebracht, zonder dat daarbij wordt gespecificeerd hoe die kosten zijn berekend en (al dan niet) over de betrokken partijen zijn verdeeld. Overigens neemt de toepasselijkheid van art. 7:417 lid 4 BW Pro de hier door de Consumentenbond geventileerde zorgen of bezwaren weg. Op grond daarvan mogen aan de huurder immers
geenbemiddelingskosten in rekening worden gebracht als hij (dan wel de verhuurder) als consument optreedt.
het moment van registratieuit art. 6.1 en/of art. 8.1 van de algemene voorwaarden een verplichting voor de gebruiker tot betaling van servicekosten zou voortvloeien (zoals Airbnb in haar stukken lijkt te suggereren), [203] de door de Consumentenbond gewraakte bedingen wél als ‘oneerlijk’ dan wel ‘onredelijk bezwarend’, respectievelijk onvoldoende transparant zouden zijn aan te merken. Het is voor de gebruiker op het moment van registratie immers niet te overzien voor welke diensten van Airbnb hij zal gaan betalen en wat de hoogte van die betalingsverplichting zal zijn. Terugvordering zou in dat geval moeten plaatsvinden op grond van art. 6:203 lid 2 BW Pro, met inachtneming van hetgeen bij de bespreking van vraag 6 naar voren is gebracht.
beantwoording van vraag 7: het beding op grond waarvan een consument door reservering van een accommodatie aan Airbnb servicekosten wordt verschuldigd valt buiten het toepassingsgebied van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
Oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in art. 6:193b BW?(vraag 8)
ACM) het verbod van art. 7:417 lid 4 BW Pro publiekrechtelijk handhaaft langs de weg van de oneerlijke handelspraktijken. In een recent besluit met betrekking tot de huurbemiddelaar
Amsterdam Housingoverweegt de ACM: [206]
beantwoording van vraag 8: Airbnb maakt voorafgaand aan de reservering inzichtelijk hoe hoog de bemiddelingskosten zijn, zodat de gebruiker een geïnformeerde beslissing kan nemen over het sluiten van een huurovereenkomst met de verhuurder. Van een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in art. 6:193b BW is derhalve geen sprake.
Van welke omstandigheden hangt het antwoord op vraag 7 en 8 af?(vraag 9)
welkeomstandigheden in dat geval van belang zijn.
vraag 9 geen beantwoording.
4.Samenvatting
niettoepasselijk zou zijn op de bemiddeling door Airbnb, is relevant of Europese consumentenwetgeving haar verbiedt servicekosten aan de consument-huurder in rekening te brengen. Naar mijn mening is dat niet het geval. Voordat de consument overgaat tot het reserveren van een accommodatie krijgt hij het totaalbedrag te zien dat hij aan Airbnb moet betalen en hoe dat bedrag is samengesteld, met inbegrip van de servicekosten. Voordat hij een accommodatie reserveert, weet de consument dus hoe hoog de servicekosten zijn.